Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:900 - Rechtbank Rotterdam - 26 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:900•26 januari 2026
Uitspraak inhoud
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-220368-25
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Datum zitting: 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres: [adres 1] ( [naam PI] ),
gedetineerd in [detentieadres] .
Advocaat van de verdachte: mr. L.A. Sjadijeva.
Officier van justitie: mr. I. Barendregt
Kern van het vonnis
De verdachte is medeplichtig geweest aan het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. De verdachte wordt zonder nadere motivering vrijgesproken van wapenbezit. De rechtbank legt wel uit waarom de verdachte ten aanzien van de verdovende middelen en de voorbereidingshandelingen niet voor medeplegen wordt veroordeeld. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij worden bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad. Ook zou hij samen met een ander opzettelijk verdovende middelen aanwezig hebben gehad en strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet hebben gepleegd. Subsidiair wordt hem verweten dat hij medeplichtig is geweest aan het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en de strafbare voorbereidingshandelingen.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie,te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 19 Gen 4, kaliber 9x 19mm,met daarbij voor dat wapen geschikte munitie, voorhanden heeft gehad;
2
hij op 31 juli 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 27,66 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/ofongeveer 2,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,ongeveer 180,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair:
[naam 1] , althans een persoon, op 31 juli 2025 te Rotterdam in een woning en/of bij die woning behorende kelderbox, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 27,66 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/ofongeveer 2,97 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,ongeveer 180,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.
hij op 31 juli 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of - het opzettelijk vervaardigen van heroïne en/of cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een (versnijdings-)pand aan de [adres 2] en/of bijhorende kelderbox te gebruiken en/of ter gebruik aan te bieden als opslag van grondstoffen/chemicaliën en/of (een) voorwerp(en) dat/die benodigd is/zijn, althans kan/kunnen worden gebruikt bij de bereiding, verwerking, vervaardiging en/of bewerking van heroïne en/of cocaïne en/of MDMA
en/of
het aanwezig hebben van: - één of meerdere soorten versnijdingsmiddelen en/of - één of meeer weegschalen en/of - een of meer zeven en/of - een drukpers met mallen en/of - een mixer;
subsidiair:
[naam 1] , althans een persoon, op 31 Juli 2025 te Rotterdam in een woning en/of bij die woning behorende kelderbox, gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of - het opzettelijk vervaardigen van heroïne en/of cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een (versnijdings-}pand aan de [adres 2] en/of bijhorende kelderbox te gebruiken en/of ter gebruik aan te bieden als opslag van grondstoffen/chemicaliën en/of (een) voorwerp(en) dat/die benodigd is/zijn, althans kan/kunnen worden gebruikt bij de bereiding, verwerking, vervaardiging en/of bewerking van heroïne en/of cocaïne en/of MDMA en/ofhet aanwezig hebben van: - één of meerdere soorten versnijdingsmiddelen en/of - één of meer weegschalen en/of - een of meer zeven en/of - een drukpers met mallen en/of - een mixer,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 31 juli 2025 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (een ruimte in) die woning en/of bij die woning behorende kelderbox ter beschikking te stellen.
subsidiair:
2 Bewijs / Vrijspraak
2.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 2 primair en 3 primair en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2. Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3. Oordeel van de rechtbank
2.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte medeplichtig is geweest bij het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[1] en de onderstaande bewijsmotivering.
- Verklaring van de verdachte
[2]
Ik heb iemand onderdak verleend in mijn woning. Hij gebruikte één van de kamers in de woning. Dit was de kamer die op slot zat.
- Proces-verbaal van de politie
[3] Op 31 juli 2025 waren wij belast met het doorzoeken van een woning aan de [adres 2] .
Wij hadden de sleutelbos van [naam 1] meegenomen. Wij zagen dat één van deze sleutels het portiek van het pand kon openen. Vervolgens zagen wij dat ook de berging van de [adres 2] , de voordeur van die woning en de deur die naar de versnijdingsruimte leidde geopend konden worden met sleutels aan de sleutelbos van [naam 1] .
- Proces-verbaal van de politie
[4] Op 31 juli 2025 zagen wij dat de berging behorende aan woning [adres 2] kon worden geopend. Wij zagen dat er in deze berging meerdere spullen verborgen lagen. Wij zagen dat er in een groene tas meerdere doorzichtige plastic tassen
lagen met bruine poederachtige substantie erin.
