Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2025:8884 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 12 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2025:8884•12 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie - en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439591/ FA RK 25/4587
Datum uitspraak: 12 december 2025
beschikking betreffende vervangende toestemming inschrijving basisschool
in de zaak van
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.M. van der Marel in Eindhoven,
en
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.P.V.W. Willems in 's-Hertogenbosch,
over de minderjarige:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .
Als informant in deze zaak is gehoord:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
- Het verloop van het geding
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 8 september 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het F9-formulier met bijlage van 24 september 2025 van mr. Van der Marel, zijnde productie 3; - het F9-formulier met bijlagen van 26 september 2025 van mr. Van der Marel, zijnde productie 4 tot en met 6; - het F2-formulier van 6 november 2025 van mr. Willems, betreffende het verzoek om verplaatsing van de zitting; - het F9-formulier van 6 november 2025 van mr. Van der Marel; - het e-mailbericht van de man van 18 november 2025, betreffende het verzoek om verplaatsing van de zitting; - de brief van de griffier aan de man van 19 november 2025; - het op 28 november 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen.
1.2. De rechtbank heeft op 6 november 2025 het verzoek ontvangen van mr. Willems om de zitting te verplaatsen. Namens de vrouw is hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft het verzoek van mr. Willems vervolgens afgewezen.
1.3. Op 3 december 2025 heeft de rechtbank de verzoeken behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord de beide partijen bijgestaan door hun advocaat en een medewerker van de GI. Ter zitting was tevens aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2 De feiten
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze is inmiddels verbroken. Binnen de relatie tussen partijen is op [geboortedag] 2022 [minderjarige 1] geboren.
2.2. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 9 mei 2025 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 9 mei 2025 tot 9 mei 2026.
2.4. Voor zover hier van belang, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank bij beschikking van 19 juli 2024 bepaald dat het gezag over [minderjarige 1] voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw en de man samen. Daarnaast is het gezag van de ouders over [minderjarige 1] geschorst en is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] . Ook heeft de rechtbank een en ander bepaald over de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken.
2.5. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van 19 juli 2024 bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Bij beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 februari 2025 is de beschikking van de rechtbank van 19 juli 2024 bekrachtigd voor wat betreft de toewijzing van het gezamenlijk gezag en vernietigd voor wat betreft de schorsing van het gezag, de voorlopige voogdij en de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken. Het gerechtshof heeft, in zoverre opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van de Raad tot schorsing van de ouders in de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] afgewezen en omtrent de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken tussen de ouders met betrekking tot [minderjarige 1] als regeling vastgesteld dat [minderjarige 1] een week aaneengesloten bij de man verblijft en een week aaneengesloten bij de vrouw met het wisselmoment op maandagochtend om 10:00 uur.
3 De verzoeken
3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 1] met ingang van 11 maart 2026 in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] .
3.2. Daarnaast verzoekt de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten verbonden aan de kosten voor de advocaat daaronder begrepen en te bepalen dat deze kosten dienen te worden voldaan binnen 14 dagen na het wijzen van de beschikking bij gebreke waarvan de man in verzuim geraakt en wettelijke rente is verschuldigd over deze kosten.
