Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:78 - Rechtbank Rotterdam - 9 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:789 januari 2026

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4044
(gemachtigde: mr. S.M.J. Iqbal),
en
(gemachtigde: [persoon A] ).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het UWV de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) terecht heeft beëindigd, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser was tijdelijk volledig arbeidsongeschikt op arbeidskundige gronden, maar was daarna weer belastbaar zoals eerder vastgesteld bij de beoordeling per einde wachttijd.

Procesverloop

Met het besluit van 9 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser per 10 januari 2024 (datum in geding) beëindigd.
Met het besluit van 3 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft, op verzoek van eiser en omdat desgevraagd geen van beide partijen heeft aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om op zitting te worden gehoord, met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 2 december 2025 gesloten.

Totstandkoming van het besluit

  1. Eiser, laatstelijk werkzaam als medewerker verkoop, heeft zich op 25 maart 2020 ziekgemeld wegens gezondheidsklachten.
1.1. Eiser heeft een aanvraag om een WIA-uitkering bij het UWV ingediend. Het UWV heeft met het besluit van 11 mei 2022 de aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, namelijk 0,0%.
1.2. Eiser heeft zich bij het UWV per 16 juni 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts komt in het rapport van 28 augustus 2023 tot de conclusie dat er vanaf 16 juni 2022 (tijdelijk) sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde aandoening waarmee eerder ook de wachttijd voor de WIA werd voltooid (de Amber-beoordeling). Volgens de verzekeringsarts was de belastbaarheid van eiser vanaf 1 oktober 2022 echter weer verbeterd tot het niveau waarop het bij het einde van de wachttijd was.
1.3. De arbeidsdeskundige komt in het rapport van 9 oktober 2023 tot de conclusie dat eiser vanaf 16 juni 2022 tot 1 oktober 2022 volledig arbeidsongeschikt is op arbeidskundige gronden, omdat hij geen functies heeft kunnen duiden. Het arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de WIA is vanaf 16 juni 2022 tot 1 oktober 2022 daarmee vastgesteld op 100%. Het UWV heeft met het besluit van 8 november 2023 aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 16 juni 2022.
1.4. Met het primaire besluit van 9 januari 2024 heeft het UWV eisers WIA-uitkering per 10 januari 2024 beëindigd, omdat hij per 10 oktober 2022 een arbeidsongeschiktheidspercentage heeft van 0,0%.
  1. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 februari 2025 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid per 1 oktober 2022 te wijzigen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van
26 maart 2025 geconcludeerd dat er aanleiding is af te wijken van de door de primair arbeidsdeskundige gehanteerde gegevens bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Na raadpleging van de CBBS heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies: Lader, losser (SBC-code 111220), Assemblagemedewerker metaalwaren (SBC-code 264140) en Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarnaast de extra functies: Assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071) en Medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) geselecteerd. Op basis van het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde geduide functies verdiend kan worden, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0,0%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiser

  1. Eiser voert in beroep aan dat hij per 10 januari 2024 nog steeds recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zijn medische beperkingen zijn onderschat, het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en de geselecteerde functies niet passend zijn. Eiser betoogt dat zijn toegenomen beperkingen niet tijdelijk van aard zijn geweest. Eisers knijpkracht is verminderd en uit latere stukken van Xpert Clinics blijkt dat hij artrose en mogelijk CTS[1] heeft. Het ligt volgens eiser dan ook in de rede dat dit ook op de datum in geding speelde. Eiser stelt dat, gelet op zijn beperkingen, de geselecteerde functies niet passend voor hem zijn. Eiser heeft bij zijn werkzaamheden toezicht en begeleiding nodig. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ook niet per functie gemotiveerd waarom deze geschikt zijn. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijk deskundige aan te wijzen.

Toepasselijke wet - en regelgeving

  1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet - en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per de datum in geding terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
  1. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, een anamnese, psychisch en lichamelijke onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het gestelde tijdens de hoorzitting van 17 februari 2025 en in het bezwaarschrift en op informatie van de behandelend sector. Het medisch onderzoek heeft gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
6.1. Wat eiser in beroep aanvoert, geeft de rechtbank geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de als gevolg van de operatie van 16 juni 2022 toegenomen beperkingen slechts tijdelijk van aard waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de primaire verzekeringsarts een ruime periode van herstel van drie en een halve maand na de operatie heeft genomen en afdoende beperkingen heeft aangenomen in de FML. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen ander beeld van de mogelijkheden van de hand/pols van eiser dan de verzekeringsarts eerder per einde wachttijd heeft vastgesteld. Per 1 oktober 2022 zat de hand/pols niet meer in het gips, waardoor een beperking ten aanzien van fijn motorische hand/vingerbewegingen niet meer verklaard kon worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder afdoende gemotiveerd dat hoewel de knijpkracht verminderd was, dit volgens de MRC schaal nog wel 5 was (normale kracht). Een sterkere beperking op knijpkracht of op tillen en dragen kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom niet worden gerechtvaardigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 juli 2025 verder gemotiveerd toegelicht dat het rapport van XpertClinics niet leidt tot een andere belastbaarheid per de datum in geding. Eiser heeft bij de anamnese van Xpert Clinix aangegeven dat hij de klachten al jaren had. Daarnaast zijn de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek in bezwaar in lijn met de eerdere bevindingen bij het lichamelijk onderzoek zoals verricht door de primaire verzekeringsarts en vastgelegd in het rapport van 28 augustus 2023 en het lichamelijk onderzoek zoals verricht door de primaire verzekeringsarts per einde wachttijd op 16 maart 2022. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van eiser juist heeft vastgesteld.
6.2. Nu de rechtbank geen twijfel heeft aan de juistheid van het medisch oordeel, ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.
  1. Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 maart 2025 en het aanvullend rapport van 9 september 2025 afdoende gemotiveerd dat in alle geduide functies er een leidinggevende of meewerkend voorman dan wel een collega aanwezig is, die eiser kan ondersteunen en begeleiden als er een evidente verandering in werk of werkomgeving is, en dat de functies daarmee passend zijn bij eisers beperkingen. Daarnaast betreft het allemaal routinematige, uitvoerende productiefuncties, waarbij de focus ligt op het uitvoeren van eigen taken en eigen productie. De persoonlijke invulling in de functies door de functionaris is minimaal of afwezig, wat maakt dat het eenvoudige uitvoerende functies zijn, die qua taken en werkzaamheden vastliggen. Eiser is aangewezen op vaste en bekende werkwijzen, hetgeen in alle functies aanwezig is. Gelet op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 maart 2025 en 9 september 2025 volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat niet per functie is gemotiveerd waarom de functies voor hem geschikt zijn. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt.
  1. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 0,0%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser heeft het UWV dus terecht bepaald op minder dan 35%.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet - en regelgeving

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
CTS = Carpaal Tunnel Syndroom. - - - ## Voetnoten
CTS = Carpaal Tunnel Syndroom.