Bij het betreden van het pand zagen wij dat er zich één persoon in een kamer bevond. Deze persoon bleek [verdachte] te zijn.
Wij zagen dat de woning bestond uit meerdere kamers. De kamer waar [verdachte] zich in bevond leek op een slaap - en woonkamer. Er bevond zich een keuken, badkamer en een gesloten deur naar een andere kamer. Deze deur was op slot die via een andere sleutel geopend moest worden.
Wij zagen dat [verdachte] een sleutelbos in zijn broekzak had. Ik zag dat een sleutel die aan de sleutelbos van [verdachte] hing, de deur die naar de versnijdingskamer leidt, kon openen.
- Proces-verbaal van de politie
[5] Toen ik de versnijdingsruimte in de woning aan de [adres 2] binnen liep zag ik diverse artikelen. Ik zag in de ruimte onder meer veel zakken met bruin poeder liggen, een grote weegschaal, een kleine weegschaal, een mixer, zeven en een drugspers met mallen.
- Proces-verbaal van de politie
[6]
Op 31 juli 2025 waren wij in de woning gelegen aan de [adres 2] .
In beslag genomen goederen per ruimte:
Ruimte F - F.1.1 8x blokken; - F.4, 2x blokken.
Ruimte I: kelderbox: - I.1.3 tas met 18 zakken met bruine substantie.
- Schriftelijk stuk, Kennisgeving van inbeslagneming
[7]
F.1.1.
Goednummer: [proces-verbaalnummer 1]
- Schriftelijk stuk, Kennisgeving van inbeslagneming
[8]
F.4
Goednummer: [proces-verbaalnummer 2]
- Schriftelijk stuk, Kennisgeving van inbeslagneming
[9]
I.1.3.
Goednummer: [proces-verbaalnummer 3]
- Proces-verbaal van de politie
[10]
BVH: goednummer: [nummer 1]
Een bigshopper tas met daarin 19 dichtgeknoopte transparante plastic zakjes met daarin bruin poeder.
Uniek voorwerp nummer: [nummer 2]
Veiliggesteld monster afkomstig van goed [nummer 2] : [nummer 3] .
Uitgevoerde testen bij monster [nummer 3] : indicatie paracetamol en cafeïne.
- Proces-verbaal van de politie
[11]
Uit dit proces-verbaal onderzoek verdovende middelen kan worden opgemaakt dat de
inbeslaggenomen verdovende middelen op de [adres 2] indicatief zijn onderzocht door de Forensische Opsporing. In totaal zijn de volgende verdovende middelen inbeslaggenomen en getest:
60,93 kilo versnijdingsmiddelen (voornamelijk paracetamol).
- Proces-verbaal van de politie
[12]
BVH goednummer: [nummer 4] , nettogewicht: 3.868 gram, Uniek Voorwerp Nummer: [nummer 5] .
BVH goednummer: [nummer 6] , Nettogewicht: 1.998 gram, Uniek Voorwerp Nummer: [nummer 7] .
- Deskundigenverslag
[13] Kenmerk; [nummer 5]
Conclusie: bevat heroïne.
- Deskundigenverslag
[14] Kenmerk; [nummer 7]
Conclusie: bevat cocaïne.
- Proces-verbaal van de politie
[15]
Ik deed onderzoek in de telefoon van [verdachte] .
In het proces-verbaal van bevindingen met de documentcode [nummer 8] kan worden opgemaakt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] aan de applicatie WhatsApp stond gekoppeld. Daarnaast kan worden opgemaakt dat [naam 1] zich op de applicatie Signal [naam 2] noemt. In het proces-verbaal van verhoor verdachte met de documentcode [nummer 9] verklaarde [naam 3] dat hij [naam 1] kende als ' [naam 2] '.
Ik zag dat [verdachte] via de applicatie WhatsApp een chat had met een gebruiker genaamd ' [naam 2] '. Ik zag dat ' [naam 2] ' met het telefoonnummer [telefoonnummer] aangemeld stond bij WhatsApp, hetzelfde nummer als [naam 1] . Hierdoor kan geconcludeerd worden dat [verdachte] en [naam 1] met elkaar contact hadden.
Chat 28 mei 2025:
Ik zag dat [verdachte] en [naam 1] ( [naam 2] ) een gesprek hadden waarin [verdachte] werd gevraagd om een weegschaal te kopen. Hierin geeft [naam 1] ( [naam 2] ) aan dat een weegschaal van 10kg eigenlijk te weinig is.
