Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:910 - Rechtbank Rotterdam - 26 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:91026 januari 2026

Uitspraak inhoud

Rechtbank Rotterdam
    Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-031981-25
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Datum zitting: 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1981 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. P. Hogerbrugge
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] heeft belaagd in de periode van 3 november 2024 tot en met 24 december 2024. Dit feit wordt wegens een vastgestelde waanstoornis in verminderde mate aan hem toegerekend. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaar, met daarbij bijzondere voorwaarden. Tevens wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uur opgelegd. Daarnaast wordt een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd voor de duur van vijf jaar, inhoudende een contactverbod. Deze maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 24 december 2024 mevrouw [slachtoffer] heeft belaagd, subsidiair dat hij haar gedwongen heeft om het contact met hem te dulden.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
primair
hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2024 tot en met 24 december 2024 teRotterdam,althans in Nederland,wederrechtelijkstelselmatigopzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,door: - nadat hij op 16 april 2019 is veroordeeld voor belaging van die [slachtoffer] in deperiode van 21 december 2016 tot en met 21 oktober 2018, waarbij hij eencontactverbod met die [slachtoffer] heeft gekregen tot 30 oktober 2023, en - nadat hij vóór het einde van die proeftijd op 3 juli 2023 het contactverbod hadovertreden, waardoor de proeftijd werd verlengd tot 30 oktober 2024 - zijn profielfoto op YouTube te wijzigen naar een foto waarbij verdachte zijngezicht en het gezicht van die [slachtoffer] voor de helft staat afgebeeld en/of - die [slachtoffer] een bericht te sturen via LinkedIn en/of - die [slachtoffer] een kerstkaart te sturen via het adres van haar ouders en/of - zijn ouders langs te laten gaan bij de ouders van die [slachtoffer] en/of op die maniercontact met die [slachtoffer] te zoeken,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te duldenen/of vrees aan te jagen;
subsidiair
    hij in of omstreeks de periode van 12 augustus 2024 tot en met 24 december 2024 teRotterdam,althans in Nederland,een ander, te weten [slachtoffer] ,door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enigeandere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets tedoen, niet te doen en/of te dulden, te weten het dulden, dat hij verdachte, contactmet haar blijft zoeken en/of afdwingt, door: - nadat hij op 16 april 2019 is veroordeeld voor belaging van die [slachtoffer] in deperiode van 21 december 2016 tot en met 21 oktober 2018, waarbij hij eencontactverbod met die [slachtoffer] heeft gekregen tot 30 oktober 2023, en - nadat hij vóór het einde van die proeftijd op 3 juli 2023 het contactverbod hadovertreden, waardoor de proeftijd werd verlengd tot 30 oktober 2024 - zijn profielfoto op YouTube te wijzigen naar een foto waarbij verdachte zijngezicht en het gezicht van die [slachtoffer] voor de helft staat afgebeeld en/of - die [slachtoffer] een bericht te sturen via LinkedIn en/of - die [slachtoffer] een kerstkaart te sturen via het adres van haar ouders en/of - zijn ouders langs te laten gaan bij de ouders van die [slachtoffer] en/of op die maniercontact met die [slachtoffer] te zoeken.

