Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:896 - Rechtbank Rotterdam - 26 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:896•26 januari 2026
Uitspraak inhoud
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-310598-23
Datum uitspraak: 26 januari 2026
Datum zitting: 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats 1]
ingeschreven op het adres: [adres] ([naam PI]),
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. G.S.J. van Gestel.
Officier van justitie: mr. S.E. Poutsma.
Benadeelde partij: [benadeelde partij].
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.S.L. Leeflang.
Kern van het vonnis
De verdachte heeft op 15 november 2023 een telefoon uit de handen van de aangever gerukt. Op de zitting stond niet ter discussie dat de verdachte dat heeft gedaan, omdat hij dat heeft bekend. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen van dat feit en de daarop volgende bedreiging met een vuurwapen door een medeverdachte.
Ook wordt de verdachte veroordeeld voor vuurwapenbezit samen met een medeverdachte op 23 november 2023.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een vuurwapen voorhanden heeft gehad op 23 november 2023 (feit 1). Op 15 november 2023 zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan een diefstal met geweld (feit 2) en bedreiging (feit 3). Alle feiten zouden in vereniging zijn gepleegd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
= Zaaksdossier Eucalyptus =hij, op of omstreeks 23 november 2023 te Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Umarex, model Glock 17 gen 5, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad;(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
= Zaaksdossier Tenrek =hij, op of omstreeks 15 november 2023 te Rotterdam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping opheterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door de telefoon van die [slachtoffer] uit de hand te rukken en/of die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of dit vuurwapen op die [slachtoffer] te richten;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
2 Bewijs / Vrijspraak
2.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2. Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het wegnemen van de telefoon door middel van het wegrukken hiervan, voor het overige is vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3. Oordeel van de rechtbank
2.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 23 november 2023 een vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat hij op 15 november 2023 met geweld een mobiele telefoon heeft gestolen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 voor zover het betrekking heeft op het wegnemen van de telefoon (door middel van het wegrukken hiervan) bekend en er is op dit punt geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven[1] .
- Verklaring van de verdachte.
[2]
- Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer].
[3]
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[4] en de onderstaande bewijsmotivering.
- Proces-verbaal van de politie
[5] Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]Wij zagen dat een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] in Rotterdam de Van Oestendestraat op reed op 23 november 2023.
Ik heb het voertuig doorzocht. In het vakje onder de passagiersstoel zag ik een vuurwapen liggen.De bestuurder was: [verdachte],De bijrijder was: [medeverdachte]Het vuurwapen is veiliggesteld door de hondengeleider.
- Proces-verbaal van de politie
[6] Op 23 november 2023 heb ik een (vuur)wapen veilig gesteld. Hij deelde mij mee dat dit (vuur)wapen die dag omstreeks 5:05 uur in beslag genomen was, op de locatie Van Oestendestraat te Rotterdam.
- Proces-verbaal van de politie
[7]
Op 23 november 2023 te 5:05 uur zijn goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:Goednummer: [proces-verbaalnummer]Het in beslag genomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Het in beslag genomen voorwerp betreft een omgebouwd gaspistool naar een kogel verschietend pistool in het kaliber 7.65mm, merk Umarex, model Glock 17 gen 5.Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie.
- Proces-verbaal van de politie
[8] Goednummer: [proces-verbaalnummer]Verzocht werd het pistool te bemonsteren op de mogelijke aanwezigheid van gebruikerssporen.Veiliggestelde sporen:[nummer 1]
- Deskundigenverslag
[9] [nummer 1], binnenzijde loop tot ongeveer halverwege
DNA kan afkomstig zijn van: [verdachte].
- Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte
[10]
De auto met kenteken [kenteken] is van mijn vriendin.
Ik had toestemming om de auto mee te nemen.
- Proces-verbaal van de politie, verklaring van de [getuige]
[11]
Ik heb mijn auto met kenteken [kenteken] op woensdagmiddag uitgeleend aan [verdachte].
