Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:625 - Rechtbank Rotterdam - 6 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:625•6 januari 2026
Uitspraak inhoud
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-247283-25
Datum uitspraak: 6 januari 2026
Datum zitting: 17 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 6 januari 2026 (sluiting onderzoek en uitspraak)
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] ( [naam centrum] ),
gedetineerd in [naam centrum] (ten tijde van de inhoudelijke behandeling).
Advocaat van de verdachte: mr. L.A.E. Timmer.
Officier van justitie: mr. C.T. den Uil.
Benadeelde partij: [benadeelde partij] .
Leeswijzer
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een veelvoud aan verkeersovertredingen heeft begaan nadat hij een stopteken van de politie negeerde en probeerde te vluchten. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij politieagenten zwaar lichamelijk letsel probeerde toe te brengen door met zijn auto op hun auto in te rijden (feit 1), dat hij met zijn dollemansrit levensgevaar heeft veroorzaakt (feit 2) en dat hij twee keer de plaats van een ongeval heeft verlaten (feiten 4 en 5). Bovendien had hij geen rijbewijs (feit 6) en heeft hij geweigerd om mee te werken aan bloedonderzoek (feit 3).
De beschuldiging is voor een deel bewezen en voor het overige volgt vrijspraak. De motivering van de bewezenverklaring en de argumenten die tot vrijspraak hebben geleid, staan in hoofdstuk 2.
De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staat in hoofdstuk 3.
De rechtbank legt aan de verdachte voor de feiten 2 primair, 3, 4 en 5 een gevangenisstraf op van 120 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voor feit 6 legt de rechtbank een voorwaardelijke hechtenis op van 14 dagen met een proeftijd van twee jaar. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straffen worden opgelegd.
In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis.
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. In hoofdstuk 6 wordt deze beslissing uitgelegd.
In hoofdstuk 8 staan alle beslissingen.
1 Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.
2 Vrijspraak/bewijs
2.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2. Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair en subsidiair en 2 primair. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3. Oordeel van de rechtbank
2.3.1. Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft het volgende naar voren gebracht. De feitelijke (verkeers)gedragingen van de verdachte leveren naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk kans op een ongeval met zwaar lichamelijk letsel op. De verdachte heeft in een smalle straat (3,5 meter breed) met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur gereden, waar een maximum snelheid van 30 kilometer per uur was toegestaan. In deze straat waren geen echte uitwijkmogelijkheden. Door het rijgedrag van de verdachte ontstond de aanmerkelijke kans dat hij het politievoertuig zou raken. Door vervolgens met hoge snelheid tegen het politievoertuig aan te rijden bestond er ook een aanmerkelijke kans op een ongeval waarbij de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Deze aanmerkelijke kans heeft de verdachte ook aanvaard. Hij was immers op de vlucht voor de politie en zijn rijgedrag moet ook in dat licht worden gezien.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de politie op 19 september 2025 een melding heeft gekregen dat verdachte, die met zijn vriendin in de auto zat, haar zou hebben geslagen. Toen een verbalisant in de auto van de verdachte naar binnen keek, is de verdachte weggereden en op de vlucht geslagen voor de politie. De verdachte heeft verklaard dat hij is gevlucht, omdat zijn vriendin nog tien dagen naar de gevangenis moest en hij wilde voorkomen dat zij zou worden opgepakt. Er ontstond een achtervolging waarbij de politieagent het niet langer verantwoord vond om deze voort te zetten, gezien het rijgedrag van de verdachte. Nadat dit politievoertuig de achtervolging had gestaakt, was een ander politievoertuig met daarin de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] via een andere kant onderweg naar de verdachte. Dit politievoertuig reed door de H.F. Tollenstraat, waar het politievoertuig en de verdachte elkaar kruisten. Daarbij heeft de auto van de verdachte het politievoertuig geschampt.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte met zijn handelingen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij de verbalisanten met deze handelingen heeft bedreigd met het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of de dood. Ter beantwoording van deze vraag zijn allereerst de feitelijke omstandigheden van belang.