3.3. De man heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig:
4 De standpunten
4.1. De vrouw legt aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Het is partijen niet gelukt om in samenspraak met elkaar tot een basisschoolkeuze te komen. De vrouw wenst dat [minderjarige 1] vanaf haar vierde verjaardag op 11 maart 2026 naar school zal gaan. Vanwege de wachtlijsten voor de school kan de vrouw niet langer wachten met het inschrijven van [minderjarige 1] , en geeft hiervoor de voorkeur aan basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] . De man geeft daarentegen de voorkeur aan een basisschool in [plaats 1] , een school die halverwege de woonadressen van partijen is gelegen. De zorgtaken zijn weliswaar bij helfte verdeeld maar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] is bij de vrouw te [plaats 2] , aldus de vrouw. Beide partijen hebben een tweede kind uit een andere relatie. [minderjarige 2] , de halfbroer van [minderjarige 1] , is vijf jaar oud en gaat ook naar de basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] . De zoon van de man is 13 jaar oud en gaat inmiddels naar de middelbare school, waardoor de man hem niet meer hoeft te brengen. Qua logistiek is het voor de vrouw niet haalbaar om haar twee kinderen in de ochtend naar twee verschillende scholen te halen en brengen. Daarbij komt dat de basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] zich bevindt in de nabijheid van de woning van de vrouw, waardoor [minderjarige 1] gemakkelijk met vriendjes en vriendinnetjes kan spelen na schooltijd. Dit is niet mogelijk indien [minderjarige 1] naar basisschool [basisschool 2] zou gaan. Ook beschikt de vrouw niet over de financiële middelen om de reis/brandstofkosten te dragen. De vrouw brengt voorts naar voren dat ze het vermoeden heeft dat de man wel een eigen auto heeft waarin hij [minderjarige 1] kan vervoeren. Daarbij komt dat de partner van de man [minderjarige 1] brengt en haalt van de huidige opvang in de [plaats 3] , en dat de man dit niet zelf doet.
Als reactie op de stelling van de man dat partijen met elkaar geconfronteerd zullen worden op het schoolplein heeft de vrouw naar voren gebracht dat de kleuterklassen zich in een ander deel van het complex bevinden dan de groepen drie tot en met acht. Aldus zitten [minderjarige 1] en haar halfbroer verspreid over het schoolcomplex. Bovendien zijn er verschillende parkeerplaatsen, waardoor partijen elkaar bij het halen en brengen niet tegen hoeven te komen, vooral niet als ze daar op voorhand afspraken over maken.
4.2. De man voert verweer, en dient bovengenoemde zelfstandige verzoeken in. De man voert hiervoor, samengevat, het volgende aan. De vrouw heeft er sinds de geboorte van [minderjarige 1] alles aan gedaan om de man buiten spel te zetten. De man heeft meerdere procedures moeten voeren om als gelijkwaardige ouder te worden gezien en behandeld. In de beschikking van het Gerechtshof van 20 februari 2025 over de zorgregeling is een week-op-week-af-regeling bepaald, met als wisselmoment maandag 10:00 uur. De man en de vrouw brengen [minderjarige 1] om en om naar de andere ouder. Bij deze wisselmomenten is een derde aanwezig. Dit is in samenspraak met de jeugdzorgmedewerker tot stand gekomen. De vrouw heeft de man in het verleden beschuldigd van strafbare feiten zoals stalking. Hij is echter vrijgesproken. Deze beschuldigingen hebben wel tot gevolg gehad dat de man [minderjarige 1] voor een langere periode niet heeft gezien. Om een herhaling te voorkomen acht de man het bijzijn van een derde bij deze wisselmomenten noodzakelijk.