2.3.2. Partiele vrijspraak feit 2
De verdachte heeft verklaard dat hij twee medeverdachten naar de omgeving van de woning heeft gebracht waar de aangever verbleef. De medeverdachten zijn in het portiek van de woning met de aangever in gesprek gegaan. Op enig moment is de verdachte door de medeverdachten gebeld omdat zij wisten dat hij Surinaams spreekt en zodoende voor hen zou kunnen vertalen.
Kort na aankomst bij het portiek heeft de verdachte in de oplopende spanning en – naar zijn zeggen – vrees dat de aangever vrienden belde die met wapens zouden komen, aanleiding gezien om de telefoon uit de handen van de aangever te rukken en mee te nemen. Dat heeft de verdachte ook bekend.
Ten laste is gelegd dat de verdachte dat feit in vereniging met één of meer anderen heeft gepleegd en dat aangever hierbij bedreigd is met geweld doordat een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan aangever is getoond of op hem is gericht. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen en van de bedreiging met geweld. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de twee medeverdachten wisten of konden weten dat de verdachte de telefoon van de aangever zou wegnemen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de situatie ten tijde van het tenlastegelegde lijkt immers niet te volgen dat het wegnemen van de telefoon een op voorhand bedacht doel is geweest. Evenmin kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte wist of kon weten dat één van zijn medeverdachten een vuurwapen droeg.
2.3.3. Bewijsmotivering
Zoals uit de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt zaten de verdachte en zijn [medeverdachte] op 23 november 2023 samen in Rotterdam in de door de verdachte bestuurde auto waarin het vuurwapen in het bergvak onder de stoel van [medeverdachte] werd aangetroffen.
De verdediging heeft een alternatief scenario gepresenteerd dat inhoudt dat de verdachte niet dit omgebouwde vuurwapen voorhanden heeft gehad, maar dat hij ooit de loop die is gebruikt bij de ombouw van dit gaspistool naar een scherp schietend vuurwapen heeft aangeraakt. Dat vuurwapen is daarna door toedoen van een ander, zonder dat de verdachte dat wist, in de door de verdachte geleende auto terechtgekomen. Voorts is door de verdediging gewezen op de lage bewijskracht van de match met het DNA van de verdachte omdat doorgaans een bewijskracht van meer dan 1 miljard wordt gerapporteerd en het in dit geval een mengprofiel betreft met een bewijskracht van ongeveer 3 miljoen ten aanzien van de verdachte.
De rechtbank stelt op basis van het onderzoek vast dat DNA, zeer sterk gelijkend op het DNA van de verdachte op het wapen (specifieker: in de loop van het vuurwapen) is aangetroffen. De bewijskracht van de match is weliswaar lager dan de bovengrens die bij de berekening wordt gebruikt, maar is allerminst te laag om hier geen conclusies op te kunnen baseren. Daar komt bij dat de resultaten van het DNA onderzoek niet los kunnen worden gezien van de omstandigheden die verder uit het dossier blijken. De auto is door de verdachte geleend van zijn vriendin en het vuurwapen werd aangetroffen in de auto toen de verdachte en [medeverdachte] zich in die auto bevonden. Op het wapen is DNA van meerdere personen aangetroffen, waaronder DNA, zeer sterk gelijkend op dat van de verdachte en van [medeverdachte]. Het geschetste alternatieve scenario wordt als onaannemelijk terzijde geschoven.
Gelet op die omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 23 november 2023 te Rotterdam samen met [medeverdachte] feitelijk over het wapen kon beschikken omdat het in de door hem bestuurde auto lag. Die auto was een dag daarvoor door de verdachte geleend van zijn vriendin. Het vuurwapen moet daarna door de verdachte of door [medeverdachte] in de auto zijn gelegd zodat ook moet worden aangenomen dat de verdachte wist dat het vuurwapen zich in de auto bevond. Daarmee is bewezen dat de verdachte het vuurwapen samen met een ander voorhanden heeft gehad.