Uit het dossier en wat er op zitting is besproken, blijkt dat de verdachte uit de richting van de Krispijnseweg kwam aangereden. Hij kon pas nadat hij de bocht had genomen het politievoertuig in de H.F. Tollenstraat zien. Dit is een relatief smalle straat (tweerichtingsverkeer) van ongeveer 3,5 meter breed. Het politievoertuig kwam hem van tegengestelde richting tegemoet. De verdachte wist niet dat dit politievoertuig eraan kwam. De verdachte en het politievoertuig kruisten elkaar vlak na het nemen van de bocht door de verdachte, waarbij de verdachte het politievoertuig aan de zijkant heeft geschampt. Op dit punt zijn aan beide kanten van de weg beperkte uitwijkmogelijkheden door de aanwezigheid van een heg en parkeerplaatsen. Zowel de verdachte als het politievoertuig reden met hoge snelheid. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op zijn boordsnelheidsmeter zag dat zij 70 kilometer per uur reden en de verdachte vermoedelijk met nog hogere snelheid. Uit het voorgaande kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte, die juist probeerde aan de politie te ontkomen, doelgericht heeft geprobeerd in te rijden op het politievoertuig of tegen dat voertuig aan te botsen. Dit maakt dat niet bewezen is dat de verdachte op de verbalisanten is ingereden. Daarmee is dus tevens niet bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd de verbalisanten opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hen daarmee (of met enig misdrijf tegen het leven gericht) te bedreigen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.
2.3.2. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten 2 primair, 3, 4, 5 en 6
Bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijk gevaarlijk rijgedrag (feit 2 primair), het niet meewerken aan een bloedproef (feit 3), tweemaal het verlaten van een plaats van een ongeval (feit 4 en feit 5) en het rijden zonder rijbewijs (feit 6).
De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten 5 en 6 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.[1]
- Verklaring van de verdachte
[2]
- Proces-verbaal van de politie, verklaring van [naam 1]
[3]
- Proces-verbaal van de politie
[4]
- Proces-verbaal van de politie
[5]
De bewezenverklaring van de feiten 2 primair, 3 en 4 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 2 primair
- Verklaring van de verdachte
[6]
Ik ben twee keer over de stoep gereden. Dat was op het Jacob Marisplein en het Mauveplein. Ik heb twee keer geen richting aangegeven.
- Proces-verbaal van de politie
[7]
Op 19 september 2025 kreeg ik een melding ter hoogte van de [adres 2] . Ik zag dat er een grijze Seat Toledo, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , geparkeerd stond. Ik zag dat er op de bestuurdersstoel een man zat die ik ambtshalve herkende als [verdachte] . Ik zag dat de Seat langzaam vooruit, het parkeervak uit, reed. Ik liep hierop terug naar mijn dienstmotorvoertuig en stapte in.Ik gaf middels het transparant aan de voorzijde van mijn dienstmotorvoertuig een stopteken aan de man. Ik zag dat de bestuurder, [verdachte] , geen gevolg gaf aan het gegeven stopteken.
Ik zag dat het voertuig linksaf de Mauvestraat op reed. Ik zag dat er tegemoet een ander, niet betrokken, voertuig ons naderde. Ik zag dat het tegemoetkomende voertuig abrupt uit moest wijken naar rechts om een frontale aanrijding met het betrokken voertuig te voorkomen.
Ik zag dat het betrokken voertuig rechtsaf de Theophile de Bockstraat op reed en vervolgens linksaf het Mauveplein op reed. Ik zag dat het betrokken voertuig vervolgens rechtsaf de Bisschopstraat op reed en wederom rechtsaf sloeg de Breitnerstraat op. Ik zag dat het betrokken voertuig rechtsaf de Jozef Israëlsstraat op reed. Ik zag dat het betrokken voertuig via het Mauveplein, de Louis Apolstraat op reed. Ik zag dat het betrokken voertuig vervolgens linksaf de H.W. Mesdagstraat op reed, linksaf de Willem Marisstraat en vervolgens rechtsaf de Van Hoytemastraat op
Ik zag dat het betrokken voertuig vervolgens linksaf de Jacob Marisstraat op reed. Ik zag dat het betrokken voertuig de kruising met de Brouwersdijk naderde. Ik zag dat het betrokken voertuig wederom op mij uit liep. Ik zag dat mijn eigen boordsnelheidsmeter ongeveer 80 kilometer per uur aan gaf. Ik zag dat het betrokken voertuig zonder af te remmen, ik zag dat de remlichten in ieder geval niet oplichtten, de kruising met de Brouwersdijk over schoot.