2 Bewijs

2.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde feit (belaging).
2.2. Conclusie van de verdediging
De verdachte, die zijn eigen verdediging voerde, heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdachte zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3. Oordeel van de rechtbank
2.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer] heeft belaagd in de periode van 3 november 2024 tot en met 24 december 2024. De volledige bewezenverklaring staat in in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[1] en de onderstaande bewijsmotivering.
  1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster
Ik doe aangifte wegens stalking, gepleegd door [verdachte] . Na mijn eerste aangifte in 2018 had de politie een stopgesprek met [verdachte] gevoerd, maar [verdachte] stopte niet met mij te stalken. Uiteindelijk werd [verdachte] vervolgd voor stalking. Er werd hem een contactverbod opgelegd die geldig was tot 7 juli 2023, maar op 3 juli 2023 nam [verdachte] opnieuw contact met mij op door een sms-bericht naar mij te sturen. Hiermee overtrad hij het contactverbod. Helaas stopte het niet want op 16 oktober 2023 kreeg ik wederom een e-mail van [verdachte] met daarin een persoonlijk bericht en een link van een Youtube video. Ik heb nogmaals aangifte gedaan en het contactverbod van [verdachte] werd vervolgens verlengd.
Op 15 november 2024 kreeg ik een LinkedIn bericht van hem. In dit bericht stond de volgende tekst:
"Ik stuur je eenmalig een bericht, in de hoop dat je me een keer wilt spreken. ik hoor dat je verloofd bent, en wens je veel geluk. Kunnen we een keer (af)spreken, om het heftige verhaal positief af te sluiten voor ons beiden? Dank voor je reactie, of bij het uitblijven daarvan, alsnog bedankt. Hartelijke groet, [voornaam verdachte] ".
Op 24 december 2024 kregen mijn ouders een kerstkaart opgestuurd op hun woonadres. In deze kerstkaart stond mijn achternaam en de achternaam van mijn vriend vermeld. In de kerstkaart stond de volgende tekst:
"Gericht aan: [slachtoffer]
        *Zodat je goedgemutst het nieuwe jaar in gaat!*
        *[naam 2] en [naam 3] "*
  1. Verklaring van de verdachte[2]
Ik heb [slachtoffer] het bericht op LinkedIn van 15 november 2024 gestuurd. Ik heb haar ook een kerstkaart op het adres van haar ouders gestuurd en die ondertekend met [naam 2] en [naam 3] . Mijn ouders zijn bij de ouders van [roepnaam slachtoffer] langs geweest om te vragen hoe het met haar ging. Dit hadden mijn ouders en ik in onderling overleg besloten omdat dit mij de meest verantwoorde wijze leek om contact met haar op te nemen.
  1. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige[3]
Wij zijn de ouders van [voornaam slachtoffer] . Op 3 november 2024 kregen wij een belletje om de deur open te doen. Ik zag twee oude mensen. Ik hoorde de man zeggen: "Wij komen voor onze zoon [voornaam verdachte] ." Ik hoorde hen verklaren dat hun zoon ermee zat dat hij onze dochter wilde ontmoeten om zijn excuses aan te bieden. Ik vertelde de ouders duidelijk dat onze dochter dit niet wilt. Dat zij hem niet wil. Wij hoorde de vader van [voornaam verdachte] voornamelijk vragen stellen over onze dochter.
2.3.2. Bewijsmotivering
Ten aanzien van het derde gedachtestreepje wordt overwogen dat de politie op 12 augustus 2024 heeft waargenomen dat de verdachte zijn profielfoto op zijn YouTube account heeft gewijzigd naar een profielfoto waarbij zowel zijn eigen gezicht als dat van aangeefster voor de helft zichtbaar zijn. Omdat niet kan worden vastgesteld wanneer de verdachte deze wijziging heeft doorgevoerd, kan deze gedraging niet in de tenlastegelegde periode worden geplaatst, zodat de verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.
De gedragingen zoals vermeld in de overige drie gedachtestreepjes zijn door de verdachte bekend en kunnen worden bewezen.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of deze bewezen feitelijke gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b Sr. Bij de beantwoording van deze vraag is beslissend of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk en stelselmatig en opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk.
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Stelselmatig
Bij beoordeling van de stelselmatigheid zijn de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen relevant. Daarnaast dienen de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden, evenals de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, mede in aanmerking te worden genomen.