De man voert voorts aan dat beide partijen onder begeleiding van de jeugdbeschermer hebben afgesproken dat zij voor een middenweg zouden kiezen bij het aanmelden van [minderjarige 1] op de peuteropvang. Dit is de peuteropvang [peuteropvang] geworden. De vrouw had hier destijds geen enkel probleem mee. De man meent dat er in dit geschil ook gekozen moet worden voor een middenweg, dus een school in het midden van de beide adressen. Op deze manier zullen partijen evenveel bijdragen in het wegbrengen naar en ophalen van school. De vrouw betoogt dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft, maar volgens de man kan de vrouw hier geen argument aan ontlenen. [minderjarige 1] is immers exact even veel bij de man als bij de vrouw. Logistiek is het voor de vrouw handiger dat haar beide kinderen op dezelfde school onderwijs volgen. De man erkent dat maar in de weken dat [minderjarige 1] bij de man is, ervaart zij dit probleem niet. Bovendien gaat [minderjarige 1] nu twee dagen per week naar de peuterspeelzaal in [plaats 3] , en dat is blijkbaar voor de vrouw logistiek ook haalbaar. Voor de man is het haast niet haalbaar om [minderjarige 1] elke dag naar [plaats 2] te brengen. In tegenstelling tot de vrouw, beschikt de man niet over een auto. Zijn partner heeft wel een auto maar die is niet elke dag beschikbaar. De enkele reistijd naar de basisschool van de vrouw in [plaats 2] kost ongeveer dertig minuten, wat dagelijks op twee uur reistijd voor hem uitkomt. Indien de man op het openbaar vervoer aangewezen wordt, is dit nog meer. De kinderen van het kinderdagverblijf in [plaats 1] stromen door naar de basisschool [basisschool 2] . Dit zijn bekende kinderen voor [minderjarige 1] waar ze inmiddels ook een band mee heeft opgebouwd, wat betekent dat ze daar ook vriendjes en vriendinnetjes zal hebben. De wisselmomenten verlopen niet altijd soepel. Het is altijd in het bijzijn van een derde en daarnaast zijn er veel spanningen tussen partijen. De man is tijdens de navraag bij basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] verteld dat de school één ingang heeft voor alle klassen. Indien het verzoek van de vrouw zou worden toegewezen, betekent dit concreet dat de man en de vrouw om de week dagelijks met elkaars aanwezigheid geconfronteerd zullen worden op het schoolplein of bij de ingang. De man brengt immers dan iedere dag [minderjarige 1] naar school en de vrouw brengt dan haar zoon naar school. Dit is onwenselijk voor [minderjarige 1] want zij voelt de spanningen tussen partijen.
4.3. De GI brengt, samengevat, het volgende naar voren. De ouders zijn aangemeld bij de gezinsadvocaat en het proces van parallel ouderschap zal worden voortgezet. Vanuit de GI hebben meerdere gesprekken met beide ouders plaatsgevonden en de GI kan zich vinden in de standpunten van beide partijen. Echter, [minderjarige 1] ervaart spanningen wanneer de ouders elkaar tegenkomen, hetgeen niet in haar belang is. Het is van belang dat zij onderwijs kan volgen in een omgeving waarin geen spanningen zijn. Aan de andere kant is het voor [minderjarige 1] vervelend als zij merkt dat de vrouw last ondervindt van de reistijd. Toch adviseert de GI om een basisschool tussen de woonadressen van de ouders in te kiezen. Via deze weg overbruggen beide partijen de helft van de afstand en zal er geen confrontatie van de ouders op de school plaatsvinden. De GI merkt tot slot op dat situatie tussen de ouders pas kan veranderen indien de ouders inzicht krijgen in hun eigen aandeel in deze situatie. De complexe verhouding tussen de ouders speelt dan ook de boventoon in deze situatie.
4.4. De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw af te wijzen en het verzoek van de man om [minderjarige 1] in te schrijven bij de basisschool de [basisschool 2] toe te wijzen. Het uitgangspunt is dat een kind doorgaans naar school gaat in de buurt van een ouder. Gelet op de complexe en uitgebreide geschiedenis van deze ouders is dat in deze situatie anders. In het belang van [minderjarige 1] acht de Raad het van belang dat de ouders de evenredige rolverdeling blijven accepteren. Inschrijving op een school precies tussen de beide woonadressen in sluit, gelet op de complexe strijd, het beste aan op die evenredige rol in de opvoeding. Daarbij komt dat [minderjarige 1] al kinderen van het kinderdagverblijf kent en zullen die kinderen waarschijnlijk eveneens deels doorstromen naar basisschool [basisschool 2] . Indien de ouders elkaar tegenkomen op school, dan kan dit voor [minderjarige 1] voortdurend spanningen opleveren. Hiervoor is één incident voldoende. Gelet op het bovenstaande adviseert de Raad het verzoek van de vrouw af te wijzen en het verzoek van de man toe te wijzen.
