Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:52 - Rechtbank Rotterdam - 8 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:528 januari 2026

Uitspraak inhoud

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/693513 / FA RK 25-720
Beschikking van 8 januari 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling)
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] ; geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Het verzoek is gecombineerd behandeld met het bij de rechtbank op 1 december 2025 ingekomen verzoek van de raad met betrekking tot de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/ 711001/JE RK 25-2485 In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: De GI) is – hoewel deugdelijk opgeroepen – niet verschenen.

2 De beoordeling

2.1. Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.2. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de man zich kan vinden in het advies van de raad om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen niet te veranderen en bij de vrouw te laten. Hij stelt dat hij dit alleen wenste indien de kinderen niet bij de moeder kunnen blijven wonen, hetgeen thans niet aan de orde is.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man dit verzoek niet langer handhaaft en zal het verzoek van de man op dit punt afwijzen.
2.3. Thans dient nog te worden beslist op het verzoek (alsmede het gewijzigde verzoek) van de man een zorgregeling vast te stellen waarbij:
2.4. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er bij beide partijen een positieve lijn wordt gezien. De vrouw heeft profijt van de inmiddels ingezette intensieve hulpverlening en werkt hieraan mee. Ook bij de man is sprake van een positieve ontwikkeling. Partijen hebben geen ruzie en er is ook communicatie tussen partijen. De man is betrokken en hij is bereid om zich in te spannen waar nodig om de vrouw te kunnen ontlasten. Deze positieve lijn is echter nog pril en kwetsbaar. Nog niet alle zorgen over de opvoedomgeving van de minderjarigen zijn weggenomen en de opvoeding van de minderjarigen (die alle drie eigen kindproblematiek hebben) is daarbij voor de ouders zwaarder dan normaal. Bij afzonderlijke beschikking zijn de minderjarigen dan ook onder toezicht gesteld van de GI.
2.5. Voor wat betreft de zorgregeling stelt de vrouw dat zij zich kan voorstellen dat de man alle drie de minderjarigen één weekend in de twee weken bij zich wil hebben, maar dat wil zij ook graag. De vrouw stelt dat zij enorm profijt heeft van de intensieve hulpverlening en dat de rust in huis enigszins is teruggekeerd. Daarom wil ook zij graag de minderjarigen een weekend in de twee weken bij zich hebben. De vrouw verzet zich niet tegen het verdelen van de vakanties en feestdagen.
2.6. Met partijen is op de zitting afgesproken dat de weekendregeling zal zijn dat de minderjarigen één weekend per twee weken bij de man verblijven en één weekend per twee weken bij de vrouw verblijven. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij, mocht het zo zijn dat de zorg voor alle drie de minderjarigen haar (op momenten te veel wordt) zij eventueel via de gezinsvoogd de man zal benaderen met de vraag of hij enige zorg voor haar wil overnemen. De man heeft verklaard dat hij daar in principe altijd toe bereid zal zijn.
2.7. De rechtbank is – met de raad – van oordeel dat de door partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarigen is en de rechtbank zal deze afspraak tussen partijen dan ook vastleggen zoals hierna omschreven.
2.8. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:
3.1. neemt op de onderlinge regeling die partijen over de minderjarigen hebben getroffen, te weten:
3.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4. wijst af het meer of anders verzochte.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.