Ook de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tenlastelegging vermelde
periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, kan een rol spelen
bij de stelselmatigheid van het gedrag. Het (belagings)verleden mag dus worden betrokken
in een eventuele nieuwe strafzaak. Minimale grenzen ten aanzien van de duur en de frequentie zijn niet te geven. In dit kader is het volgende relevant.
Op 26 april 2019 is de verdachte veroordeeld voor belaging van aangeefster in de periode van 1 december 2016 tot en met 25 oktober 2018. Hierbij is hem een contactverbod opgelegd, gekoppeld aan een proeftijd. Vlak voor het aflopen van deze proeftijd heeft de verdachte weer contact opgenomen met de aangeefster, waarna de proeftijd van het contactverbod met een jaar is verlengd tot 30 oktober 2024.
Na afloop van ook die termijn heeft de verdachte weer contact opgenomen met de aangeefster. De verdachte heeft sinds 3 november 2024 op verschillende manieren geprobeerd met de aangeefster in contact te komen. Op 3 november 2024 zijn – in overleg met de verdachte – de ouders van de verdachte bij de woning van de ouders van de aangeefster langs geweest om de boodschap over te brengen dat de verdachte met de aangeefster in gesprek wilde, bij voorkeur 'face to face'. Op 15 november 2025 heeft hij de aangeefster een bericht via LinkedIn gestuurd waarin hij schreef dat hij hoopte haar nog een keer te spreken. Tot slot heeft de verdachte op 24 december 2024 een kerstkaart gestuurd naar het adres van de ouders van de aangeefster, waarop de achternamen van de aangeefster en haar vriend stonden vermeld.
Uit de analyse van de inbeslaggenomen gegevensdragers blijkt ook dat de verdachte al vanaf 2016 intensief en obsessief met aangeefster bezig is geweest. Zo heeft hij, naast het hiervoor benoemde zoeken van contact, teksten over haar geschreven, videoboodschappen over haar opgenomen en op YouTube gezet, herhaaldelijk foto's van haar bekeken, haar naam veelvuldig gegoogeld en in zijn omgeving over haar gesproken of naar haar geïnformeerd.
Al deze omstandigheden, alsmede de eerdere veroordeling voor belaging van ditzelfde slachtoffer en de invloed die dit op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster heeft gehad, maken het handelen van de verdachte stelselmatig.
Wederrechtelijk en opzettelijk
Gezien de eerdere aangiften, de veroordeling, het voortdurend uitblijven van reactie van het slachtoffer en het opgelegde contactverbod stelt de rechtbank vast dat de verdachte wist, of op zijn minst had moeten weten, dat de aangeefster op geen enkele wijze contact met hem wenste. De verdachte heeft op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet gehad op de door hem gepleegde wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer van de verdachte, dat inhoudt dat hij niet zeker wist of de aangeefster echt geen contact met hem wilde en dat hij om die redenen meerdere contactpogingen heeft 'moeten' ondernemen. De verdachte heeft de aangeefster geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact en heeft de aangeefster aldus gedwongen te dulden dat hij stelselmatig contact met haar zocht. De rechtbank acht belaging in de periode 3 november 2024 tot 24 december 2024 dan ook bewezen.
Voor zover de verdachte zich beroept op het door hem geopperde alternatieve scenario dat inhoudt dat hij middels Spotify-accounts zou zijn uitgelokt om de aangeefster te benaderen, waardoor zijn handelen niet wederrechtelijk zou zijn, verwerpt de rechtbank ook dit verweer omdat de verdachte, in weerwil van zijn eigen overtuiging geen begin van aannemelijkheid van dit scenario heeft gegeven.
2.3.3. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
hij in de periode van 3 november 2024 tot en met 24 december 2024 teRotterdam,wederrechtelijkstelselmatigopzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,door: - nadat hij op 26 april 2019 is veroordeeld voor belaging van die [slachtoffer] in deperiode van 1 december 2016 tot en met 25 oktober 2018, waarbij hij eencontactverbod met die [slachtoffer] heeft gekregen tot 30 oktober 2023, en - nadat hij vóór het einde van die proeftijd op 3 juli 2023 het contactverbod hadovertreden, waardoor de proeftijd werd verlengd tot 30 oktober 2024 - die [slachtoffer] een bericht te sturen via LinkedIn en - die [slachtoffer] een kerstkaart te sturen via het adres van haar ouders en - zijn ouders langs te laten gaan bij de ouders van die [slachtoffer] en op die maniercontact met die [slachtoffer] te zoeken,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, te dulden

