Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:80 - Rechtbank Rotterdam - 9 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:809 januari 2026

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1845
en
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Gemeente Rotterdam, te Rotterdam, (ex-)werkgever van eiser,
(gemachtigde: mr. I. Plaisier).
  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 15 januari 2024 (datum in geding). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 12 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV deze aanvraag afgewezen.
2.1. Met het besluit van 18 februari 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De ex-werkgever van eiser heeft aangegeven als derde-belanghebbende deel te willen nemen aan de beroepsprocedure. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven dat de ex-werkgever kennisneemt van de gedingstukken die medische gegevens bevatten.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [persoon A] , en de gemachtigde van het UWV. Namens de derde-belanghebbende is met bericht van verhindering niemand op de zitting verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

  1. Eiser, laatstelijk werkzaam als hovenier, heeft zich op 18 januari 2021 ziek gemeld voor dit werk vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Hij heeft een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Na een verlengde wachttijd wegens oplegging van een loonsanctie aan eisers (ex-)werkgever, heeft het UWV deze aanvraag beoordeeld.
3.1. In het kader van de beoordeling van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 15 januari 2024 op het spreekuur gezien en heeft op
23 januari 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf
14 januari 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van alle rubrieken.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 8 maart 2024, met inachtneming van de beperkingen van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor het verrichten van zijn eigen werk, maar wel geschikt is voor de functies Productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functie Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Het loon dat met de middelste van de eerste drie functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 21,13% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.
3.2. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 6 februari 2025 geconcludeerd dat de ingebrachte bezwaren van eiser aanleiding geven de FML op enkele punten aan te passen. Zo is eiser aan beide handen minder belastbaar en dient de knijp - en grijpkracht en het tillen en dragen (verdergaand) te worden beperkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperkingen opgenomen in de aangepaste FML van 6 februari 2025, geldig vanaf
14 januari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 17 februari 2025 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding heeft gezien om aanvullende beperkingen in de FML op te nemen. Hierdoor zijn enkele functies die de primaire arbeidsdeskundige eerder heeft geduid niet meer passend bij de belastbaarheid van eiser. Enkel de functie Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) is nog passend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarom twee nieuwe functies geduid, namelijk: Textielproductenmaker (SBC-code 111160) en Wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053). Het loon dat met de middelste van de nieuwe mediaanfunctie verdiend kan worden, ligt 20,73% lager dan het maatmaninkomen per uur. Eiser is daarmee ook na de heroverweging in bezwaar niet meer dan 35% arbeidsongeschikt. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

  1. In beroep voert eiser tegen de afwijzing van zijn WIA-aanvraag aan dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij de geselecteerde functies niet kan uitvoeren. Hij acht zich volledig arbeidsongeschikt en wijst op zijn lichamelijke beperkingen en medicatiegebruik.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De toepasselijk wet - en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
  1. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser terecht met ingang van 15 januari 2024 (de datum in geding) heeft vastgesteld op 20,73%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
  1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het psychisch en lichamelijk onderzoek door de primaire verzekeringsarts, de informatie zoals naar voren gebracht in het bezwaarschrift en op de hoorzitting, de waarnemingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens de hoorzitting en de informatie verkregen van de behandelaars van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek daarmee op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
  1. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser op de datum in geding. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren gezondheidsklachten, merkt de rechtbank op dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen.
8.1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 6 februari 2025 gemotiveerd toegelicht dat bij eiser op de datum in geding niet gesproken kan worden van een situatie van 'geen benutbare mogelijkheden', omdat geen van de uitzonderingscategorieën zoals genoemd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aan de orde is. De criteria voor het aannemen van 'geen benutbare mogelijkheden' zoals genoemd in het Schattingsbesluit zijn: bedlegerigheid, ADL[1]-afhankelijkheid, opname in een ziekenhuis of erkende zorginstelling, een terminale situatie, onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening, wisselende mogelijkheden waarbij dan periodiek langere tijd sprake is van een situatie waarin belanghebbende niet of nauwelijks zelfredzaam is of verlies aan mogelijkheden waardoor hij binnen drie maanden de zelfredzaamheid zal verliezen.[2] Deze situaties doen zich niet voor bij eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat er in de FML een breed scala aan lichamelijke beperkingen voor eiser is opgenomen en dat verdergaande beperkingen niet aan de orde zijn. Uit de rapportage van 6 februari 2025 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de vaststelling van eisers beperkingen rekening heeft gehouden met zijn klachten en beperkingen als gevolg van COPD, een hartinfarct, een aandoening aan de hersenen, artrose, CTS en de ziekte van Crohn. In de FML is ook rekening gehouden met het medicatiegebruik van eiser, waaronder het gebruik van het medicijn diazepam (valium) en het medicatiegebruik voor de ziekte van Crohn. Zoals blijkt uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts van 23 januari 2024 is eiser vanwege zijn medicatiegebruik in de FML beperkt geacht voor beroepsmatig autorijden en dient hij om preventieve redenen niet op grote hoogtes te werken. Ook dient bij de werkzaamheden een toilet in de nabijheid aanwezig te zijn en dient eiser de mogelijkheid te hebben het werk te onderbreken. Dat eiser, zoals hij ter zitting heeft gesteld, overdag veel slaapt, maakt niet dat in de FML nadere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De primaire verzekeringsarts heeft in het rapport van 23 januari 2024 gemotiveerd toegelicht dat de door eiser ervaren moeheid met verhoogde recuperatiebehoefte overdag niet goed te verklaren is met de beschikbare medische gegevens.
8.2. Uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank in de FML van 6 februari 2025 voldoende rekening heeft gehouden met de medisch objectiveerbare beperkingen van eiser. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
  1. De stelling van eiser dat hij de geselecteerde functies gezien zijn klachten en beperkingen niet kan verrichten, is in feite gericht tegen de vastgestelde FML. Nu de rechtbank ervan uitgaat dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en de FML correct is vastgesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor eiser niet geschikt zijn. De geduide functies overschrijden niet de belastbaarheid van eiser, zoals vastgesteld in de FML. Dat eiser ter zitting heeft gesteld dat hij voor zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet van werk is vrijgesteld en dat hem vanuit de bijstand is gezegd dat hij nooit meer aan het werk komt, leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten dat eiser deze standpunten niet nader heeft onderbouwd, is de beoordeling in het kader van de Wet WIA een andere beoordeling dan de beoordeling in het kader van de Werkloosheidwet of de Participatiewet.
  1. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 20,73%. Het UWV heeft eisers mate van arbeidsongeschiktheid dus terecht bepaald op minder dan 35%.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de aanvraag om een WIA-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
ADL = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
Dit volgt uit artikel 2, tweede en vijfde lid, van het Schattingsbesluit. - - - ## Voetnoten
ADL = Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
Dit volgt uit artikel 2, tweede en vijfde lid, van het Schattingsbesluit.