Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8 - Rechtbank Rotterdam - 5 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:85 januari 2026

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10411
(gemachtigde: mr. E.G.S. Roethof),
en
(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).
  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning waar verzoeker staat ingeschreven. Verzoeker is het niet eens met de sluiting. Hij heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Procesverloop

  1. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 heeft de burgemeester de woning aan de [adres] gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig – maar niet gevoegd – met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer ROT 25/10227 (van verzoekster [naam 3], partner van verzoeker en verzoekster in deze zaak). Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker,
mr. Y.K. Bank (waarnemer voor de gemachtigde van verzoeker) en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. In een bestuurlijke rapportage van 12 november 2025 komt het volgende naar voren. Vanwege het aantreffen van een XTC productielocatie in Rotterdam is een strafrechtelijk onderzoek gestart. Volgens de politie is de partner van verzoeker, [naam 3], bij deze locatie veelvuldig aanwezig geweest. In het kader van dit onderzoek is onder meer haar woning, aan de [adres], doorzocht.
In totaal is daar in die woning in een tas 12.283,5 gram MDMA, 919,1 gram amfetamine, 89,8 gram 2C-B, 36 gram bk-DMBDP en 6,7 gram cellulose aangetroffen.
Waar gaat het in deze zaak om?
  1. De burgemeester heeft op grond van deze bestuurlijke rapportage het bestreden besluit genomen en besloten de woning te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorzieningen bereiken dat de woning open blijft, totdat is beslist op zijn bezwaarschrift.
Spoedeisend belang
  1. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar - of beroepschrift.
De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
  1. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij het huishouden draaiende moet houden, omdat zijn partner nu in detentie zit. De woning van zijn partner betreft een eigen koopwoning. Verzoeker heeft op zitting verklaard door zijn partner gemachtigd te zijn om onder meer de hypotheek en andere vaste lasten van de woning te betalen en de overige zaken te regelen. Verzoeker verblijft regelmatig met zijn zoon in de woning.
Verzoeker verblijft al langere tijd (naar eigen zeggen sinds oktober 2024) in de woning en staat sinds 5 december 2025 ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) op het adres van de woning aan de [adres]. Verzoeker heeft verklaard dat zijn minderjarige zoon staat ingeschreven bij zijn ex-partner (de moeder), maar regelmatig bij hem in de woning verblijft vanwege een co-ouderschapsregeling. In verband met ziekte van zijn ex-partner verblijft zijn minderjarige zoon op dit moment zelfs meer dan 50% bij verzoeker.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, hebben verzoeker en zijn minderjarig kind gedurende de sluitingsperiode van twaalf maanden geen toegang tot de woning.
Is de burgemeester bevoegd?
  1. Verzoeker voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om de woning te sluiten.
Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning harddrugs of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt of als de drugs met dat doel aanwezig zijn. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in de Hoeksche Waard tegen te gaan. Dit beleid staat in het zogenoemde Damoclesbeleid.[1] In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.
Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van twaalf maanden.
  1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de bevoegdheid voor de burgmeester om de woning te sluiten aanwezig was. De burgemeester is bevoegd om de woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen.
Bij harddrugs is er in beginsel sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram (een gebruikershoeveelheid) wordt aangetroffen.
In de woning is onder meer MDMA, amfetamine en 2C-B aangetroffen. Al deze drugs staan op lijst I van de Opiumwet. In totaal is ruim 13 kilogram aangetroffen van deze stoffen, dus een zeer ruime overschrijding van de gebruikershoeveelheid, zodat de burgemeester heeft mogen aannemen dat in de woning sprake was van het aantreffen van een handels-hoeveelheid drugs. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de bevoegdheid voor de burgmeester om de woning te sluiten aanwezig was.
Mocht de burgemeester van haar bevoegdheid gebruik maken?
  1. De burgemeester is niet verplicht om de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Zij dient een belangenafweging te maken bij de beslissing of en op welke wijze zij van die bevoegdheid gebruik maakt. Daartoe is het Damoclesbeleid vastgesteld. Dat de sluiting van de woning voor twaalf maanden past binnen dit beleid, betekent echter nog niet dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting over te gaan. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon - en leefklimaat in de omgeving van de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is.
Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting. Dit is vaste rechtspraak.[2]
Is de sluiting geschikt?