2.3.4. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij, op 23 november 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk Umarex, model Glock 17 gen 5, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
2
hij, op 15 november 2023 te Rotterdam, een telefoon, die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door de telefoon van die [slachtoffer] uit de hand te rukken.
2.3.5. Vrijspraak feit 3
Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat – zoals hiervoor reeds is overwogen met betrekking tot de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging – niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat één van zijn medeverdachten een vuurwapen droeg en zou gaan gebruiken. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
3.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
Feit 2
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
3.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
4.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van
8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij dienen bijzondere voorwaarden te worden opgelegd conform het advies van de reclassering.
4.2. Standpunt van de verdediging
Als tot een bewezenverklaring wordt gekomen, dan is de eis passend.
4.3. Oordeel van de rechtbank
4.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Hij heeft samen met een ander op de openbare weg een vuurwapen voorhanden gehad. Het wapen is onder de stoel van de bijrijder aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt maar al te vaak ook tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Hij heeft een telefoon uit de handen van de aangever gerukt in het portiek van de woning waar de aangever verbleef. De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte niet naar de woning van de aangever is gegaan om diens telefoon te stelen. Desalniettemin blijft diefstal een ergerlijk feit waarbij naast schade ook veel hinder en overlast kunnen worden veroorzaakt.
4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 16 april 2025 staat – voor zover hier relevant – het volgende.
Als de verdachte schuldig wordt bevonden dan acht de reclassering het zorgelijk dat de verdachte op jonge leeftijd voor zowel openlijke als heimelijke delicten in beeld komt bij justitie en dat in alle gevallen zijn sociale netwerk een (negatieve) invloed heeft gehad.
Op het gebied van praktische zaken had de verdachte zijn leven (voor zijn detentie) niet goed op orde. de reclassering ziet het als beschermend dat zijn vriendin eerdere delictplegingen afkeurt. De reclassering ziet voldoende redenen om middels een reclasseringstraject te proberen om de verdachte op het juiste pad te krijgen en te behouden (indien schuldig). Om de kans op recidive te doen verkleinen moet er gewerkt worden aan het op orde krijgen en houden van praktische zaken (werk en inkomen) en moet op het gebied van gedragsverandering aandacht worden besteed aan denkpatronen, het maken van keuzes/oplossingen en de mate waarin de verdachte wordt beïnvloed door zijn netwerk. De verdachte heeft geen specifieke hulpvragen, maar wil wel meewerken aan een reclasseringstraject,
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte zegt concrete plannen te hebben gemaakt om delicten in de toekomst te voorkomen en te bouwen aan een toekomst met zijn gezin. Hij heeft zich opgegeven voor een opleiding in de zorg en heeft zicht op werk na zijn detentie. Ook heeft hij het contact verbroken met mensen uit zijn sociale netwerk die een negatieve invloed op hem hadden, waaronder zijn broer.
4.3.3. Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, moet worden gerekend vanaf 23 november 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en twee maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank houdt hiermee in strafverminderende zin rekening.
4.3.4. Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Uitgangspunt bij het voorhanden hebben van een vuurwapen op de openbare weg is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. De rechtbank houdt verder rekening met de pleegdatum van het feit, de overschrijding van de redelijke termijn en met de jonge leeftijd van de verdachte en zijn bereidwilligheid om medewerking te verlenen aan begeleiding door de reclassering.
Alles afwegend zal een gevangenisstraf van 8 maanden worden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 4 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.De bijzondere voorwaarden zijn:
Bij de ambulante behandeling staat vermeld dat daar gelet op de problematiek ook het innemen van medicijnen onder kan vallen. Nu dat niet onderbouwd is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de verdachte daartoe te verplichten. Voorts heeft de reclassering geadviseerd om ook een contactverbod met de medeverdachten op te leggen. De rechtbank ziet daarin geen meerwaarde, nog daargelaten dat van de medeverdachten in feit 2 niet bekend is wie dit zijn.
