Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:486 - Rechtbank Rotterdam - 16 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:48616 januari 2026

Uitspraak inhoud

Rechtbank Rotterdam
    Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-099106-23
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Datum zitting: 16 december 2025 en 16 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.M. Koers
Officier van justitie: mr. B.J.G. Leeuw
Kern van het vonnis
De verdachte wordt schuldig bevonden aan handel in wapens en munitie. Gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden op met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van de maximale duur van 240 uren.

1 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – medepleger is van het verhandelen van wapens en munitie in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 17 mei 2023.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
primair
in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot en met 17 mei 2023 te Rotterdam, althans in de Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III van de Wet wapens en munitie en/of één of meer stuk(s) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer (omgebouwd) (gas/alarm) revolver(s) en/of één of meer pisto(o)l(en), en/of (daarbij) één of meer (voor die vuurwapens geschikte) munitie, te weten kogelpatronen; zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt;
subsidiair
    in of omstreeks de periode van 1 augustus 2019 tot en met 17 mei 2023 te Rotterdam, althans in de Nederland, meermalen althans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van een door zijn, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt, één of meer wapen(s), als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie en/of één of meer stuk(s) munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer (omgebouwde) (gas/alarm) revolver(s) en/of één of meer pisto(o)l(en) en/of (daarbij) één of meer (voor die vuurwapens geschikte) munitie, te weten kogelpatronen, - met één of meer perso(o)n(en) afspraken heeft gemaakt en/of berichten heeft verzonden over de aankoop en/of verkoop en/of beschikbaarheid en/of vraagprijs en/of functie van bovengenoemde wapens en/of onderdelen van deze wapens en/of munitie, en/of - afbeeldingen en/of filmmateriaal van deze vuurwapens en/of onderdelen en/of munitie naar één of meer personen heeft verzonden en/of doorgestuurd en/of - één of meer van bovengenoemde wapen(s) heeft aangeboden in (een) (Snap)chatgroep(en) en/of - één of meer van bovengenoemde wapen(s) en/of munitie('s) heeft (laten) demonteren en/of wijzigenterwijl hij en/of zijn mededader(s) daar een beroep en/of gewoonte van heeft/hebben gemaakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

2.1. Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de officier van justitie voor de pleegperiode september tot en met december 2020 niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het ne bis in idem-beginsel. De verdachte is eerder veroordeeld voor het voorhanden hebben van wapens in de periode september tot en met december 2020.
2.2. Oordeel van de rechtbank
Van schending van het ne bis in idem-beginsel is geen sprake. De verdachte wordt namelijk nu niet voor hetzelfde feit vervolgd. De verdachte is in 2022 veroordeeld voor vuurwapenbezit op grond van artikel 26 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). In deze zaak wordt de verdachte beschuldigd van het (bedrijfsmatig) verhandelen van wapens en munitie op grond van artikel 9 WWM, hetgeen een ander feit betreft.
Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3 Bewijs