5 De beoordeling
5.1. Zoals hiervoor reeds overwogen zijn partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , hetgeen met zich brengt dat zij beiden voor een eventuele inschrijving van [minderjarige 1] op een school de toestemming van de ander nodig hebben. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Omdat partijen elkaar geen toestemming geven, zal de rechtbank een beslissing nemen op hun verzoeken. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van [minderjarige 1] wenselijk voorkomt.
5.2. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] toewijzen, wat betekent dat het verzoek van de man om [minderjarige 1] in te schrijven op basisschool [basisschool 2] te [plaats 1] ) zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.3. Allereerst merkt de rechtbank hier op dat zij de situatie waarin [minderjarige 1] zich bevindt betreurenswaardig acht. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat de ouders zich nog altijd in een complexe ouderstrijd begeven. Het gevolg hiervan is dat niet het belang van [minderjarige 1] , maar het belang van ouders centraal staat in onderhavig geschil. Het belang van [minderjarige 1] is dat zij naar de basisschool gaat op een plek waar zij zich op sociaal en cognitief vlak kan ontwikkelen. De basisschooltijd is de fase waarin de wereld van een kind steeds groter wordt, een kind zelfstandigheid ontwikkelt en zich sociaal-emotioneel steeds verder ontplooit. Kinderen gaan afspreken met andere kinderen, gaan bedenken wie hun vriendjes zijn, gaan naschoolse activiteiten krijgen en moeten, vanuit de veiligheid die de ouders het kind bieden, de wereld gaan exploreren en daarbij steeds verder losgelaten worden door hun ouders. Indien wordt gekozen voor een basisschool tussen de woonadressen van beide ouders in, brengt dit met zich mee dat [minderjarige 1] gedurende de komende acht jaar in belangrijke mate afhankelijk zal blijven van de ouders om haar naar de school te brengen en haar weer op te halen. Ook bij sociale (naschoolse) activiteiten zou zij afhankelijk blijven van de ouders. Zij zal immers dan ook altijd gehaald en gebracht moeten worden. Zij zou naar verwachting van de rechtbank belemmerd worden in het maken van speelafspraken met vriendjes en vriendinnetjes, omdat dit voor beide ouders reistijd en mogelijk praktische problemen oplevert. Het uitnodigen van vriendjes na schooltijd of het uitgenodigd worden door klasgenootjes zou ook een belemmering vormen. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige 1] hierdoor in haar sociaal - emotionele ontwikkeling geremd zou worden.
5.4. Zowel de man, als de GI en de Raad hebben benoemd dat de spanningen tussen de ouders in het geval van een confrontatie tussen de ouders bij de school, een grote weerslag op [minderjarige 1] zal hebben. Ook de rechtbank ziet dit risico. Tegelijkertijd staat niet vast dat de man en de vrouw elkaar daadwerkelijk om de week steeds op school zullen treffen. Ook is het aan de ouders om zich op een respectvolle manier naar elkaar te gedragen en hierover nadere afspraken met elkaar te maken. Het kan en mag niet zo zijn dat het belang van [minderjarige 1] ondergeschikt wordt gemaakt aan de onverkwikkelijke confrontaties die de ouders mogelijk met elkaar aangaan als zij elkaar onverhoopt op het schoolplein tegen gaan komen. Ouders dienen dat in het belang van hun dochter te vermijden. Dit is hun plicht tegenover [minderjarige 1] , want - op dat punt onderschrijft de rechtbank het advies van de Raad volledig - zij zou er verschrikkelijk veel last van hebben als zij op haar school te maken zou krijgen met een ruziënde vader en moeder op het schoolplein. De rechtbank beveelt de ouders aan om met de gezinsadvocaat te kijken naar passende oplossingen hiervoor en ervoor te zorgen dat zij in de toekomst respectvol met elkaar omgaan en - als dat dat niet lukt - er in ieder geval voor te zorgen dat [minderjarige 1] in de toekomst nooit en te nimmer last heeft van hun onvermogen om respectvol met elkaar om te gaan.
