Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:876 - Rechtbank Rotterdam - 2 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:876•2 februari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/920
(gemachtigden: mr. J.M. Huber en mr. R. Yahya),
en
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van het college om de voorlopige voorziening, die is getroffen met de uitspraak van 22 december 2025 en is gewijzigd met de uitspraak van 26 januari 2026, op te heffen.
Procesverloop
- Met de uitspraak van 22 december 2025
[2] heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het college binnen 72 uur na de uitspraak en tot zes weken na de beslissing op bezwaar opvang moet bieden aan de twee Oekraïners. Het college heeft geen uitvoering gegeven aan de voorlopige voorziening.
2.1. Met de uitspraak van 26 januari 2026[3] heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de twee Oekraïners een dwangsom verbonden aan de voorlopige voorziening van 22 december 2025. Het college verbeurt de dwangsom als de opvang niet binnen 24 uur na de uitspraak van 26 januari 2026 alsnog wordt geboden.
2.2. Op 26 januari 2026 heeft het college de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening op te heffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Het college stelt in het verzoek dat het college zich niet kan verenigen met de getroffen voorlopige voorziening omdat deze gezien de aard en strekking haar voorlopige karakter heeft verloren en daarmee onuitvoerbaar is geworden.
3.1. In het kader van de behandeling van de eerdere verzoeken om een (wijziging van de) voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van het standpunt van het college dat het bieden van opvang – zowel op de gemeentelijke opvanglocatie [naam opvanglocatie] als op alternatieve wijze – praktisch onuitvoerbaar is. Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft geoordeeld, is echter niet gebleken dat het onmogelijk is om (tijdelijk) alternatieve opvang te bieden. De wettelijke regeling laat het college vrij bij het kiezen van de vorm van die alternatieve opvang. Het college kan bijvoorbeeld hotelovernachtingen boeken, maar ook een bedrag ter beschikking stellen waarmee – in dit geval – de twee Oekraïners zelf opvang kunnen regelen. Het college heeft ter zitting op 22 januari 2026 aangegeven zelf zeven alternatieve manieren van opvang te onderzoeken. Dat daarover nog geen (politiek) besluit is genomen, maakt niet dat het college de opvangverplichting niet kan nakomen.
3.2. Gelet op deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 26 januari 2026 overwogen niet ambtshalve over te gaan tot opheffing. Het verzoek van het college in deze procedure geeft geen aanleiding dat oordeel te wijzigen. Daarbij speelt mee dat het college, bij de behandeling van het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening, ter zitting van 22 januari 2026 heeft aangegeven dat bij een eventuele dwangsom zou worden bepaald of de voorlopige voorziening alsnog wordt uitgevoerd of dat de dwangsom zou worden betaald. Hieruit heeft de voorzieningenrechter niet afgeleid dat het praktisch onmogelijk is om aan de opvangverplichting te voldoen, al was het maar omdat die verplichting ook kan worden ingevuld door het verstrekken van financiële middelen aan de twee Oekraïners waarmee zij hun eigen opvang kunnen regelen. Omdat het verstrekken van die financiële middelen wordt vergoed door de rijksoverheid en voor het college geen financiële consequenties heeft, bestaat er geen twijfel dat aan de voorlopige voorziening kan worden voldaan.
3.3. Het verzoek om opheffing is kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
- Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat het college aan de voorlopige voorziening van 22 december 2025, zoals gewijzigd met de uitspraak van 26 januari 2026, kan voldoen, is het verzoek van het college om die voorziening op te heffen kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Dit kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 22 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:15050).
Uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 26 januari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:626). - - - ## Voetnoten