Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:710 - Rechtbank Rotterdam - 16 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:710•16 januari 2026
Uitspraak inhoud
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Uitspraak van 16 januari 2026
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 24 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de oproepingsbrief van 30 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.
Ter zitting van 8 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Op 9 januari 2026 en 13 januari 2026 heeft schuldhulpverlening aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de kantonrechter van 28 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft een netto inkomen uit arbeid van circa € 400, - per week. De huur bedraagt € 519,86 per maand. De huurtermijn van januari 2026 is – weliswaar te laat – op 13 januari 2026 betaald. Verzoeker heeft de kantonrechter verzocht tot onder beschermingsbewindstelling. Verwacht wordt dat het beschermingsbewind op korte termijn zal worden uitgesproken, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3 Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij de huurtermijn van januari 2026 (alsnog) betaald willen krijgen. Verweerster wil deze betaling bij voorkeur 9 januari 2026 en uiterlijk 13 januari 2026 ontvangen. Ook wil verweerster voldoende gewaarborgd hebben dat de huurtermijn van februari 2026 tijdig zal worden voldaan.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van 28 april 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 4 december 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 januari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 28 april 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker beschikt over voldoende inkomen uit arbeid. De huurtermijn van januari 2026 is – weliswaar te laat – op 13 januari 2026 voldaan. Daarnaast is er een verzoek tot onderbewindstelling ingediend bij de kantonrechter. Hierdoor is voldoende gewaarborgd dat lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft intussen een schuldbemiddelingstraject opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw Wsnp-verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 april 2025 uitgesproken proces-verbaal van de kantonrechter van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres], [postcode] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 16 januari 2026; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.