5.5. Voorts heeft de man aangevoerd dat het vervoer en de extra reistijd een knelpunt vormen indien [minderjarige 1] naar de basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] gaat. De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de partner van de man [minderjarige 1] steeds haalt en brengt van de kinderopvang, dat de man vermoedelijk over een auto beschikt en dat de extra reistijd naar de basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] slechts negen minuten bedraagt. Dit is door de man ter zitting niet betwist. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in dat dit een zodanig knelpunt voor hem zal vormen dat dit aan toewijzing van het verzoek van de vrouw in de weg staat.
5.6. De stelling van de man dat [minderjarige 1] gebaat is bij een overgang naar basisschool [basisschool 2] , omdat kinderen van haar kinderdagverblijf ook naar die school door zullen stromen, legt de rechtbank naast zich neer. Dit wordt door de vrouw betwist en kan door de rechtbank niet worden vastgesteld. Bovendien is [minderjarige 1] niet geworteld in de Reeshof, omdat haar beide ouders hier niet wonen. Beide ouders hebben op dit moment evenmin binding met de [plaats 3] . De rechtbank stelt wel vast dat [minderjarige 1] de helft van de tijd in [plaats 2] woont, haar broertje ook naar [basisschool 1] gaat, dat deze school op loopafstand van de woning van de vrouw is gelegen en dat daarmee aan vele randvoorwaarden voor het opdoen van vriendjes en vriendinnetjes in de buurt is voldaan. Het hebben van speelkameraadjes waar een kind na schooltijd mee kan spelen is wezenlijk voor de ontwikkeling van kinderen. Ook zal het fijn zijn voor [minderjarige 1] als zij zich op kan trekken aan haar 'grote broer' en haar schoolervaringen met hem kan delen.
5.7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het advies van de Raad en de GI dus niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is het door hen gegeven advies invoelbaar gezien de langdurige strijd die de ouders met elkaar voeren en de beslissing van het Hof om de zorgtaken strikt evenredig tussen de ouders te verdelen in de hoop dat daarmee de strijd tussen hen zal luwen, maar naar het oordeel van de rechtbank zijn deze adviezen met name gericht op de belangen van de ouders en erop gericht om de tussen hen bestaande praktische problemen op te lossen. De rechtbank stelt echter in haar beslissing de belangen van [minderjarige 1] centraal. Haar sociaal-emotionele ontwikkeling moet vloeiend gaan verlopen en daar hoort bij dat zij de komende acht jaren steeds zelfstandiger kan worden op alle gebieden. Naar school gaan in de buurt van de woning van een van de ouders is dan passend. Nu de vrouw dit heeft verzocht en de man heeft verzocht om toestemming voor een school 'precies in het midden', zal de rechtbank het verzoek van de vrouw inwilligen.
5.8. De ouders zullen in de komende periode stappen moeten gaan zetten in het vinden van een modus hoe zij samen het gezamenlijk ouderschap verder kunnen vormgeven en er beiden voor [minderjarige 1] kunnen zijn. De rechtbank is hoopvol dat het de ouders op termijn gaat lukken. Dit is immers een verplichting die de ouders tegenover [minderjarige 1] hebben.
5.9. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het van belang dat [minderjarige 1] zonder uitstel direct na haar vierde verjaardag kan starten op school en direct aan het onderwijsritme kan deelnemen zoals dat voor vierjarigen gewoon is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tijdens de mondelinge behandeling door de vrouw is aangegeven dat [minderjarige 1] eraan toe is om naar school te gaan, zodat door [minderjarige 1] niet gewacht kan worden op een eventuele uitspraak in hoger beroep.
5.10. Gelet op de relatie tussen partijen en nu het geschil betrekking heeft op hun beide kind, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zoals gebruikelijk is in familierechtelijke procedures. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
6 De beslissing
De rechtbank:
6.1. verleent de vrouw, vanwege het ontbreken van de toestemming van de gezagdragende man, vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige 1] in te schrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats 2] ;
6.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 in aanwezigheid van Van der Burg als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof 's-Hertogenbosch.