Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:634 - Rechtbank Rotterdam - 22 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:63422 januari 2026

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10235
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
(gemachtigde: mr. E.H. van der Kwast).
  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoeker bij de gemeentelijke opvang van Schiedam op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). Verzoeker is het niet met de beëindiging eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat onvoldoende is gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

  1. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft het college de opvang van verzoeker bij de gemeentelijke opvang van Schiedam beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, [naam 1] als tolk, de gemachtigde van het college, [naam 2] Veen en [naam 3] (projectmanager) namens het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
  1. Met het besluit van 27 oktober 2025 is de opvang van verzoeker bij de gemeentelijke opvang van Schiedam beëindigd. Verzoeker verbleef daar op basis van aan hem toegekende opvang op grond van de RooO. In het besluit staat dat de gemeente Schiedam tot 3 november 2025 de kosten zal dragen voor alternatieve opvang.
  1. Verzoeker schrijft in het verzoekschrift dat tijdens een informeel gesprek met het college is overeengekomen dat aan hem alsnog alternatieve opvang wordt geboden. Alle reguliere opvangplekken zijn echter vol. Het college heeft een hostel voor verzoeker geregeld. Dit alternatief voldoet niet aan de vereisten. Verzoeker kan zijn spullen nergens kwijt en hij kan zijn kleren niet wassen. Verzoeker wenst met het verzoek om voorlopige voorziening te bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst, dan wel dat het college alternatieve opvang biedt aan verzoeker waar hij kan blijven zolang geen reguliere plek is gevonden en hij zich kan inschrijven in de Basisregistratie personen (Brp).
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
  1. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar - of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
  1. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een verzoek om voorlopige voorziening omdat de opvang die het college biedt door middel van het boeken van hostels niet voldoet aan de minimumstandaard. Het college boekt elke week een andere accommodatie voor verzoeker, wat een stressvolle situatie voor hem oplevert. Er is geen hulpverlening beschikbaar voor verzoeker. Daarnaast dreigt verzoeker zijn inschrijving in de Brp, en daarmee zijn verblijfsrecht, te verliezen.
  1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van een dermate spoedeisend belang waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaarschrift. Er is niet gebleken van een acute noodsituatie. Het college heeft op de zitting erkend dat zij op basis van de RooO verantwoordelijk is voor opvang van verzoeker, waardoor het college elke week een accommodatie (een hostel) voor verzoeker boekt waar hij kan verblijven. Aan verzoeker wordt op dit moment dus opvang verleend. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zijn kleren niet kan wassen en ook niet kan koken in de hostels. In de gemeentelijke opvang waar verzoeker niet langer welkom is, was echter ook geen kookgelegenheid en werd gebruik gemaakt van catering. Ook dienen personen die in de gemeentelijke opvang te verblijven zelf zorg te dragen voor hun was. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat de omstandigheden waaronder de (alternatieve) opvang plaatsvindt dusdanig onwenselijk zijn dat daardoor gesproken moet worden van een acute noodsituatie. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het iedere week wisselen van accommodatie onwenselijk is voor verzoeker, is niet gebleken dat verzoeker hierdoor de bezwaarprocedure niet kan afwachten. De voorzieningenrechter neemt daarbij in overweging dat op de zitting met het college is gesproken dat verzoeker leefgeld kan aanvragen. Dit loopt via een aparte procedure, maar verzoeker kan dit eventueel met hulp van de projectmanager [naam 3] aanvragen. Daarnaast is op de zitting gebleken dat het college niet langer voornemens is om verzoeker uit te schrijven uit de brp.
Is het besluit evident onrechtmatig?
  1. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit niet juist is. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze situatie zich hier voordoet. Het is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken dat de (alternatieve) opvang die verzoeker op dit moment geboden wordt niet voldoet aan een toereikend huisvestingsniveau zoals dat in artikel 5 van de RooO is opgenomen.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog niet op een andere wijze opvang aan verzoeker dient te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.