3 Kwalificatie en strafbaarheid

3.1. Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit primair:
belaging
3.2. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4 Straf en maatregel

4.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een tbs-maatregel met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel. Verder wordt gevorderd dat de verdachte de maatregelen als bedoeld in de artikelen 38v en 38z Sr krijgt opgelegd. De 38v-maatregel moet voor de duur van vijf jaar worden opgelegd, inhoudende een verbod op direct en indirect contact met de aangeefster, haar ouders en haar partner. Bij overtreding van dit contactverbod geldt een hechtenis van twee weken, met een maximum van zes maanden. Tevens wordt gevorderd dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
4.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging verzet zich tegen de oplegging van een tbs-maatregel.
4.3. Oordeel van de rechtbank
4.3.1. Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich, niet voor het eerst, schuldig gemaakt aan het belagen van een van zijn voormalige studenten. Ondanks een eerdere veroordeling en een opgelegd contactverbod met betrekking tot hetzelfde slachtoffer, heeft hij opnieuw contact met haar gezocht. Hij heeft haar de afgelopen tien jaar, soms periodiek onderbroken, op verschillende manieren benaderd. Daarbij heeft hij niet alleen geprobeerd direct contact met haar te leggen, maar heeft hij ook zijn op leeftijd zijnde ouders ingezet om haar ouders te benaderen. In al die tijd heeft het slachtoffer niet eenmaal positief op deze toenaderingspogingen gereageerd. De verdachte had alleen al hierin een reden moeten zien om haar met rust te laten.
Belaging is een ernstig feit, omdat het ingrijpt in de persoonlijke vrijheid en privacy van een slachtoffer. Uit de slachtofferverklaring, die namens aangeefster ter zitting werd voorgelezen, blijkt dat zij heel veel last heeft van de jarenlange ongewenste toenaderingen. Ze leeft in voortdurende angst, is altijd op haar hoede en ervaart veel stress.
4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Aangezien deze veroordeling van meer dan vijf jaar geleden is, leidt dit niet tot een hogere straf.
Rapport psycholoog
In het rapport van klinisch psycholoog dr. [persoon A] van 9 juli 2025 staat het volgende. Indien bewezen kan een waanstoornis van het type achtervolgingswaan worden vastgesteld, met de specificatie multipele episoden, momenteel in acute episode. Dit beeld is gekoppeld aan de 'rancuneuze stalker'. De verdachte lijkt – vanuit het idee dat de vrienden van aangeefster [slachtoffer] hem via social media uitlokken – contact met haar te hebben opgenomen. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit was deze stoornis aanwezig, zodat geadviseerd wordt om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op voortzetting van het stalkinggedrag (in welke vorm dan ook) wordt bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij als hoog ingeschat, maar lijkt de kans laag dat hij daarbij tot geweld zal overgaan. Verder wordt het risico op herhaling als matig ingeschat. Bij de verdachte is geen sprake van enige motivatie voor behandeling, gelet op een volledig gebrek aan ziektebesef, laat staan ziekte-inzicht.
Bij veroordeling is een aantal modaliteiten denkbaar om het risico tot alsnog aanvaardbare proporties in te dammen. Zo kan - naast een deels onvoorwaardelijke straf – een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden als eerste modaliteit in het kader van een zo langdurig mogelijke meldplicht bij de reclassering worden geadviseerd. Wat de voorwaarden betreft wordt daarbij hoog ingezet op risicomanagement (in de vorm van verlenging van reclasseringstoezicht, contact - en gebiedsverbod voor [slachtoffer] en haar netwerk, en controle van zijn gegevensdragers. Een tweede modaliteit is het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, wat de mogelijkheid biedt om – na ommekomst van deze maatregel – aan de hand van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel langduriger toezicht op verdachtes gedrag te kunnen uitoefenen.
Rapport psychiater
In het rapport van psychiater dr. [persoon B] van 11 juli 2025 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een waanstoornis van het paranoïde type. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde (indien bewezen) in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De verdachte kan getypeerd worden als het type 'rancuneuze stalker'. Hij wordt gedreven door het gevoel dat hij onrechtvaardig wordt behandeld door het Openbaar Ministerie en dat hij wordt uitgelokt door aangeefster. Hij miskent daarbij het leed dat hij met zijn gedrag bij aangeefster heeft aangericht. Geadviseerd wordt om in het kader van een voorwaardelijk strafdeel de verdachte een meldplicht, begeleiding door reclassering, een contactverbod en eventueel controle op gegevensdragers op te leggen.
Rapport reclassering
In het maatregelrapport van de reclassering van 4 september 2025 staat het volgende. De reclassering adviseert negatief over een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of gedragsverandering te bewerkstelligen. Hoewel een klinische forensische behandeling noodzakelijk wordt geacht, weigert de verdachte daaraan mee te werken. Daarnaast adviseert de reclassering om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende - en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat langdurig toezicht mogelijk is na de tbs-maatregel of gevangenisstraf. Het risico op recidive (in enige vorm) en het continueren van de stalking (en daarmee psychosociale schade bij het slachtoffer) wordt als hoog ingeschat. Het risico op fysiek geweld voor aangeefster wordt als laag ingeschat.
4.3.3. Oplegging straf en maatregel
Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit beïnvloedde. Het feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De duur en intensiteit van de belaging evenals de ontwrichting van het leven van het slachtoffer worden hierin meegewogen.
De gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. De verdachte lijkt het kwalijke en strafwaardige van zijn handelen niet in te zien. Om herhaling van dergelijk belastend gedrag richting het slachtoffer te voorkomen is een stevige stok achter de deur aldus noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en noodzakelijk is. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van 150 uren opgelegd.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een deel van de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen, zijn: meewerken aan reclasseringstoezicht, niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, een inspanningsverplichting ten aanzien van het vinden en behouden van dagbesteding en een contactverbod met aangeefster, haar ouders en haar partner.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
De rechtbank zal daarnaast met het oog op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten bevelen dat verdachte zich onthoudt van (indirect) contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1996), haar partner [persoon C] , haar ouders, en haar vriendin [persoon D] . Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
Deze maatregel zal dadelijk uitvoerbaar worden verklaard omdat er, gelet op de eerdere veroordeling van verdachte en de rapportages van de psychiater en psycholoog, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefsters.
Gedragsbeïnvloedende /vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)
De rechtbank zal de 38z-maatregel niet opleggen. Nu de rechtbank – mede gelet op het advies van de reclassering – geen tbs-maatregel zal opleggen, is niet aan de wettelijke vereisten voldaan om deze maatregel op te leggen.

