Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:703 - Rechtbank Rotterdam - 15 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:703•15 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9637
en
(gemachtigden: mr. M. van het Hof en [naam]).
Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstandsuitkering). Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit niet het geval is en wijst het verzoek af.
Procesverloop
- Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstandsuitkering). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 oktober 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
- Verzoeker (1993) is een alleenstaande man die tot 3 februari 2025 af en aan inwonend was bij zijn moeder op het adres [adres], gemeente Hoeksche Waard. Vanwege een contactverbod met zijn moeder is verzoeker per 3 februari 2025 verhuisd naar de gemeente Nissewaard en ontving daar ook een bijstandsuitkering.
Die uitkering is per 30 juni 2025 ingetrokken, omdat uit onderzoek was gebleken dat verzoeker inmiddels weer op het adres van zijn moeder in Oud-Beijerland woonde.
Op 22 juli 2025 heeft verzoeker een bijstandsaanvraag ingediend bij de gemeente Hoeksche Waard.
Waar gaat deze zaak om?
- Het college heeft de bijstandsaanvraag afgewezen, omdat het vermogen van verzoeker op het moment van de aanvraag hoger was dan de voor verzoeker geldende vermogensgrens van € 7.777,00. Op basis van de door verzoeker overgelegde bewijsstukken is zijn vermogen vastgesteld op een bedrag van € 10.670,89 (het totaalbedrag van de saldi op de bank - en spaarrekeningen en de pensioen-/beleggingsrekening van verzoeker). Daarom komt verzoeker niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.
- Verzoeker is het met dit besluit niet eens. Hij wil met zijn verzoek bereiken dat hem alsnog een bijstandsuitkering, of een voorschot daarop, wordt toegekend totdat op zijn bezwaar is beslist. Daartoe voert verzoeker aan dat het saldo op zijn Rabo-basisrekening ([rekeningnummer]) niet aan hem toebehoorde en dat hij daarom niet redelijkerwijs over dat bedrag kon beschikken. Het saldo is na opheffing van de Raborekening per
15 september 2025 naar de bewindvoerder gegaan, zoals volgens verzoeker ook blijkt uit de beschikking van de kantonrechter van 18 december 2025[1] . Dat geld is er dus niet meer.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
- Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is het verzoek ontvankelijk?
- Verzoeker heeft tegen het besluit van 15 oktober 2025 niet afzonderlijk bezwaar gemaakt. Wel heeft verzoeker op 23 september 2025 bezwaar gemaakt bij het college, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat het college van een eerder toekenningsbesluit was teruggekomen. Het college heeft dit (premature) bezwaar uit coulance aangemerkt als mede gericht tegen het besluit van 15 oktober 2025. De voorzieningenrechter gaat mee in dit standpunt van het college. Het verzoek is in zoverre ontvankelijk.
Spoedeisend belang?
- Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar - of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
7.1. De voorzieningenrechter neemt in deze zaak vooralsnog wel spoedeisend belang aan. Omdat de bijstandsuitkering van verzoeker is afgewezen beschikt hij in beginsel niet over eigen inkomsten om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij leeft nu van de bedragen die zijn (demente) moeder, op zijn verzoek, naar hem overmaakt. Het is de vraag of dit een wenselijke situatie is. Van andere inkomsten is de voorzieningenrechter uit de stukken niet gebleken.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van de zaak?
- Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over onder meer zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren.
Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.[2]
9.1 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat hij op het moment van de aanvraag over een vermogen beschikte dat aanzienlijk hoger is dan de voor hem geldende vermogensgrens van € 7.777,-. Het college heeft vastgesteld dat (alleen al) het saldo op de Rabo-basisrekening van verzoeker op 2 juli 2025 € 9.841,61 bedroeg.
9.2 Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat dit geld niet aan hem toebehoorde. Er zijn geen stukken waaruit blijkt dat de beslaglegging op de Raborekening door Justitie op het moment van de bijstandsaanvraag nog steeds van kracht was.
Het college heeft verzoeker met de brieven van 23 juli en 5 september 2025 gevraagd om te onderbouwen in hoeverre de beslaglegging op deze rekening nog steeds aan de orde is. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd. Uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt echter ook dat een deel van het beslagen geldbedrag van € 13.442,93 op het moment van de aanvraag al was uitgegeven. Ook hiervoor heeft verzoeker echter geen plausibele verklaring gegeven.
9.3 Verzoeker heeft evenmin met stukken onderbouwd dat het geld naar de bewindvoerder is gegaan. Voor zover verzoeker stelt dat dit het college uit de beschikking van de kantonrechter van 18 december 2025 wel duidelijk had kunnen zijn, geldt dat dit nog niets zegt over de situatie op het moment van de aanvraag. Op dat moment hoefde voor het college niet duidelijk te zijn wat er met het geld was gebeurd, of zou gebeuren.
9.4 Het bezwaar heeft daarom geen redelijke kans van slagen. Om die reden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen bijstandsuitkering, of een voorschot daarop, krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zaaknummer: 11873714 BM VERZ 25-2892 / dossiernummer: BM 12882.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:194. - - - ## Voetnoten