Chat 11 mei 2025.
[naam 2] : Yo kom is. Belt iemand aan. Niemand open maken. Kijken.
Chat 9 juni 2025.
[naam 2] : Yo waarom ga je onnodig na buiten terwijl aan wroko ben.
Chat 29 juli 2025:
[naam 4] : Yo je had de deur open gehouden, ik heb hem dicht en op slot gedaan.
2.3.2. Bewijsmotivering
Door de verdediging is bepleit dat de verdachte in het geheel niets afwist van wat er zich in de afgesloten kamer in zijn woning afspeelde: bij had weliswaar ook de beschikking over een sleutel waarmee hij die ruimte kon betreden, maar dat deed hij – conform de afspraak – nooit.
De rechtbank verwerpt dat verweer. Mede gelet op de in de bewijsmiddelen aangehaalde chatberichten moet ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de medeverdachte verdovende middelen verwerkte in die ruimte. Uit berichten blijkt dat hij op 28 mei een keukenweegschaal heeft aangeschaft op verzoek van de medeverdachte. Op 11 mei mocht hij de deur niet openen toen er iemand aankwam. Op 9 juni werd de verdachte gevraagd waarom hij onnodig naar buiten ging terwijl de medeverdachte aan het werk was en op 29 juli heeft de verdachte bericht dat hij – zonder dat hij daar in de berichtenwisseling om gevraagd was – dat hij de deur dicht en op slot heeft gedaan. De verdachte moet dus kort voor de doorzoeking op 31 juli 2025 door de openstaande deur van die kamer de stoffige versnijdingskamer hebben gezien. Deze berichten stroken in het geheel niet met de door de verdachte geschetste situatie dat hij uit goedheid iemand in de kamer liet slapen.
De rechtbank stelt op basis van de gedragingen van de verdachte en de overige bewijsmiddelen vast dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen en de voorbereidingshandelingen met betrekking tot het opzettelijk bewerken en verwerken van die verdovende middelen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verdachte het opzet had om die misdrijven gemakkelijk te maken door zijn woning en kelderbox daarvoor ter beschikking te stellen. Dit maakt dat de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair wettig en overtuigend zijn bewezen.
2.3.3. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
2 subsidiair:
[naam 1] op 31 juli 2025 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad3,86 kilogram van een materiaal bevattende heroïne en1,99 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 31 juli 2025 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest door (een ruimte in) die woning ter beschikking te stellen;
3 subsidiair:
[naam 1] op 31 juli 2025 te Rotterdam in een woning en/of bij die woning behorende kelderbox, gelegen aan de [adres 2] , om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk bewerken en verwerken, van heroïne en cocaïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I - een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - een (versnijdings-)pand aan de [adres 2] en/of bijhorende kelderbox ter gebruik aan te bieden als opslag van grondstoffen/chemicaliën en voorwerpen die benodigd zijn, althans kunnen worden gebruikt bij de verwerking en bewerking van heroïne en/of cocaïne enhet aanwezig hebben van: - versnijdingsmiddelen en - weegschalen en - zeven en - een drukpers met mallen en - een mixer,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 31 juli 2025 te Rotterdam opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door (een ruimte in) die woning en bij die woning behorende kelderbox ter beschikking te stellen.
2.3.4. Vrijspraak feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair
De beschuldiging is deels niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn met betrekking tot feit 1 tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
De feiten waarvan de verdachte onder 2 primair en 3 primair wordt beschuldigd zijn niet bewezen. Er is geen bewijs dat de goederen en de verdovende middelen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, van de verdachte waren.
Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte niet als gelijkwaardige partners kunnen worden aangemerkt. Het beeld is eerder dat de verdachte heeft toegestaan dat zijn woning door de medeverdachte werd gebruikt. Het beschikbaar stellen van (een deel van) zijn woning en kelderbox en het verlenen van hand - en spandiensten is onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van het bezit van de genoemde verdovende middelen en de andere goederen, waaruit de strafbare voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet kunnen worden afgeleid. Er is geen bewijs dat het aandeel van de verdachte daarin voldoende substantieel is geweest.
De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
3.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2 subsidiair
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3 subsidiair
medeplichtigheid aan, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.
3.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
4.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 2 primair en 3 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.
