Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:566 - Rechtbank Rotterdam - 20 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:566•20 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10032
en
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
Procesverloop
2.1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres en mr. P. van der Voorn en mr. K. Verbeek namens de minister.
2.5. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend.
2.6. De minister heeft een nader stuk ingediend.
2.7. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de rechtbank het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en wettelijk kader
- Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt voor ieder niet verzekerd jaar een korting van 2% toegepast. Hierdoor heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen, aangezien zij toen geen ingezetenen waren.
[1] Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid van 25 november 1975 onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden.
Op grond van artikel 2 van het Tijdelijk besluit "wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiekbestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.".
Als aan de voorwaarden van artikel 3 wordt voldaan, heeft de belanghebbende op grond van artikel 4 van het Tijdelijk besluit recht op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.
- In artikel 3 van het Tijdelijk besluit is bepaald dat een persoon recht heeft op een eenmalig bedrag, indien deze:
a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
Bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit
- De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en vragen gesteld over de bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit. Op grond van artikel 11 van het Tijdelijk besluit kan de minister de voorzitter van de Raad van bestuur van de SVB mandaat verlenen betreffende de in dit besluit toegekende bevoegdheden. Dat is uitgewerkt in de Mandaat - volmacht - en machtigingsregeling Uitvoering Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst.
[2] In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van die regeling is, kort gezegd, bepaald dat de voorzitter van de Raad van bestuur in mandaat mag beslissen over bezwaarschriften voor zover het primaire besluit niet door hem in mandaat is genomen. De minister heeft (samengevat) geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met die bepaling omdat het bestreden besluit (namens de voorzitter, dus in ondermandaat) in overeenstemming met het Organisatie-, volmacht - en mandaatbesluit Raad van bestuur Sociale verzekeringsbank 2023 is genomen door een andere medewerker met een andere rol en andere bevoegdheden dan de medewerker die (namens de voorzitter) op de aanvraag heeft beslist. De rechtbank acht dit in overeenstemming met artikel 10:3 van de Awb en ziet voldoende onderbouwing voor de juridische juistheid van deze mandaatconstructie in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2005[3] en van 24 september 2009[4] , zodat dit standpunt wordt gevolgd.
De kern van het geschil
- Eiseres is op [geboortedatum] 1957 geboren in Suriname. Zij is op 27 mei 1974 in Nederland komen wonen en was toen 17 jaar oud. Feitelijk voldoet zij dus niet aan de in artikel 3, aanhef en onder c, van het Tijdelijk besluit opgenomen voorwaarde dat zij ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het moment dat zij in Nederland ging wonen. De beroepsgronden van eiseres komen erop neer dat zij van mening is dat zij voor de toepassing van het Tijdelijk besluit moet worden aangemerkt als meerderjarig op het moment dat zij arriveerde in Nederland, omdat zij op dat moment getrouwd was en moeder van een dochter, en dat zij daarmee materieel voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van het Tijdelijk besluit en gelijkgesteld moet worden met iemand die de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Exceptieve toetsing
- Op grond van vaste rechtspraak
[5] kan het toegepaste algemeen verbindende voorschrift (niet zijnde een wet in formele zin) als grondslag van het concrete bestreden besluit door de bestuursrechter worden getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Die toetsing wordt exceptieve toetsing genoemd. Een bijzondere situatie hierbij is die waarin het probleem niet is gelegen in iets wat is geregeld in het algemeen verbindende voorschrift, maar in de vaststelling dat daarin iets niet is geregeld.[6] De beroepsgronden worden opgevat als een beroep op exceptieve toetsing.