Ik zag dat het betrokken voertuig op de P.A. de Genestetstraat reed in de richting van de Krispijnseweg. Ik zag dat het betrokken voertuig via het J.P. Heijeplein linksaf de Krispijnseweg op reed.
Ik zag dat het vrij druk op straat was met voetgangers en spelende kinderen.
Overtredingen achtervolging: - Meerdere snelheidsovertredingen binnen een 30 kilometer zone gebied. Hoogste snelheidsovertreding betrof minimaal 80 kilometer per uur daar waar 30 kilometer per uur was toegestaan op de P.A. de Genestetstraat. - Geen voorrang verlenen aan het kruisende verkeer bord B6 op de kruising Jacob Marisstraat met de Brouwersdijk. - Rijden over het trottoir op de Jacob Marisstraat. - Rijden over het trottoir op het Mauveplein. - Gedurende de gehele achtervolging geen richting aangeven bij het afslaan. - Negeren stopteken.
Feit 3
- Proces-verbaal van de politie
[8]
Op 19 september 2025 te Dordrecht, heb ik, [verbalisant 1] ( [nummer] ), daartoe in de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen ambtenaar, de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8
Wegenverkeerswet 1994, waarbij de verdachte is meegedeeld, dat een weigering een
misdrijf oplevert.
De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. De verdachte verklaarde dat hij niet ging meewerken aan het bloedonderzoek.
Feit 4
- Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 2]
[9]
Plaats delict: Dordrecht
Pleegdatum 19 september 2025
Ik doe aangifte van verlaten plaats ongeval. Iemand heeft schade gereden aan mijn
zwarte Audi. Mijn auto stond op de hoek van de Jozef Israëlsstraat nabij de Breitnerstraat in Dordrecht.
Ik hoorde dat twee buurvrouwen tegen mij zeiden dat de auto die door de politie
werd achtervolgd, tegen mijn auto had aangereden. Ik ben direct bij mijn auto gaan
kijken. Ik zag dat mijn auto beschadigd was aan de linker achterkant.
- Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige]
[10]
Op 19 september 2025 was ik in mijn woning aan de [adres 3] . Ik hoorde politiesirenes en ik zag dat er een auto heel hard door de straat reed.
Ik hoorde dat de jongens aan mij vroegen of ik wist van wie de zwarte Audi op de hoek
was. Ik hoorde dat de jongens tegen mij zeiden dat de auto die achtervolgd werd door de politie, tegen de auto van mijn oude buurjongen was aangereden.