4.2. Standpunt van de verdediging
Aan de verdachte dient voor de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair een gevangenisstraf te worden opgelegd die maximaal een aantal maanden hoger is dan de tijd die de verdachte nu in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zou een voorwaardelijk strafdeel kunnen worden opgelegd.
4.3. Oordeel van de rechtbank
4.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en strafbare voorbereidingshandelingen die zien op harddrugs. De verdachte heeft een kamer in zijn woning en de berging bij die woning ter beschikking gesteld aan zijn medeverdachte om daar verdovende middelen te versnijden. Uit de bewezenverklaring volgt dat het feit is gepleegd met betrekking tot in ieder geval ongeveer zes kilogram harddrugs omdat slechts dat deel van de aangetroffen middelen ook bewijswaardig door het Nederlands Forensisch Instituut is onderzocht. In de woning is echter in totaal ruim dertig kilogram van stoffen aangetroffen die – gelet op de hierop uitgevoerde indicatieve tests – naar alle waarschijnlijkheid ook verdovende middelen betreffen. De rechtbank houdt daar rekening mee.
Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast zijn drugs slecht voor de volksgezondheid en is de productie en verwerking daarvan slecht voor het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.
4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Leger des Heils jeugdbescherming en reclassering van 5 november 2025 staat het volgende.
De verdachte kan niet terugkeren naar zijn woning wanneer hij uit detentie komt. De komende vijf jaar komt hij niet in aanmerking voor een sociale huurwoning in de regio Rotterdam-Rijnmond. Als de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden overgenomen, dan zal voor de verdachte gezocht worden naar een geschikte begeleide woonvorm. De verdachte kwam voor zijn voorlopige hechtenis rond van een bijstandsuitkering. Hij had geen structurele dagbesteding. Hij was bezig met een werktraject via zijn jobcoach bij de gemeente Rotterdam, omdat het hem niet lukt werk te vinden en te behouden vanwege zijn epilepsie. Dit traject komt niet in gevaar door detentie. Er zijn verschillende schulden waarvoor de verdachte een betalingsregeling zegt te hebben getroffen. Als de verdachte langer gedetineerd blijft, heeft dit mogelijk oplopende schulden tot gevolg. De verdachte vertelt dat hij voor zijn hechtenis verslaafd is geweest aan blowen. In hechtenis is hij daarvan afgekickt en wenst dat vol te houden wanneer hij vrijkomt. Het softdrugsgebruik van de verdachte lijkt gerelateerd te zijn aan een gebrek aan alternatieve copingsmechanismen.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Hoewel het door de ontkennende houding van de verdachte niet geheel duidelijk is waar een plan van aanpak zich op moet richten om recidive te voorkomen, is wel duidelijk geworden dat hij ondersteuning behoeft bij het stabiliseren van zijn leven om ook weerbaar te zijn tegen negatieve invloeden.
4.3.3. Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Gelet op al het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn:
5 Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De rechtbank wijst dat verzoek af. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het kader van de bewezenverklaring, is er sprake van ernstige bezwaren. Ook de recidivegrond is nog aanwezig. Een situatie als bedoeld in artikel 67a, lid 3 van het Wetboek van strafvordering doet zich niet voor.
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 49 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair en 3 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 subsidiair en 3 subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf/straffen en maatregel/maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 4 (vier) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, nader te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra de proeftijd begint of zoveel later als er plek is voor de verdachte. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het stabiliseren van zijn financiële situatie en het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet en alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk of onbetaald werk, zolang de reclassering dat nodig vindt;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 6 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
en mrs. D.F. Smulders en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 januari 2026.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [nummer 10].
Verklaard tijdens de zitting van 12 januari 2026.
pagina's 125-128.
pagina's 3-5.
Pagina's 121-122.
Pagina's 10-120.
Kennisgeving van inbeslagneming [proces-verbaalnummer 4]
Kennisgeving van inbeslagneming [proces-verbaalnummer 5]
Kennisgeving van inbeslagneming [proces-verbaalnummer 5]
Pagina's 178-208.
Relaas van het eindproces-verbaal.
Relaas van het eindproces-verbaal.
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 210 van het eindproces-verbaal, nummer [nummer 11] (aanvraag 002).
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 van het eindproces-verbaal, nummer [nummer 11] (aanvraag 001).
Pagina's 214-246. - - - ## Voetnoten