8.1. Uit de Nota van toelichting[7] bij het Tijdelijk besluit blijkt dat ervoor is gekozen om het eenmalige bedrag toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. Met het leeftijdscriterium van 18 jaar of ouder wordt tot uitdrukking gebracht dat de verhuizing naar Nederland een bewuste keuze moet zijn geweest. Vermeld is dat bij deze leeftijd ervan kan worden uitgegaan dat iemand een bewuste keuze heeft gemaakt om naar Nederland te verhuizen of in Suriname te blijven wonen. Naar hedendaags begrip is iemand vanaf de leeftijd van 18 jaar immers meerderjarig. Verder is opgenomen dat deze leeftijd aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst, waarin expliciet is geregeld dat iemand op 18-jarige leeftijd meerderjarig is en zelfstandig de keuze voor Nederland of Suriname kon maken. In het commissiedebat van 29 juni 2023 is nog toegelicht dat niet wordt gekozen voor de indertijd geldende leeftijd voor meerderjarigheid van 21 jaar, maar voor de leeftijd van 18 jaar, omdat men dan, naar actuele maatstaven, handelingsbevoegd (bedoeld zal zijn: handelingsbekwaam) is en zelf keuzes kan maken.[8]
8.2. Aan het Tijdelijk besluit ligt een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag en de rechtbank is van oordeel dat de gekozen leeftijdsgrens op zichzelf en in beginsel de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank acht de in het Tijdelijk besluit gemaakte keuze voor de leeftijdsgrens van 18 jaar inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. Inherent aan een afbakening door het stellen van een leeftijdsgrens is dat een groep mensen die wel de bewuste keuze hebben gemaakt om naar Nederland te verhuizen, maar die (net) niet aan het leeftijdsvereiste voldoen, geen gebaar van erkenning krijgen.
8.3. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat onverkorte toepassing van de leeftijdsgrens in haar geval onevenredig uitvalt, evenwel gewezen op artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek. Ten tijde van de komst van eiseres naar Nederland luidde artikel 233 van het Burgerlijk Wetboek (oud) als volgt: "Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van een en twintig jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest."[9] Eiseres is op 28 juli 1973 gehuwd. Hieruit volgt dat eiseres op het moment dat zij in Nederland kwam wonen voor de Nederlandse wet meerderjarig was en dus handelingsbekwaam. Voor de groep personen van Surinaamse herkomst die bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar, maar gehuwd waren en daardoor volgens de Nederlandse wet meerderjarig waren, is niets geregeld in het Tijdelijk besluit. Uit de hiervoor genoemde Nota van toelichting of het verslag van het commissiedebat blijkt ook niet dat bij deze groep is stilgestaan. Deze groep personen is dus, naar het de rechtbank voorkomt, bij de totstandkoming van het Tijdelijk besluit over het hoofd gezien.
8.4. Gelet op de bedoeling van de leeftijdsgrens van 18 jaar – namelijk aansluiting zoeken bij het moment waarop een persoon wettelijk handelingsbekwaam is geworden, wat indertijd ook voor jonggehuwden gold – en de omstandigheid dat in de Nota van toelichting een verwijzing naar de Toescheidingsovereenkomst is opgenomen, waarbij de rechtbank van belang acht dat in artikel 1, eerste lid, daarvan niet alleen is bepaald dat zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt meerderjarig zijn in de zin van deze Overeenkomst maar ook zij die vroeger in het huwelijk zijn getreden, leidt de toepassing van artikel 3, aanhef en onder c, van het Tijdelijk besluit naar het oordeel van de rechtbank[10] voor deze groep gehuwden daarom tot een uitkomst die onevenredig is in verhouding tot het doel van het Tijdelijk besluit. De leeftijdsvoorwaarde moet daarom voor de groep gehuwden jonger dan 18 jaar – en daarmee ook voor eiseres – vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing blijven. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat dit niet wezenlijk afdoet aan de uitvoerbaarheid van het Tijdelijk besluit, aangezien gehuwd zijn doorgaans eenvoudig valt vast te stellen.
Conclusie en gevolgen
9.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het besluit van 2 augustus 2024. De rechtbank kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepaalt dat eiseres recht heeft op een eenmalig bedrag van € 5.000,-.
9.2. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 25 september 2024; - herroept het besluit van 2 augustus 2024; - bepaalt dat eiseres recht heeft op een eenmalig bedrag van € 5.000, - en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51, - aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1965.
Stcrt. 2024, nr. 21159.
ECLI:NL:RVS:2005:AU2635, rechtsoverweging 2.4.2.
ECLI:NL:RVS:2009:BI4002, rechtsoverwegingen 2.2. en 2.2.1.
Uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, en van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, r.o. 4.9.
R.o. 6.8 van de genoemde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Staatsblad 2023, 386, pagina 8 en 9.
Kamerstukken II, 2022–2023, 20 361, nr. 220, pagina 27, 28, 31 en 41.
Staatsblad 1969, 257.
Welk oordeel aansluit op dat van de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4763. - - - ## Voetnoten