5 Vordering van de benadeelde partij
5.1. Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 3.853,10 als vergoeding voor materiële schade en € 2.500, - als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vergoeding voor materiële schade bestaat uit de volgende posten - € 853,10 voor een ernstig beschadigde Apple iPhone 12 pro max; - € 3.000, - borg voor de huur van een nieuwe woning.
5.2. Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering kan voor het overige worden afgewezen of de benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in het resterende deel van de vordering. Uit het dossier kan worden afgeleid dat de mobiele telefoon is teruggegeven aan de benadeelde partij. De kosten voor een verhuizing komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de verdachte maar tijdelijk op het genoemde adres verbleef. Daar komt bij dat een borgsom in principe wordt terugbetaald na het beëindigen van de huurovereenkomst. Het bedrag voor de immateriële schade moet worden gematigd.
5.3. Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering. Er is niet onderbouwd dat de telefoon is aangeschaft voor het gevorderde bedrag, de telefoon is teruggegeven aan de benadeelde partij en van beschadiging van de telefoon is niet gebleken. Met betrekking tot de post die ziet op de borgsom geldt dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij op een ander adres in Enschede woonde. Daarnaast gaat het om een borgsom, een bedrag dat doorgaans wordt teruggegeven. Voorts is de overeenkomst van de lening niet ondertekend door de schuldeiser. Met betrekking tot de immateriële schade geldt dat de benadeelde partij zich in het criminele milieu heeft begeven – verdachte heeft verklaard dat de benadeelde partij drugs verkocht – en om die reden een deel eigen schuld heeft.
5.4. Oordeel van de rechtbank
5.4.1. Materiële schade
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de mobiele telefoon heeft de verdediging betwist. Uit het dossier volgt niet dat de telefoon is beschadigd of verloren is gegaan. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt dus om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert hiermee een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De vordering wordt met betrekking tot de andere schadepost afgewezen omdat een borgbetaling niet als schade kan worden aangemerkt. Dit geldbedrag wordt immers geretourneerd als de aangever de woning weer zal verlaten.
5.4.2. Immateriële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering met betrekking tot de gevorderde immateriële schade. De verdachte wordt vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde bedreiging en veroordeeld voor de onder 2 ten laste gelegde diefstal met geweld. Echter, zoals hiervoor in paragraaf 2.3.2. is toegelicht, wordt de verdachte partieel vrijgesproken van de bedreiging met het vuurwapen in het kader van de diefstal. Wat overblijft is dat de verdachte met geweld, bestaande uit een ruk, de telefoon uit de handen van de benadeelde partij heeft gegrist.
In de vordering is artikel 6:106, aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek aangewezen als de grondslag van de immateriële schade; de verdachte zou op andere wijze in de persoon zijn aangetast. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zouden voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen.
De verdediging heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade betwist. Mede door de partiele vrijspraak – en daarmee het wegvallen van de bedreiging met het vuurwapen – vraagt de beoordeling van dit deel van de vordering om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
5.4.3. Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0, - .
6 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de verdachte de PI heeft verlaten. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op denkpatronen en het maken van keuzes/oplossingen. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: - [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ([geboorteland]);
- de verdachte zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door een forensische begeleidingsorganisatie of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De begeleiding start zodra de verdachte de PI heeft verlaten. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
- de verdachte de reclassering (tijdens de meldplichtgesprekken) openheid geeft over zijn (sociale) netwerk en dit bespreekbaar maakt met de reclassering;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 5 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de delen van de vordering die zien op schade ten bedrage van € 3.353,10, - (vorderingen kosten telefoon en immateriële schade);
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde (vordering borg);
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
8 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. E. Boersma en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 januari 2026.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier zaak Tenrek met nummer [nummer 2].
Verklaard tijdens de zitting van 12 januari 2026.
Pagina's 1-5 van de bijlagen.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier Eucalyptus met nummer [nummer 3].
Pagina's 1-3.
Pagina 4.
Pagina's 9-13.
Pagina's 57-60.
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina's 36-42, nummer [nummer 4].
Pagina's 9-13.
Pagina's 33-35. - - - ## Voetnoten