Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:616 - Rechtbank Rotterdam - 23 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:61623 januari 2026

Uitspraak inhoud

Team Handel en Haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/708973 / HA RK 25-1043
Beschikking van 23 januari 2026
in de zaak van
  1. de besloten vennootschap
[verzoeker 1], 2. de vereniging
[verzoeker 2],
beiden gevestigd te Capelle aan den IJssel,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers], en afzonderlijk: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
advocaat: mr. B. van Mieghem,
tegen

1 [verweerder 1], 2. [verweerder 2],

beiden wonend te Berkel en Rodenrijs,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders]; en afzonderlijk: [verweerder 1] en [verweerder 2],
advocaat: mr. F. Amien.

1 De kern van het geschil

[verzoekers] vermoeden dat sprake is van onrechtmatige concurrentie door [verweerders] en overwegen daarom een bodemprocedure tegen hen te starten. Hiertoe willen [verzoekers] eerst getuigen doen horen en zij verzoeken de rechtbank daarom om een voorlopig getuigenverhoor. [verweerders] betwisten dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en voeren verweer tegen het voorliggende verzoek. De rechtbank wijst het verzoek toe. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 28 augustus 2025, met producties 1 tot en met 10; - het verweerschrift, met producties 1 tot en met 3; - de brieven van de rechtbank van 7 november 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 17 december 2025; - de mondelinge behandeling van 17 december 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Van Mieghem en Amien.

3 De feiten

3.1. [verzoeker 2] is een vereniging voor golfclubs. [verzoeker 1] is een vennootschap verbonden aan [verzoeker 2], ten behoeve van de commerciële activiteiten, waaronder het voeren van de ledenadministratie van golfclubs en de ontwikkeling van software daarvoor, genaamd 'MyGolf'. Aan [verzoeker 2] en [verzoeker 1] is nog een informele vereniging verbonden, [naam vereniging] (hierna: [naam vereniging]).
3.2. [naam 1] (hierna: [naam 1]) is enig bestuurder van [verzoeker 2]. [naam 1], [naam 2] (hierna: [naam 2]) en [verweerder 1] waren bestuurder van [verzoeker 1]. [naam 1] is dat zowel in persoon als indirect via [bedrijf 1] Aandeelhouders in [verzoeker 1] zijn (indirect) [naam 1], [naam 2], [verweerder 1] en [naam 3] (hierna: [naam 3]).
3.3. Op 12 januari 2017 tekenen deze aandeelhouders, als (indirect) aandeelhouders van [verzoeker 1] en vertegenwoordigers van [verzoeker 2], [naam vereniging] en [verzoeker 1] een partnerovereenkomst over onder meer hun onderlinge verhoudingen, baten en verplichtingen, en over de verbondenheid tussen [verzoeker 2], [naam vereniging] en [verzoeker 1].
3.4. [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) houdt 29% van de aandelen in [verzoeker 1]. [verweerder 1] is enig bestuurder van [bedrijf 2]. [verweerder 2] werkte in loondienst van [bedrijf 2].
3.5. [verzoeker 1] heeft de administratie van haarzelf, [naam vereniging] en [verzoeker 2] uitbesteed aan [bedrijf 2]. Dit betreft in ieder geval de financiële administratie en de ledenadministratie. In de daartoe gesloten overeenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen.
3.6. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn levenspartners.
3.7. [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) had haar ledenadministratie ondergebracht bij [verzoeker 2].
3.8. [naam 4] (hierna: [naam 4]) is bestuurder van [bedrijf 3].
3.9. In de loop van 2024 en begin 2025 zijn er tussen enerzijds [naam 1] en jr. en anderzijds [verweerder 1], [naam 3] en [verweerder 2] gesprekken geweest over overname van [verzoeker 1] door [verweerder 1], [verweerder 2] en [naam 3], dan wel het verkrijgen van een grotere participatie in [verzoeker 1]. Daarover is geen overeenstemming bereikt.
3.10. Op 1 juli 2025 heeft [bedrijf 3] de samenwerkingsovereenkomst met [verzoeker 2] opgezegd, formeel per het einde van 2025. [bedrijf 3] heeft [verzoeker 2] daarbij verzocht de gegevens van door haar aan [verzoeker 2] aangeleverde leden aan haar over te dragen, om deze bij een andere organisatie onder te kunnen brengen. De NGF-bijdragen van die leden voor 2025 waren al volledig aan [verzoeker 2] afgedragen. [bedrijf 3] heeft sinds haar opzegging geen nieuwe leden meer laten registreren via de diensten van [verzoeker 2] en [verzoeker 1].
3.11. Op 7 juli 2025 heeft [verweerder 1] het bestuur van [verzoeker 2] geïnformeerd over de opzegging van [bedrijf 3], dat hij de opzegging heeft bevestigd namens het bestuur van [verzoeker 2] en dat het verzoek om de leden over te dragen is ingewilligd. Gelijktijdig heeft [verweerder 1] aangekondigd dat [verweerder 2] per direct stopt met haar werkzaamheden voor [verzoeker 1]/[naam vereniging]/[verzoeker 2] en dat hij die werkzaamheden in eerste instantie zal opvangen.
3.12. Per 1 januari 2025 zijn [verweerder 2] en [naam 4] bestuurder van [naam stichting] (hierna: [naam stichting]).
3.13. [verweerder 2] heeft [bedrijf 4] opgericht, verbonden aan [naam stichting] (hierna: [bedrijf 4]).
3.14. [naam stichting] en [bedrijf 4] beheren tegenwoordig het ledenbestand van [bedrijf 3].
3.15. [verweerder 1] is uitgeschreven als bestuurder van [verzoeker 1]. Daarover en het al dan niet juist handelen van [verweerder 1] als bestuurder van [verzoeker 1] in 2025, worden/zijn verschillende afzonderlijke procedures gevoerd.

