Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:9192 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 22 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2025:919222 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2703
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 februari 2024.
1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 januari 2023 de waarde van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) op 1 januari 2022 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 520.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende voor het jaar 2023 ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag OZB) van de gemeente Waalwijk opgelegd.
1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Beide partijen hebben te kennen gegeven een zitting niet nodig te achten en hebben zich daarom afgemeld.

Feiten

1.4. Belanghebbende was eigenaar van de woning. Het betreft een twee-onder-een-kap woning uit het bouwjaar 1970 met een gebruiksoppervlakte van 141 m². De woning is gelegen op een perceel van 594 m².
1.5. Belanghebbende heeft de woning op 15 augustus 2023 verkocht voor € 450.000.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt het beroep van belanghebbende aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden. In zijn verweerschrift heeft de heffingsambtenaar een reactie geven op de beroepsgronden. De heffingsambtenaar oordeelde primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van een correcte machtiging van de gemachtigde van belanghebbende.
2.1. De heffingsambtenaar heeft na het ontvangen van ontvangen van nadere informatie van belanghebbende zijn gronden tegen de ontvankelijkheid ingetrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.
2.2. Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de woning moet worden verminderd naar € 449.000. De rechtbank oordeelt dienovereenkomstig.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de waardebeschikking moet worden verlaagd. De aanslag OZB volgt de waardebeschikking, dus ook deze moet worden verlaagd.
3.1. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
3.2. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft voor de bezwaarfase recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647, - per punt en wegingsfactor 1. Belanghebbende heeft voor de beroepsfase recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 907, - per punt en wegingsfactor 0,25.[1] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1520,75.
Uitbetaling proceskostenvergoeding en gelijkheidsbeginsel
3.3. De gemachtigde van belanghebbende verzoekt de rechtbank te bepalen dat de betaling van vergoedingen rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden, omdat belanghebbende in de machtiging de vordering vóór de totstandkoming van het nieuwe artikel 30a, vierde en vijfde lid, van de Wet WOZ rechtsgeldig gecedeerd heeft. Daarnaast is het verpandings-/vervreemdingsverbod zoals opgenomen in dit artikel volgens de gemachtigde van belanghebbende onrechtmatig. Daarbij komt dat het cessieverbod discriminatoir is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het enkel geldt in WOZ en Bpm-zaken. Voorts is er volgens de gemachtigde van belanghebbende sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor besluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2024 de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet wordt toegepast.
3.4. De proceskostenvergoeding moet op grond van de wet worden uitbetaald op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.[2] Voor zover de gemachtigde van belanghebbende stelt dat de proceskostenvergoeding ten onrechte rechtstreeks aan belanghebbende moet worden uitbetaald en daarmee de akte van cessie wordt genegeerd overweegt de rechtbank dat zij niet bevoegd is om daarover een oordeel te vellen. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.[3]
3.5. Verder is de rechtbank van oordeel dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwijst in dat kader naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.[4] Dit geldt mede voor het gegeven dat de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm enkel wordt toegepast voor besluiten die ná 1 januari 2024 zijn genomen. De wetgever heeft bewust gekozen om overgangsrecht op te nemen om zo te voorkomen dat de maatregelen invloed hebben op lopende bezwaar - en beroepsprocedures. De onder 3.3 genoemde stellingen van de gemachtigde worden dan ook verworpen. De proceskostenvergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 22 december 2025.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
Artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ.
Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. - - - ## Voetnoten
Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.
Artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ.
Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.