Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:79 - Rechtbank Rotterdam - 9 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:79•9 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6291
en
(gemachtigde: [persoon A] ).
- Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV tot terugvordering van te veel betaalde uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser heeft de terugvordering volledig betaald en verzoekt de rechtbank om enige vorm van compensatie vanwege de diverse fouten die het UWV heeft gemaakt. De rechtbank ziet in eisers gronden een beroep op de dringende redenen en neemt daarom procesbelang aan. De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV niet wegens dringende redenen van terugvordering had moeten afzien en verklaart het beroep ongegrond.
Procesverloop
- Met het besluit van 12 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV de te veel ontvangen ZW-uitkering van € 1.016,48 bruto van eiser teruggevorderd.
2.1. Met het besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met de verweerschriften van
4 september 2025 en 23 oktober 2025.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn begeleider [persoon B] , en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- Eiser ontvangt een ZW-uitkering op basis van een no-riskpolis. Omdat eiser daarnaast inkomsten uit arbeid heeft, wordt zijn ZW-uitkering gekort. Het UWV verstrekt per week een voorlopige uitkering. Nadat de werkgever de loonaangiften heeft gedaan, controleert het UWV de betaalde uitkering. Bij de controle voor de periode van 2 december 2024 tot en met 19 januari 2025 is gebleken dat het UWV aanvankelijk was uitgegaan van een te laag bedrag aan inkomen. Ook is gebleken dat de voorlopige korting op de ZW-uitkering wegens inkomen in januari 2025 uit het systeem was verwijderd.
3.1. Bovenstaande samenloop van omstandigheden heeft ertoe geleid dat eiser in de periode van 2 december 2024 tot en met 19 januari 2025 een bedrag van € 1.016,48 bruto aan te veel betaalde ZW-uitkering heeft ontvangen. Het UWV heeft dat bedrag met het primaire besluit teruggevorderd. Met het bestreden besluit is het UWV bij dat besluit gebleven.
Procesbelang
- De rechtbank stelt op basis van het dossier vast, dat eiser de volledige terugvordering (netto € 652,01) heeft voldaan. De rechtbank stelt zich daarom ambtshalve voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep en daarmee of de rechtbank het beroep in deze zaak inhoudelijk kan beoordelen.
4.1. Volgens vaste rechtspraak is er procesbelang als eiser met het ingestelde beroep eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en dat resultaat voor hem feitelijke betekenis heeft.[1] Met andere woorden: voor de beoordeling van het procesbelang gaat het er niet om of eiser in de beroepsprocedure gelijk heeft, het gaat erom of hij een reëel, actueel en concreet belang heeft als hij in de beroepsprocedure in het gelijk wordt gesteld. Procesbelang wordt ook aangenomen als het bestaan van schade niet op voorhand onaannemelijk is.[2]
4.2. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat weliswaar sprake is van een principiële kwestie, maar ook dat het UWV volgens hem onvoldoende rekening heeft gehouden met de fouten die het UWV heeft gemaakt. Volgens eiser heeft het UWV ten onrechte het gehele bedrag teruggevorderd, terwijl de fout waardoor te veel ZW-uitkering is betaald bij het UWV lag en eiser er juist voor heeft gezorgd dat de fout aan het licht kwam. Eiser wil dat het UWV hem financieel compenseert vanwege de diverse fouten die het UWV heeft gemaakt. De rechtbank ziet hierin een beroep van eiser op de dringende redenen om (deels) van terugvordering af te zien en neemt daarom procesbelang aan.
Dringende redenen
- Het UWV is in beginsel verplicht het volledig onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen.
[3] Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het UWV echter besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.[4] Niet in geschil is dat de oorzaak van de terugvordering (grotendeels) is gelegen in een fout die het UWV heeft gemaakt, omdat het UWV de korting op de ZW-uitkering in verband met eisers inkomsten uit arbeid uit het systeem had gehaald. Daar staat echter tegenover dat de fout snel is ontdekt en hersteld, zodat het bedrag van de terugvordering niet hoger is opgelopen. Dat eiser zelf aan de bel heeft getrokken en van de te veel betaalde ZW-uitkering bij het UWV melding heeft gemaakt nog voordat het UWV de te veel betaalde ZW-uitkering had teruggevorderd, maakt in dit geval niet dat het UWV wegens dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Zoals het UWV op de zitting heeft toegelicht, wordt de voorlopig betaalde ZW-uitkering na de loonaangiften door de werkgever maandelijks gecontroleerd en was de fout ook zonder de melding van eiser duidelijk geworden. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank het snelle optreden en het te goeder trouw handelen van eiser prijzenswaardig acht.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Het UWV heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van de dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad ) van 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:706.
De uitspraak van de Raad van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1594.
Dat volgt uit artikel 33, eerste lid, van de ZW.
Dat volgt uit artikel 33, zesde lid, van de ZW. - - - ## Voetnoten