Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:880 - Rechtbank Rotterdam - 28 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:880•28 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4759
en
(gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz).
Procesverloop
2.1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het eenmalige bedrag op grond van het Tijdelijk besluit. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep onder zaaknummer 24/11626. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote en namens de minister mr. P.C. van der Voorn en mr. K. Verbeek.
2.5. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend.
2.6. Namens de minister is een nader stuk ingediend.
2.7. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de rechtbank het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en wettelijk kader
- Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt voor ieder niet verzekerd jaar een korting van 2% toegepast. Hierdoor heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen, aangezien zij toen geen ingezetenen waren.
[1] . Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. Op grond van artikel 2 van het Tijdelijk besluit "wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidings-overeenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiek bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.". Als aan de voorwaarden van artikel 3 wordt voldaan, heeft de belanghebbende op grond van artikel 4 van het Tijdelijk besluit recht op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.
- In artikel 3 van de het Tijdelijk besluit is bepaald dat een persoon recht heeft op een eenmalig bedrag, indien deze:
a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit
- De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en vragen gesteld over de bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit. Op grond van artikel 11 van het Tijdelijk besluit kan de minister de voorzitter van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (SVB) mandaat verlenen betreffende de in dit besluit toegekende bevoegdheden. Dat is uitgewerkt in de Mandaat - volmacht - en machtigingsregeling Uitvoering Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.
[2] In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van die regeling is, kort gezegd, bepaald dat de voorzitter van de Raad van bestuur in mandaat mag beslissen over bezwaarschriften voor zover het primaire besluit niet door hem in mandaat is genomen. De minister heeft (samengevat) geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met die bepaling omdat het bestreden besluit (namens de voorzitter, dus in ondermandaat) in overeenstemming met het Organisatie-, volmacht - en mandaatbesluit Raad van bestuur Sociale verzekeringsbank 2023 is genomen door een andere medewerker met een andere rol en andere bevoegdheden dan de medewerker die (namens de voorzitter) op de aanvraag heeft beslist. De rechtbank acht dit in overeenstemming met artikel 10:3 van de Awb en ziet voldoende onderbouwing voor de juridische juistheid van deze mandaatconstructie in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2005[3] en van 24 september 2009[4] , zodat dit standpunt wordt gevolgd.
Het gelijkheidsbeginsel
6.1. Eiser voert aan dat artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij wijst daartoe op de groep Nederlanders van Surinaamse herkomst die zich op een later tijdstip, maar voor 1980, in Nederland heeft gevestigd op basis van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen (vestigingsovereenkomst).[5] Deze personen, waaronder hij zichzelf uit noodzaak schaart, hebben dat ook gedaan met het oog op het behouden van rechten en plichten en zij ervaren hetzelfde leed en onrecht. Daarnaast heeft eiser gewezen op de groep die (ver) voor 1975 naar Nederland is gekomen. De betrokken personen hebben het eenmalig bedrag wel ontvangen omdat zij hetzelfde leed en onrecht ervaren, terwijl hun komst naar Nederland niets te maken had met de Toescheidingsovereenkomst, aldus eiser.
6.2. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is allereerst vereist dat sprake is van gelijke, althans in voldoende mate vergelijkbare, gevallen. Dat is hier niet zo. De data waarop mensen in Nederland zijn komen wonen verschillen en de regelgever heeft daar bewust en gemotiveerd gevolgen aan willen verbinden. Uit de Nota van toelichting[6] bij het Tijdelijk besluit blijkt dat ervoor is gekozen om het eenmalige bedrag toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. Daarbij is betrokken dat er Surinaamse ouderen na de onafhankelijkheid naar Nederland zijn gekomen. Zij vallen niet onder de doelgroep van het gebaar. Hiervoor is blijkens de Nota van toelichting gekozen omdat deze groep, anders dan de groep die recht heeft op het eenmalige bedrag, niet direct heeft gehandeld toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd. Gelet op het voorgaande heeft de regelgever hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de ene groep wel en de andere niet voor het eenmalig bedrag in aanmerking komt. Er doet zich niet de situatie voor dat een groep in vergelijkbare omstandigheden niet in enige afweging is betrokken of dat de afwegingen van de regelgever bij (de totstandkoming van) het Tijdelijk besluit willekeurig zijn. De verwijzing van eiser naar de vestigingsovereenkomst kan niet tot een andere beoordeling leiden, nu deze overeenkomst een ander onderwerp regelde en met een ander doel. Dat Nederlanders van Surinaamse herkomst die al ver voor 1975 naar Nederland zijn gekomen wel aanspraak kunnen maken op het eenmalige bedrag leidt evenmin tot een ander oordeel. Ook voor die personen geldt de voorwaarde dat zij op 25 november 1975 in Nederland woonden en daardoor kunnen ook zij worden geacht op dat tijdstip bewust te hebben gekozen voor het behoud van de Nederlandse nationaliteit.
Het evenredigheidsbeginsel
7.1. Volgens eiser is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het bestreden besluit door toepassing van de eis van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit gelet op de bijzondere omstandigheden in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Eiser heeft gewezen op het plotselinge overlijden, na een verkeersongeval, van zijn moeder op 17 november 1975 en van zijn zus op 23 november 1975. Door deze omstandigheden stelt eiser mentaal en financieel gezien niet in staat te zijn geweest om eerder dan in 1979 met haar gezin terug te keren naar Nederland.
7.2. In hetgeen eiser aanvoert - hoe tragisch de familieomstandigheden ook waren - liggen naar het oordeel van de rechtbank toch geen zodanig bijzondere omstandigheden besloten dat de minister bij afweging van de belangen in zijn geval artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit buiten toepassing had moeten laten.
De afbakening van de groep ouderen van Surinaamse herkomst die in aanmerking komt voor het eenmalige bedrag, en daarmee de daarbij gehanteerde datumgrens, is gebaseerd op politiek-bestuurlijke afwegingen. De rechtbank is van oordeel dat de gekozen datumgrens de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Die in het Tijdelijk besluit gemaakte keuze is inzichtelijk en voldoende gemotiveerd.
De door eiser genoemde omstandigheden komen erop neer dat volgens hem sprake was van een situatie van overmacht. Uit wat eiser aanvoert over de reden van zijn vertrek naar Suriname in augustus 1975 –herstel van zijn echtgenote na een zware bevalling en de grootouders voor het eerst kennis te laten maken met hun kleinkind – en de situatie waarin hij daarna in Suriname terecht was gekomen, volgt echter niet dat eiser zonder de genoemde familieomstandigheden op 25 november 1975 weer in Nederland zou hebben gewoond, terwijl daaruit overigens evenmin volgt dat de overmacht vier jaar heeft voortgeduurd. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat het Tijdelijk besluit voorziet in een recht op een eenmalig bedrag en dus een begunstigende regeling betreft. Met het bestreden besluit wordt dit eenmalige bedrag weliswaar aan eiser onthouden, maar aan hem wordt geen financiële last opgelegd. Door het onthouden van het eenmalige bedrag worden voorts geen fundamentele rechten van eiser aangetast.
Om deze redenen kan niet tot de beoordeling worden gekomen dat het bestreden besluit eiser onevenredig treft.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten*.*
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. dr. P.G.J. van den Berg en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
De voorzitter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1965.
Stcrt. 2024, nr. 21159.
ECLI:NL:RVS:2005:AU2635, rechtsoverweging 2.4.2.
ECLI:NL:RVS:2009:BI4002, rechtsoverwegingen 2.2. en 2.2.1.
Tractatenblad 1975,133.
Staatsblad 2023, 386, pagina 8. - - - ## Voetnoten