Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:702 - Rechtbank Rotterdam - 15 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:702•15 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10111
(gemachtigde: mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima),
en
(gemachtigde: mr. A.H.M. Dellaert).
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de intrekking van zijn urgentieverklaring. Verzoeker is het hier niet mee eens. Met name kan verzoeker zich niet vinden in de voorwaarden die aan de urgentiegrond zijn verbonden. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek en komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dit niet het geval is.
Ook is volgens de voorzieningenrechter geen sprake van een evident onrechtmatig besluit.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
- Met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 heeft SUWR de urgentieverklaring van verzoeker ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van SUWR.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
- Verzoeker (1994) heeft tot 24 mei 2024 op het adres van zijn moeder, [adres 1], gewoond. Op dit adres stond hij ook ingeschreven in de basisregistratie personen (brp). Op enig moment is de verhouding tussen verzoeker en zijn moeder zodanig verslechterd dat aan verzoeker een contactverbod is opgelegd en hij de woning heeft moeten verlaten. Omdat verzoeker door deze situatie dakloos dreigde te worden is een hulpverleningstraject gestart bij het Leger des Heils (de zorginstelling).
Dit hulptraject loopt nog. Verzoeker staat per 24 mei 2024 op het adres van de zorginstelling, [adres 2], ingeschreven met een briefadres. Op diezelfde datum is hij in de brp uitgeschreven op het adres van zijn moeder.
2.1. Op 19 maart 2025 heeft verzoeker met hulp van de zorginstelling een urgentieverklaring aangevraagd op de urgentiegrond 'Doorstroming vanuit een hulpverleningstraject'. Uit het ondersteuningsverslag blijkt dat verzoeker op diverse leefgebieden ondersteuning nodig heeft, onder meer bij het zelfstandig kunnen wonen.
Het lopende ondersteuningstraject zal worden voortgezet in de toekomstige woning, met een huurzorgcontract.
2.2. Op 24 maart 2025 is een Besluit directe bemiddeling afgegeven op basis van de urgentiegrond 'Doorstroming vanuit een hulpverleningstraject'. Vervolgens heeft Woonstad Rotterdam twee woningen aan verzoeker aangeboden: de woning [adres 3] en de woning [adres 4]. Beide woningen zijn door verzoeker geweigerd. Verzoeker kan zich naar eigen zeggen niet vinden in de voorwaarden van het huurzorgcontract en met name de daarvan onderdeel uitmakende Woonbegeleidingsovereenkomst.
Waar gaat deze zaak om?
- SUWR heeft de urgentieverklaring ingetrokken omdat verzoeker niet meer voldoet aan de urgentiecriteria
[1] . Uit onderzoek is gebleken dat verzoeker niet instemt met een voorwaarde die is opgenomen in de urgentieverklaring. Deze voorwaarde heeft betrekking op de huurzorgovereenkomst.
- Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt de voorzieningenrechter het bestreden besluit te schorsen en de urgentie te laten doorlopen tot op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
- Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar - of beroepschrift. De voorzieningen-rechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1. Verzoeker voert aan dat hij door het handelen van de zorginstelling – te weten de inschrijving met een briefadres op 24 mei 2024 – twintig maanden dakloos is geweest.
De urgentie is zijn enige kans op terugkeer naar stabiele huisvesting. De intrekking van de urgentie heeft volgens verzoeker onherstelbare gevolgen, zoals het voortduren van zijn dakloosheid. Verzoeker heeft geen alternatief en wordt nu feitelijk uitgesloten van de sociale woningmarkt. Daarbij laat een beslissing op bezwaar naar verwachting nog wel even op zich wachten.
5.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting blijkt dat verzoeker nog steeds onderdak heeft op het adres van de zorginstelling, [adres 2]. Niet is gebleken dat verzoeker de zorginstelling op korte termijn dient te verlaten. Dit kan ook worden afgeleid uit de mail van de Trajectmanager van het Leger des Heils, [naam], van 16 oktober 2025, waarin deze stelt: "Verder werken aan zijn traject in onze eigen voorziening van het Leger des Heils heeft op dit moment prioriteit." Van acute dakloosheid of een (andere) onomkeerbare situatie is de voorzieningenrechter daarom niet gebleken. Dat de huidige situatie voor verzoeker voelt als dakloos zijn maakt dit oordeel niet anders.
Evident onrechtmatig besluit
- De gevraagde voorziening kan verder alleen nog worden getroffen als het besluit van SUWR evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door SUWR ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.
6.1. Verzoeker heeft urgentie gekregen op de urgentiegrond 'Doorstroming vanuit een hulpverleningstraject'. Aan deze urgentiegrond zijn de (standaard) voorwaarden verbonden, zoals opgenomen in het huurzorgcontract. Bij de toekenning van de urgentie is verzoeker hier ook diverse keren op gewezen. Verzoeker heeft twee woningen aangeboden gekregen. Die heeft hij geweigerd omdat hij de voorwaarden in het huurzorgcontract naar eigen zeggen niet kan en wil accepteren. Dit maakt dat verzoeker niet aan de voorwaarden voor de urgentiegrond heeft voldaan. SUWR mocht daarom de urgentie intrekken. SUWR gaat niet over de voorwaarden van het huurzorgcontract.
6.2. Wat verzoeker hiertegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Dat verzoeker de Woonbegeleidingsovereenkomst wel onder protest heeft getekend, laat onverlet dat hij de overeenkomst niet met instemming van de voorwaarden heeft getekend en dus niet aan de voorwaarden van de urgentiegrond heeft voldaan. Verder is geen sprake van een situatie waarin verzoeker woonruimte wordt ontnomen of waarin zijn recht op een woning wordt gefrustreerd. Verzoeker heeft immers tot tweemaal toe passende woonruimte aangeboden gekregen en die heeft hij zelf geweigerd. De jurisprudentie waar verzoeker naar verwijst is al om die reden niet op hem van toepassing. Ook is de voorzieningenrechter van schending van enige (mensenrechten)verdragsbepaling of van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de intrekking van de urgentieverklaring vooralsnog in stand blijft en dat verzoeker geen (nieuwe) urgentie krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Artikel 3.1.4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 - - - ## Voetnoten