  1. Verzoeker heeft aangevoerd dat het tijdsverloop tussen het aantreffen van de drugs in de woning, op 8 oktober 2025, en het besluit op de woning te sluiten vanaf 16 december 2025, maakt dat de sluiting van de woning niet geschikt is.
  1. Sluiting van een woning is op zichzelf een geschikt middel voor het tegengaan van drugshandel en het (verder) voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning, het wegnemen van de risico's voor omwonenden en het afgeven van een signaal aan drugscriminelen en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het tijdsverloop niet dermate lang dat deze door de burgemeester beoogde doelen niet meer kunnen worden bereikt. De gemachtigde van de burgemeester heeft daarnaast ter zitting voldoende onderbouwd dat een sluiting een geschikt middel is, gelet op de ernst van de overtreding en de aangetroffen hoeveelheid harddrugs.
Is de sluiting noodzakelijk?
  1. Als de sluiting geschikt is, dient de burgemeester de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
  1. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon - en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel vanuit het pand.[3]
  1. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten en niet gehouden was met een minder ingrijpend middel te volstaan. Zoals onder rov. 8 reeds overwogen, heeft de gemachtigde van de burgemeester terecht onderbouwd dat sprake is van een ernstig geval. In de woning is namelijk een zeer grote handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen en de burgemeester mocht aannemelijk achten dat deze drugs geheel of gedeeltelijk bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs is verder aannemelijk dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel.
In de bestuurlijke rapportage van 12 november 2025 komt naar voren dat de woning in beeld is gekomen, nadat op een locatie in Rotterdam een XTC-productielocatie is aangetroffen, waar na onderzoek bleek dat de partner van verzoeker daar veelvuldig en voor langere periodes aanwezig is geweest.
De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat zich in het dossier verklaringen van buurtbewoners bevinden waarin staat vermeld dat zij geen overlast, onveiligheid, verdachte situaties of enige vorm van overlast hebben ervaren. Verder is niet gebleken van loop naar de woning. Dat neemt echter niet weg dat de burgemeester in redelijkheid toch een sluiting van de woning noodzakelijk mocht achten, gelet op de aangetroffen hoeveelheden harddrugs en andere middelen in combinatie met het lopende strafrechtelijke onderzoek.
De burgemeester hoefde daarom niet te volstaan met een waarschuwing ter bescherming van het woon - en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
Is de sluiting evenwichtig?
  1. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient zij zich ervan te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is. Dit geldt eveneens voor de duur van de sluiting, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel.
  1. Verzoeker stelt dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Hij stelt dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt, omdat hij niet wist van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning. Ook had hij hiervoor geen enkele indicatie. Verzoeker was aanwezig bij de instap in de woning door de politie en toen heeft de politie hem duidelijk gemaakt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Verzoeker wordt dan ook onevenredig zwaar getroffen door de maatregel van sluiting van de woning.
Verzoeker verblijft momenteel noodgedwongen bij zijn ouders. De verblijfssituatie bij verzoekers ouders is geen duurzame oplossing omdat verzoekers vader een dubbele beroerte heeft gehad en weinig prikkels aan kan. Daar komt bij dat een broer van verzoeker ook bij verzoekers ouders woont. Verzoeker heeft bovendien een co-ouderschapsregeling met zijn ex-partner voor hun minderjarige zoon en verzoeker moet zijn zoon de laatste tijd vaker opvangen vanwege de medische situatie van verzoekers ex-partner. Verzoekers zoon verblijft daarmee ook deels bij verzoekers ouders. Dit is geen houdbare situatie.Verzoeker voert verder aan dat hij in de woning een kantoor heeft van waaruit hij zijn werkzaamheden uitvoert. In de woning staan een bureau en bureaustoel en zijn laptop.
Verzoeker en zijn partner hebben daarnaast drie naaktkatten die door de sluiting bij familie en vrienden elders worden opgevangen. Deze katten zijn door de situatie zeer gestrest en vanuit een stressreactie poepen ze deze plekken onder en gaan ze agressief miauwen.
De familie en vrienden hebben aangegeven dat deze situatie zo niet langer kan duren, aldus verzoeker.