2.3.3. Bewijsmotivering
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft het als feit 2 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Het feit dat de verdachte een stopteken van de politie zou hebben genegeerd, te hard zou hebben gereden en meermalen geen richting zou hebben aangegeven, levert nog niet per definitie ernstig gevaar op dat levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor anderen tot gevolg heeft gehad. Duidelijk zal moeten zijn dat er zich bijvoorbeeld voetgangers op het trottoir bevonden. De verdachte ontkent dat hij niet heeft geremd bij het oversteken van een kruising. Verder blijkt uit het dossier onvoldoende dat er sprake zou zijn geweest van een dergelijke vorm van ernstige gevaarzetting ten aanzien van het voertuig dat de verdachte tegemoet zou zijn gekomen en dat abrupt moest uitwijken om een botsing te voorkomen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit 2, feit 3 en feit 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel rechtbank
Door het verkeersgedrag van de verdachte was levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten. Daarbij is van belang dat de verdachte – op de vlucht voor de politie – veel te hard (ongeveer 80 km/u) door een woonwijk (30-kilometerzone) heeft gereden en verschillende verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Dit alles heeft zich afgespeeld op een zonnige vrijdagmiddag, terwijl veel mensen (waaronder kinderen) op straat waren. De auto van de verdachte is uiteindelijk gecrasht op het trottoir aan het Mauveplein, vlak naast een speeltuin. De verdachte is een paar straten verderop door de politie aangehouden. Hiermee is het onder feit 2 primair ten laste gelegde en feit 4 wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank stelt verder vast dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Ook feit 3 is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
2.3.4. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
feit 2 primairhij op 19 september 2025 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Willem Marisstraat en de Mauvestraat en de Theophile de Bockstraat en het Mauveplein en de Bisschopstraat en de Breitnerstraat en de Jozef Israëlsstraat en de Louis Apolstraat en de H.W. Mesdagstraat en de Van Hoytemastraat en de Jacob Marisstraat en de Brouwersdijk en de P.A. de Genestetstraat en het J.P. Heijeplein en de Krispijnseweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - een stopteken van het transparant van een politievoertuig te negeren en - met snelheden van ongeveer 60 kilometer per uur tot ongeveer 80 kilometer per uur te rijden op wegen waar de maximum toegestane snelheid 30 kilometer per uur was en - met hoge snelheid zodanig te rijden dat een tegemoetkomend voertuig abrupt moest uitwijken om een botsing te voorkomen en - zonder af te remmen met hoge snelheid een voorrangskruising over te rijden en - meermalen over het trottoir te rijden en - meermalen geen richting aan te geven bij het afslaan,door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
feit 3hij op 19 september 2025 te Dordrecht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;
feit 4hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Dordrecht op 19 september 2025 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten G.P. [naam 2] ) schade was toegebracht;
feit 5hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Dordrecht op het Mauveplein,op 19 september 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten [benadeelde partij] ) schade was toegebracht;
feit 6hij op 19 september 2025 te Dordrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Willem Marisstraat en de Mauvestraat en de Theophile de Bockstraat en het Mauveplein en de Bisschopstraat en de Breitnerstraat en de Jozef Israëlsstraat en de Louis Apolstraat en de H.W. Mesdagstraat en de Van Hoytemastraat en de Jacob Marisstraat en de Brouwersdijk en de P.A. de Genestetstraat en het J.P. Heijeplein en de Krispijnseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
3.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 2 primair
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 3
overtreding van artikel 163, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 4
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 5
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 6
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
3.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straffen
4.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 tot en met 5 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest. Voor feit 6 moet aan de verdachte 14 dagen hechtenis worden opgelegd.
4.2. Standpunt van de verdediging
Tot aan de zitting zit de verdachte al 89 dagen in hechtenis. Dat is erg lang gelet op de door de verdediging onder feit 1 volledig verzochte vrijspraak. Voor het onder feit 2 primair ten laste gelegde geldt op grond van de Richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen, gevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaats van een ongeval een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken onvoorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. De andere feiten leiden in beginsel tot geldboetes.
4.3. Oordeel van de rechtbank
4.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft op 19 september 2025, om te voorkomen dat zijn vriendin zou worden opgepakt om een openstaande hechtenis van tien dagen uit zitten, een stopteken van de politie genegeerd en is weggereden voor de politie. In een poging om aan de politie te ontkomen heeft hij welbewust een reeks aan verkeersovertredingen gepleegd waarmee hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in groot gevaar heeft gebracht. Daarbij heeft verdachte met (veel) hogere snelheden gereden dan ter plaatse toegestaan en verantwoord was. Een politieagent heeft de achtervolging zelfs op een gegeven moment gestaakt, omdat hij het risico voor andere weggebruikers te groot vond worden. Tijdens de achtervolging moest een weggebruiker uitwijken om niet met het voertuig van verdachte in botsing te komen, heeft de verdachte schade toegebracht aan verschillende voertuigen waarna hij is doorgereden en is hij meermaals over de stoep gereden. Het is slechts aan de oplettendheid van andere weggebruikers te danken en een kwestie van geluk geweest dat het rijgedrag van verdachte niet tot ernstige ongelukken heeft geleid. Tijdens dit alles was de verdachte ook nog eens niet in het bezit van een rijbewijs en heeft na zijn aanhouding niet meegewerkt aan een bloedonderzoek. De verdachte heeft enige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en een deel van de ten laste gelegde feiten bekend. De verdachte lijkt de ernst van zijn gedragingen niet volledig in te zien. Zo houdt hij vol niet te hard of gevaarlijk te hebben gereden. Dat vindt de rechtbank zorgelijk.