4 Het verzoek en het verweer

4.1. Het verzoek van [verzoekers] strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor beveelt. Daartoe stellen [verzoekers], kort samengevat, dat sprake is van een vooropgezet plan van [verweerders] om de ledenadministratie van [bedrijf 3], de grootste klant van [verzoeker 2], niet meer door [verzoeker 2] en [verzoeker 1] te laten beheren maar door [naam stichting] en [bedrijf 4] die door [verweerder 2] en [naam 4] zijn opgericht en worden bestuurd. Dat levert volgens [verzoekers] strijdig handelen met overeengekomen concurrentie - en geheimhoudingsbedingen op. De door die onrechtmatige concurrentie geleden schade overwegen [verzoekers] in een nog aanhangig te maken procedure tegen [verweerder 2], en mogelijk tegen [verweerder 1] en [bedrijf 2], op haar of hen te verhalen.
4.2. Met het voorlopig getuigenverhoor willen [verzoekers] onderzoeken:
4.3. De personen die [verzoekers] willen doen horen zijn:
4.4. [verzoekers] verzoeken de rechtbank voorts om [verweerders] in de kosten van dit geding te veroordelen.
4.5. [verweerders] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. Allereerst, [verzoekers] hebben geen belang bij het onderzoek. [verweerders] vallen namelijk geen verwijt te maken wegens onrechtmatig handelen, omdat [bedrijf 3] de samenwerking met [verzoeker 2] mocht beëindigen. Ten tweede, met het verzoek is sprake van misbruik van bevoegdheid. Er is namelijk sprake van een fishing expedition. [verzoekers] uiten in haar verzoekschrift verschillende aannames en ongefundeerde verdachtmakingen zonder dat er enig bewijs wordt gegeven waaruit die vermoeden voortkomen. Ten derde, het verzoek is in strijd met de goede procesorde. Er lopen inmiddels meerdere procedures over de rechtsgeldigheid van het bestuur en de statutaire positie binnen [verzoeker 2]. [verzoekers] hebben aanhangig gemaakt: een bodemprocedure, een verzoek tot inzage in beslaggenomen stukken en het onderhavige verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor. Het entameren van een voorlopig getuigenverhoor in een parallel traject leidt tot een onaanvaardbare verzwaring van de procespositie van [verweerders] en tot nodeloze kosten, te meer omdat [verzoekers] onjuistheden presenteren alsof deze vaststaan, terwijl die eenvoudig kunnen worden weerlegd door raadpleging van registers en stukken. Ten vierde is sprake van zwaarwichtige bezwaren. Het verzoekschrift is evident gericht op het beschadigen van de persoonlijke reputatie van [verweerders], met insinuaties over geheimhoudingsschendingen en concurrentie zonder enige feitelijke onderbouwing. Ten vijfde, het verzoekschrift maakt niet op voldoende duidelijk wijze kenbaar op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zou hebben. Het blijft bij speculaties. Er wordt niet geconcretiseerd welke feiten bewezen zouden moeten worden die een mogelijk rechtsvordering zouden kunnen dragen. Ten slotte voeren [verweerders] het verweer dat het verzoek ten aanzien van [verzoeker 1] moet worden afgewezen, omdat de door [bedrijf 3] opgezegde overeenkomst met [verzoeker 2] was gesloten, en niet met [verzoeker 1], waardoor [verzoeker 1] geen belang heeft bij het verzoek.
4.6. [verweerders] verzoeken de rechtbank daarbij om [verzoekers] in de kosten van dit geding te veroordelen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de zesde dag nadat [verweerders] [verzoekers] hebben verzocht deze proceskosten te betalen.