  1. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De burgemeester heeft meer gewicht mogen toekennen aan het herstel van de openbare orde en een veilig woon - en leefklimaat in de omgeving dan aan het belang van verzoeker. Het is inherent aan een sluiting van een woning dat de bewoners (en huisdieren) de woning moeten verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid.[4]
  1. De burgemeester mocht verder de bevindingen uit de bestuurlijke rapportage en een nadere reactie van de politie per e-mail van 17 december 2025 betrekken, waaruit naar voren komt dat bij de doorzoeking van de woning geen slaapplek, kleding of andere zaken aanwezig waren die duidden op de aanwezigheid van een minderjarig kind. Ook komt hieruit naar voren dat verzoeker op het moment van de instap nog niet stond ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) op het adres van de woning en aan de politie heeft verklaard nog een ander huis in Overschie te hebben. Deze verklaring van verzoeker kwam op dat moment ook overeen met zijn registratie in de Brp.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester op grond hiervan er van uit mocht gaan dat verzoeker en zijn minderjarig kind daarmee niet zonder woonruimte zouden komen te zitten.
  1. Niet is gebleken dat de woning noodzakelijk is voor verzoeker en diens minderjarige zoon om het co-ouderschap te kunnen voortzetten. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het co-ouderschap onder druk komt te staan door de ontstane situatie, maar gesteld noch gebleken is dat er een zodanige binding is met de woning dat sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester tot een andere afweging had moeten komen.
  1. Voor zover er van zou moeten worden uitgegaan dat verzoeker wel al langere tijd woonachtig was in de woning, zoals door verzoeker gesteld, kan hem een verwijt worden gemaakt van de situatie als bewoner van de woning, omdat hij mede verantwoordelijk is voor hetgeen zich in de woning bevindt. Uit het dossier blijkt dat de drugs zijn aangetroffen in een tas in een inloopkast op de eerste verdieping van de woning en niet waren verstopt. Hoewel de maatregel van sluiting van de woning een pandmaatregel betreft, waarbij de verwijtbaarheid van de bewoners een ondergeschikte rol speelt, heeft de burgemeester in dit geval gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs meer gewicht mogen toekennen aan het herstel van de openbare orde en een veilig woon - en leefklimaat in de omgeving dan aan het belang van verzoeker.
  1. Verzoeker heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn werkplek, bestaande uit een bureau met stoel en beeldscherm in een afzonderlijke ruimte, specifiek gebonden is aan deze woning voor zijn werkzaamheden. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat hij ook op kantoor van zijn werkgever zijn werkzaamheden kan verrichten. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker om andere redenen een bijzondere binding heeft met de woning, vanwege bijvoorbeeld medische redenen.
  1. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de sluiting van de woning niet onevenwichtig is.
  1. De gemachtigden van de burgemeester hebben ter zitting toegelicht dat de inschrijving van verzoeker in de Brp nog niet zichtbaar was ten tijde van het bestreden besluit en dat om die reden in het bestreden besluit staat vermeld dat verzoeker niet stond ingeschreven in de woning. Dit maakt echter niet dat de sluiting van de woning niet onevenwichtig is. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van de burgemeester en overweegt dat het te verwachten is dat de burgemeester bij de heroverweging in bezwaar nader hierop nader zal ingaan. Dit geldt eveneens voor de belangen van verzoekers minderjarig kind, voor zover deze nog niet kenbaar zijn meegewogen. Gelet op het feit dat de woning een koopwoning is en verzoeker door zijn partner is gemachtigd om haar financiële belangen te behartigen, nu zij in detentie verblijft, ligt het op de weg van verzoeker en zijn partner om in bezwaar hieromtrent nadere gegevens in te dienen, zodat de burgemeester kan nagaan of de door de verzoeker en zijn partner geschetste omstandigheden aanleiding geven voor het aannemen van bijzondere omstandigheden om van de duur van de sluitingsperiode van twaalf maanden (die volgt uit het beleid) af te wijken.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning gesloten mag blijven.
  1. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet (Beleid Toepassing Artikel 13B Opiumwet gemeente Hoeksche Waard (Damoclesbeleid)), gmb 2020, nr. 91137.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:6184 en ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1142. - - - ## Voetnoten
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet (Beleid Toepassing Artikel 13B Opiumwet gemeente Hoeksche Waard (Damoclesbeleid)), gmb 2020, nr. 91137.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:6184 en ECLI:NL:RVS:2025:2922.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1142.