4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder, in 2022, onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Verdachte zit nog in de proeftijd vanwege veroordelingen voor andersoortige strafbare feiten in 2024 en 2025.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte is zzp'er en werkt als dakdekker. Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij een afbetalingsregeling heeft voor zijn schulden.
4.3.3. Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank legt voor de feiten 2 primair, 3, 4 en 5 een gevangenisstraf op van 120 dagen. Van deze gevangenisstraf worden 30 dagen voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Voor wat betreft feit 6 weegt de rechtbank als strafverhogende factor mee dat sprake is van recidive in de afgelopen vijf jaar. De verdachte is namelijk in 2022 onherroepelijk veroordeeld tot betaling van een geldboete wegens het rijden zonder rijbewijs. Anders dan de officier van justitie op de zitting heeft betoogd, is geen sprake van drie keer recidive in 2025. Uit de justitiële documentatie leidt de rechtbank af dat de verdachte in april 2025 weliswaar is gedagvaard voor het rijden zonder rijbewijs, maar niet dat de verdachte daar ook voor is veroordeeld. Op grond van de 'Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen' geldt voor het Openbaar Ministerie als uitgangspunt bij een tweede keer rijden zonder rijbewijs een geldboete van € 550, - en 1 week hechtenis voorwaardelijk. In algemene zin wordt dit uitgangspunt ook door de rechtbank gehanteerd. Gelet op de schuldenproblematiek van de verdachte, zal de rechtbank dat uitgangspunt in deze zaak echter niet volgen en zal geen geldboete opleggen. Ter compensatie legt de rechtbank een hogere voorwaardelijke straf op: te weten 14 dagen voorwaardelijke hechtenis. Deze voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5 Voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen of te schorsen. Na de beraadslaging in raadkamer heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven met ingang van 18 december 2025.
6 Vordering van de benadeelde partij
6.1. Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 5 € 14.618,46 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2. Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag betreft de inkomstenderving (alleen arbeidsloon). Nassy heeft laten weten dat de verzekeraar de dagwaarde van de bus zal uitkeren, zodat hij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
6.3. Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er wordt gesteld dat de bus total loss is verklaard, maar dat blijkt nergens uit. Onduidelijk is welk bedrag de verzekeraar of het waarborgfonds heeft betaald. De gestelde schade in verband met de misgelopen opdrachten is ook niet onderbouwd en roept vragen op. Zo staat bij de factuur '2025-001' vermeld. Het is vreemd dat het de eerste factuur van 2025 zou zijn, als het een reeds langer bestaande onderneming betreft. De daadwerkelijke offertes zijn niet verstrekt. Aangezien de vordering teveel vragen oproept, moet de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
6.4. Oordeel van de rechtbank
6.4.1. Materiële schade
De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij gemotiveerd betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. Een dergelijke nadere behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.4.2. Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 7, 107, 163, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 1 subsidiair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 primair, 3, 4, 5 en 6, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf feiten 2 primair, 3, 4 en 5
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel feiten 2 primair, 3, 4 en 5
bepaalt dat 30 (dertig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorwaardelijke hechtenis feit 6 - veroordeelt de verdachte tot 14 (veertien) dagen hechtenis; - bepaalt dat de 14 (veertien) dagen hechtenis niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partij
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 5);
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 januari 2026.