5 In beslag genomen voorwerpen

5.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen gegevensdragers worden verbeurd verklaard. Met deze gegevensdragers is het ten laste gelegde feit gepleegd en daarom komen zij in aanmerking voor verbeurdverklaring.
5.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de gegevensdragers terug te geven.
5.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen gegevensdragers aan de verdachte.

6 Vordering van de benadeelde partij

6.1. Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij € 3.891,00 als vergoeding voor materiële schade en € 5.000,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd.
De materiële schade bestaat uit de eigen bijdrage voor de kosten van rechtsbijstand in verband met een eerder mogelijk te starten kort geding om een contactverbod te verzoeken (€ 891,00), en nog nader te onderbouwen schade (€ 3.000,00). Verzocht wordt het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2. Standpunt van de officier van justitie
De kosten voor rechtsbijstand zijn rechtstreekse schade als gevolg van het tenlastegelegde feit. Deze kosten zijn ook voldoende onderbouwd, zodat de gevorderde schade volledig kan worden toegewezen met oplegging van de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel. De overige materiële kosten zijn niet onderbouwd, zodat de benadeelde partij in deze kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de immateriële schade concludeert de officier van justitie dat de hoogte van het bedrag voldoende onderbouwd is met passende jurisprudentie.
6.3. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
6.4. Oordeel van de rechtbank
6.4.1. Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de rechtsbijstandskosten, wordt toegewezen. Deze is voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet weersproken.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de nader te onderbouwen schade is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel niet-ontvankelijk.
6.4.2. Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat het niet vast te stellen is of de psychische schade in zijn geheel veroorzaakt is door het bewezenverklaarde feit, aangezien de benadeelde partij eerder slachtoffer is geworden van belaging door de verdachte en deze eerdere belaging ook blijkens de ingebrachte stukken, in ieder geval deels, van invloed is op de psychische toestand van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd welke schade specifiek voortvloeit uit het tenlastegelegde feit en welke schade verband houdt met de eerdere veroordeling. Nader onderzoek naar dit onderscheid zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank beperkt zich daarom tot de schade die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen feit en begroot deze schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige deel van de vordering wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.3. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 3 november 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op €0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  1. de verdachte zich zal melden op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is. De verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen. De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden. De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid. De verdachte werkt mee aan huisbezoeken. De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners. De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
  1. de verdachte niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal gaan zonder toestemming van de reclassering;
  1. de verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een door de reclassering goedgekeurde dagbesteding (betaald werk, onbetaald werk en vrijetijdsbesteding), met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
  1. De verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1996 en haar partner [persoon C] . Evenmin zal de verdachte al dan niet met tussenkomt van derden contact opzoeken met de ouders van [slachtoffer] . Tevens zal de verdachte geen mededelingen dan wel foto's van voorgenoemde personen via sociale media plaatsen of op internet uiten;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar, inhoudende dat de verdachte: - op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1996), haar partner [persoon C] , haar ouders en haar vriendin [persoon D] .
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
In beslag genomen voorwerpen - beveelt de teruggave van de gegevensdragers aan de verdachte;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.891,00 bestaande uit € 891,00 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 3 november 2024 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 1.891,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 18 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

9 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en H.C. van Vuren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. van Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 januari 2026.
Mr. D.C. van Beek is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] ***.
Verklaard tijdens de zitting van 12 januari 2026.
Pagina's 19-21 van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] . - - - ## Voetnoten
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] ***.
Verklaard tijdens de zitting van 12 januari 2026.
Pagina's 19-21 van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal] .