Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:611 - Rechtbank Rotterdam - 14 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:61114 januari 2026

Uitspraak inhoud

Wrakingskamer
zaaknummer: 710653 HA RK 25-1157
Beslissing van 14 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te Rotterdam,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. E. Tamas,
strekkende tot de wraking van
mr. Th. Veling,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

1.1. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer C/10/709850 KG ZA 25-1115. Die zaak betreft een kort geding tussen Stichting Woonstad Rotterdam als eisende partij en onder anderen verzoeker als gedaagde. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.3. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verschenen:

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1. Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.2. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede "zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn" betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. Verzoeker baseert zijn wrakingsverzoek namelijk op een mededeling die bij brief van 11 november 2025 (met als onderwerp 'datumbepaling kort geding') is gedaan, waarin staat: " In verband met de spoedeisendheid is bij deze datumbepaling aan de verhinderdata van gedaagde voorbij gegaan". Volgens verzoeker heeft de rechter met dat bericht niet alleen een processuele beslissing genomen, maar ook, zonder wederhoor, een inhoudelijke beslissing over het spoedeisend belang van eisende partij. Verzoeker heeft in het digitale dossier op 11 november 2025 kennisgenomen van de inhoud van die brief. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gegrond, waren verzoeker dus al op 11 november 2025 bekend, maar het wrakingsverzoek is bijna twee weken later, pas op de zitting van 24 november 2025 gedaan. Dit is niet 'zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden'. Het verzoek is dus te laat gedaan.
2.3. Verzoeker heeft op de zitting van de wrakingskamer toegelicht dat hij het verzoek niet eerder heeft ingediend omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat een wrakingsverzoek pas voor het eerst op de zitting kan worden gedaan. Het wrakingsverzoek kan echter gedurende de gehele periode dat de zaak bij de rechter in behandeling is, worden gedaan zolang in de hoofdzaak nog geen aanvang is gemaakt met het doen van de einduitspraak (zie artikel 2.5 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Rotterdam). Het is dus niet zo dat een wrakingsverzoek pas op zitting kan worden gedaan. Verzoeker heeft geen verschoonbare reden gegeven voor het te laat indienen van het wrakingsverzoek.
2.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard in het wrakingsverzoek.

3 De beslissing

De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. Th. Veling.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. C. Sikkel en mr. W.J. de Veld, rechters,in tegenwoordigheid van mr. D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.