Mrs. Ketelaar, Van Vliet en Polke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen rijdend in een auto, met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur, in elke geval met hoge snelheid, is ingereden op een politievoertuig waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich bevonden en/of tegen dat politievoertuig is (aan)gebotst,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )subsidiair;hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, doorrijdend in een auto, met een snelheid van ongeveer 70 kilometer per uur, in elke geval met hoge snelheid, in te rijden op een politievoertuig waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich bevonden en/of tegen dat politievoertuig (aan) te botsen( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Willem Marisstraat en/of de Mauvestraat en/of de Theophile de Bockstraat en/of het Mauveplein en/of de Bisschopstraat en/of de Breitnerstraat en/of de Jozef Israelsstraat en/of de Louis Apolstraat en/of de H.W. Mesdagstraat en/of de Van Hoytemastraat en/of de Jacob Marisstraat en/of de Brouwersdijk en/of de P.A. de Genestetstraat en/of het J.P. Heijeplein en/of de Krispijnseweg, zichopzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - een stopteken van het transparant van een politievoertuig te negeren en/of - met snelheden van ongeveer 60 kilometer per uur tot ongeveer 80 kilometer per uur te rijden op wegen waar de maximum toegestane snelheid 30 kilometer per uur was en/of - met hoge snelheid zodanig te rijden dat een tegemoetkomend voertuig abrupt moest uitwijken om een botsing te voorkomen en/of - zonder af te remmen met hoge snelheid een voorrangskruising over te rijden en/of - meermalen over het trottoir te rijden en/of - meermalen geen richting aan te geven bij het afslaan,door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )subsidiair;hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Willem Marisstraat en/of de Mauvestraat en/of de Theophile de Bockstraat en/of het Mauveplein en/of de Bisschopstraat en/of de Breitnerstraat en/of de Jozef Israelsstraat en/of de Louis Apolstraat en/of de H.W. Mesdagstraat en/of de Van Hoytemastraat en/of de Jacob Marisstraat en/of de Brouwersdijk en/of de P.A. de Genestetstraat en/of het J.P. Heijeplein en/of de Krispijnseweg, - een stopteken van het transparant van een politievoertuig heeft genegeerd en/of - met snelheden van ongeveer 60 kilometer per uur tot ongeveer 80 kilometer per uur heeft gereden op wegen waar de maximum toegestane snelheid 30 kilometer per uur was en/of - met hoge snelheid zodanig heeft gereden dat een tegemoetkomend voertuig abrupt moest uitwijken om een botsing te voorkomen en/of - zonder af te remmen met hoge snelheid een voorrangskruising is overgereden en/of - meermalen over het trottoir heeft gereden en/of - meermalen geen richting heeft aangegeven bij het afslaan,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend( art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994 )
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Dordrecht op/aan het Mauveplein,op of omstreeks 19 september 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 2]) letsel en/of schade was toegebracht( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Dordrecht op/aan het Mauveplein,op of omstreeks 19 september 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam 1]) letsel en/of schade was toegebracht( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
hij op of omstreeks 19 september 2025 te Dordrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Willem Marisstraat en/of de Mauvestraat en/of de Theophile de Bockstraat en/of het Mauveplein en/of de Bisschopstraat en/of de Breitnerstraat en/of de Jozef Israelsstraat en/of de Louis Apolstraat en/of de H.W. Mesdagstraat en/of de Van Hoytemastraat en/of de Jacob Marisstraat en/of de Brouwersdijk en/of de P.A. de Genestetstraat en/of het J.P. Heijeplein en/of de Krispijnseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.( art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [proces-verbaalnummer 1].
Verklaard tijdens de zitting van 17 december 2025.
Pagina 66 t/m 68 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
Pagina 106 t/m 108 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
Pagina 31 t/m 46 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
Verklaard tijdens de zitting van 17 december 2025.
Pagina 31 t/m 46 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
Pagina 60 t/m 63 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5].
Pagina 64 en 65 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6].
Pagina 109 en 110 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7]. - - - ## Voetnoten