Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:708 - Rechtbank Rotterdam - 15 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:70815 januari 2026

Uitspraak inhoud

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 15 januari 2026
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 12 december 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 december 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 8 januari 2026.
Ter zitting van 8 januari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Verzoekster heeft een betaalbewijs nagezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van drie maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft bij vonnis van 25 maart 2025 van de rechtbank Rotterdam eerder een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw toegewezen gekregen voor de duur van drie maanden. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat er derhalve nog een mogelijkheid is om een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw voor een periode van drie maanden te verzoeken.
Ter zitting is door de advocaat verklaard dat het schuldhulpverleningstraject van verzoekster heeft stilgelegen door het baanverlies van verzoekster. Verzoekster heeft inmiddels weer inkomen uit arbeid van circa € 2.400, - netto per maand. Schuldhulpverlening heeft inmiddels de schulden van verzoekster in kaart gebracht en gaan nu starten met het schuldbemiddelingstraject. Ook heeft verzoekster – op dit moment – een positief budgetplan. De huur bedraagt € 685,94. De huurtermijn van december 2025 is – weliswaar te laat – op 2 december 2025 voldaan. De huurtermijn van januari 2026 is – weliswaar te laat – op 6 januari 2026 voldaan. Verzoekster zal zelf zorgdragen voor tijdig betaling van de lopende huurtermijnen.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Bij vonnis van 25 maart 2025 is aan verzoekster reeds een voorlopige voorziening voor de duur van drie maanden toegekend. Het onderhavige verzoek ziet op dezelfde executoriale titel. De vraag rijst of de eerder toegewezen voorlopige voorziening voor de duur van drie maanden in de weg staat aan toewijzing van het onderhavige verzoek.
De wet hanteert als uitgangspunt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b, vijfde lid, Fw voor maximaal zes maanden kan worden uitgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is een tweede verzoek op die grondslag dan ook niet toewijsbaar indien de maximale termijn van zes maanden is overschreden. Aan toewijzing van een tweede moratoriumverzoek op dezelfde grondslag dienen bovendien hogere eisen te worden gesteld. In het bijzonder ten aanzien van de vraag of nakoming van de lopende huurtermijnen voldoende is gewaarborgd en of het verzoek daadwerkelijk gericht is op het tot stand laten komen van een buitengerechtelijke schuldenregeling als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw.
Omdat artikel 287b Fw zich echter niet verzet tegen een herhaalde aanvraag en de maximale termijn van zes maanden in dit geval nog niet is overschreden, is het onderhavige verzoek naar het oordeel van de rechtbank wel ontvankelijk.
De rechtbank zal tegen deze achtergrond het voorliggende verzoek inhoudelijk beoordelen.
Beoordeeld dient te worden of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 17 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 december 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Omdat hier sprake is van een herhaald verzoek voor dezelfde titel, weegt het belang van verweerster in beginsel zwaar.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 augustus 2022 ten uitvoer kan leggen.
In het kader van de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen dit keer wel kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inmiddels weer inkomen uit arbeid van circa € 2.400, - netto per maand. Deze inkomsten zijn ruim voldoende om de lopende huurtermijnen van € 685,94 te kunnen voldoen. De huurtermijnen van december 2025 en januari 2026 zijn – weliswaar te laat – betaald. Ook is voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster zelf zorg zal dragen voor betaling van de lopende huurtermijnen. Daarbij komt nog dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het schuldhulpverleningstraject van verzoekster met voldoende urgentie is opgepakt en zal worden voortgezet.
Het belang van verweerster, dat er in belangrijke mate in gelegen is dat zij tijdig haar huurpenningen ontvangt voor de ter beschikking gestelde woning, is in zoverre voldoende gewaarborgd. De rechtbank stelt ook vast dat de titel van verweerster stamt uit 2022 en dat verweerster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid verweer te voeren.
Tegen deze achtergrond, en mede nu de voorziening op relatief korte termijn (te weten: op 12 maart 2026) zal aflopen en er dan ofwel een regeling tot stand moet zijn gekomen met verweerster of een verzoek ex artikel 284 of 287a Fw moet zijn ingediend, dient naar het oordeel van de rechtbank het belang van verzoekster toch zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Een tweede voorlopige voorziening voor de duur van drie maanden wordt daarom toegekend.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet binnen een maand zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 augustus 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 12 december 2025, derhalve tot 12 maart 2026; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.