5 De beoordeling

Het verzoek is in beginsel toewijsbaar
5.1. Het verzoekschrift voldoet aan de formele vereisten die daaraan worden gesteld in artikel 197 lid 2 en lid 3 sub a Rv. Het verzoekschrift maakt duidelijk kenbaar dat het verzochte getuigenverhoor ziet op het vertrek van [bedrijf 3] als klant van [verzoeker 2], en dat [verweerders] daarbij mogelijk een rol hebben gespeeld vanuit hun functies in en rondom de organisatie van [verzoekers] en dat [verweerder 2] op dit moment een rol speelt bij de nieuwe opdrachtnemers van [bedrijf 3], namelijk [naam stichting] en [bedrijf 4], een en ander terwijl er mogelijk verschillende gronden zijn om [verweerders] aan te spreken wegens onrechtmatig handelen, namelijk wegens strijd met verschillende non-concurrentie - en/of geheimhoudingsbedingen. Daarbij benoemt het verzoekschrift duidelijk de vijf bewijsthema's – vermoedens die [verzoekers] willen proberen te bewijzen – waarover het voorlopig getuigenverhoor moet gaan. Het vijfde verweer van [verweerders] slaagt daarom niet.
5.2. Op grond van artikel 196 Rv kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. De rechter wijst een dergelijk verzoek in beginsel toe, tenzij: - de verlangde informatie onvoldoende bepaald is; - er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; - het verzoek in strijd is met de goede procesorde; - sprake is van misbruik van bevoegdheid; of - er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Het verzoek wordt toegewezen
5.3. De verder door [verweerders] gevoerde verweren slagen niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.
5.4. Het eerste, tweede en vierde verweer van [verweerders] komen allemaal in de kern op hetzelfde neer: [verzoekers] hebben alleen nog vermoedens en kunnen die niet onderbouwen en bewijzen. [verzoekers] ontkennen dat ook niet. [verzoekers] willen met het getuigenverhoor die vermoedens juist proberen te bewijzen. [verzoekers] hebben daarbij vijf duidelijke bewijsthema's kenbaar gemaakt waarop het voorlopig getuigenverhoor moet zien. [verweerders] stellen dat hen niets te verwijten valt en dat [verzoekers] geen vordering jegens hen toekomen. Die vraag ligt echter niet in deze procedure voor. Voor afwijzing van het verzoek zou alleen reden kunnen zijn als volstrekt evident is dat [verzoekers] geen vordering op [verweerders] hebben, maar die situatie doet zich hier niet voor. Of [verzoekers] een vordering toekomen, is namelijk mede afhankelijk van de uitkomsten van het voorlopig getuigenverhoor. Ten aanzien van het eerste verweer merkt de rechtbank nog op dat de (on)rechtmatigheid van de opzegging door [bedrijf 3] losstaat van de vraag welke rol [verweerders] daarbij hebben gespeeld en of dat [verzoekers] een vordering jegens hen oplevert of niet. Het eerste, tweede en vierde verweer van [verweerders] slagen daarom niet.
5.5. Het derde verweer, dat [verzoekers] onnodig veel procedures tegen [verweerders] starten, waardoor sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde, slaagt eveneens niet. [verzoekers] hebben tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht dat de al lopende bodemprocedure alleen ziet op vorderingen wegens het feitelijke vertrek van [bedrijf 3] als klant eerder dan 1 januari 2026. Met onderhavig verzoek willen [verzoekers] onderzoeken of zij ook een bodemprocedure willen starten voor de schade die zij na 1 januari 2026 stellen te hebben geleden door het vertrek van [bedrijf 3] als klant. Dat het verzoek tot inzage in beslaggenomen stukken separaat van onderhavig verzoek dient, heeft mede als achtergrond dat een beslaglegging van stukken, zoals gebruikelijk is, niet wordt aangekondigd. [verweerders] hebben hun derde verweer vervolgens niet nader aangevuld of onderbouwd. De rechtbank ziet, mede gelet op de toelichting van [verzoekers], niet waarom sprake zou zijn van strijd met de goede procesorde.
5.6. Ten aanzien van het zesde verweer van [verweerders] stelt de rechtbank vast dat het klopt dat [bedrijf 3] een overeenkomst had met [verzoeker 2]. Echter, de overeenkomst werd uitgevoerd door [verzoeker 1]. De verweven verhoudingen tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] blijkt daarnaast ook uit de partnerovereenkomst van 12 januari 2017. Zodoende is niet uitgesloten dat [verzoeker 1] wel een belang heeft bij een al dan niet naar aanleiding van dit voorlopig getuigenverhoor te starten bodemprocedure. De rechtbank ziet daarom geen reden het verzoek af te wijzen ten aanzien van [verzoeker 1].
Het oproepen van getuigen door [verzoekers]
5.7. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
Geen proceskostenveroordeling
5.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling (artikel 289 Rv).

6 De beslissing

De rechtbank
6.1. beveelt een voorlopig getuigenverhoor;
6.2. bepaalt dat de hiervoor in 4.3 genoemde getuigen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank te Rotterdam voor een nader te noemen rechter, op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum en tijdstip;
6.3. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op
23 januari 2026.3718/2819