3.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primaire feit.
3.2. Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount [accountnaam 1] en het Telegramaccount [accountnaam 2]. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat het gaat om echte wapens als bedoeld in de WWM en dat er sprake is van bedrijfsmatig handelen. Ook het bestanddeel 'zonder erkenning' kan niet bewezen worden verklaard. Tot slot is er geen sprake van medeplegen.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het verhandelen van wapens en munitie als bedoeld in de WWM. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de in bijlage 1 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen[1] en de onderstaande bewijsmotivering.
3.3.2. Bewijsmotivering
Identificatie gebruiker ' [accountnaam 3] [accountnaam 1] ' en ' [accountnaam 2] '
Uit de bewijsmiddelen volgt dat met het Snapchataccount ' [accountnaam 3] [accountnaam 1] ' en het Telegramaccount ' [accountnaam 2] ' gesprekken zijn gevoerd over wapens en munitie. De vraag is of de verdachte de gebruiker is geweest van die accounts.
De verdachte heeft verklaard dat het Snapchataccount ' [accountnaam 3] ' van hem was. Hoewel hij heeft verklaard niets van ' [accountnaam 1] ' af te weten, blijkt uit het onderzoek dat ' [accountnaam 1] ' als gebruikersnaam is gekoppeld aan het Snapchataccount van de verdachte met de naam ' [accountnaam 3] '.Daarnaast is gebleken dat ' [accountnaam 1] ' in een chatgesprek de telefoonnummers [gsm-nummer 1] en [gsm-nummer 2] heeft gedeeld met' [accountnaam 4] '. Het telefoonnummer eindigend op 807 was gekoppeld aan een bij de verdachte in 2019 inbeslaggenomen telefoon. Het telefoonnummer eindigend op 207 – op één afwijkend nummer na – is door de verdachte tijdens een politieverhoor doorgegeven als het nummer waarop hij te bereiken was. Een maand nadat de verdachte deze telefoon van de politie terug had gekregen, is het chatgesprek gestart met ' [accountnaam 4] '. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruiker was van het Snapchataccount ' [accountnaam 1] ' en met dit account de gesprekken heeft gevoerd met ' [accountnaam 4] '.
Verder is uit onderzoek gebleken dat het Telegramaccount ' [accountnaam 2] ' is gekoppeld aan de telefoon van de verdachte. De verdachte heeft hierop bij de politie verklaard dat dit dan het Telegramaccount is geweest dat hij heeft aangemaakt. Door de gebruiker van het Telegramaccount ' [accountnaam 2] ' is het Snapchataccount ' [accountnaam 3] ' – waarvan de verdachte heeft verklaard dat dit zijn Snapchataccount is – met een andere gebruiker gedeeld zodat er via Snapchat verder contact kon worden gehouden over een overdracht van kogelpatronen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook de gebruiker was van het Telegramaccount ' [accountnaam 2] ' en belastende gesprekken heeft gevoerd met dit account.
Echte wapens
Er is door een wapenexpert onderzoek gedaan naar een aantal afbeeldingen die in de chatberichten over wapens en munitie van ' [accountnaam 1] ' en ' [accountnaam 2] ' zijn aangetroffen. Op 2 februari 2022 heeft de verdachte via Snapchat naar ' [accountnaam 4] ' een aantal foto's gestuurd waarop wapens en munitie zichtbaar zijn. Door de verbalisant is geconstateerd dat deze gas/alarmrevolvers zijn van het merk Bruni model Olympic en dat dit een vuurwapen is als genoemd in artikel 26, eerste lid, WWM. Ook heeft de verbalisant kogelpatronen van het merk Geco op de gestuurde foto's herkend. Dit betreffen scherpe kogelpatronen die geschikt zijn om met een gas/alarmrevolver afgeschoten te worden. Ook uit de aard en inhoud van de overige chatberichten kan worden afgeleid dat het gaat om wapens en munitie als bedoeld in de WWM. In meerdere chatberichten van ' [accountnaam 1] ' en ' [accountnaam 2] ' worden afbeeldingen verstuurd waarop wapens en munitie zichtbaar zijn en wordt tegelijkertijd gesproken over het aanbieden en verkopen van onder andere revolvers ('spinners') en kogelpatronen ('ballas').
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de wapens en munitie in de door de verdachte gevoerde gesprekken wapens en munitie als bedoeld in de WWM betreffen.
Handelen in de uitoefening van een bedrijf
Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte over een periode van ruim drie jaren gesprekken heeft gevoerd met betrekking tot het verhandelen van wapens en munitie.
De rechtbank gaat hierbij weliswaar uit van de gehele tenlastegelegde periode, maar feitelijk gezien is de verdachte steeds zeer korte periodes daadwerkelijk actief geweest. De verdachte heeft wapens en munitie te koop aangeboden, onderhandeld over de prijzen en heeft afspraken gemaakt over de levering. Er was daarbij sprake van een verdienmodel met vraag en aanbod. Op verschillende momenten heeft de verdachte via het Telegramaccount ' [accountnaam 2] ' bij anderen navraag gedaan of zij beschikten over wapens en munitie en welke prijs zij daarvoor vroegen. Vervolgens heeft de verdachte met zijn Snapchataccount ' [accountnaam 1] ' op gezette momenten de wapens en munitie te koop aangeboden.
Het handelen van de verdachte en zijn vuurwapenhandel gerelateerde uitlatingen in de chatgesprekken wijzen op het verhandelen van illegale wapens en/of munitie. Geïnteresseerden wisten hem te vinden en andersom. Deze handelwijze maakt dat sprake was van handel in commerciële zin zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWM. Daarmee heeft de verdachte wapens en munitie in de uitoefening van een bedrijf verhandeld.
Het verweer ten aanzien van het verhandelen 'zonder erkenning' is door de verdediging onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt, zodat dit verweer wordt verworpen.
Medeplegen
Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte via Snapchat intensief contact had met het account ' [accountnaam 4] '. Gedurende een lange periode voerden zij gesprekken over de aankoop en verkoop van onder meer gas/alarmrevolvers en patronen/kogels. In dit verband heeft de verdachte ook een video gedeeld met ' [accountnaam 4] ' waarin in totaal tien revolvers zichtbaar zijn.
Op basis van het voorgaande en de overige bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 mei 2023 schuldig heeft gemaakt aan het verhandelen van wapens en munitie.
3.3.3. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
primair
in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 16 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland meermalen tezamen en in vereniging met een ander wapens, als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III van de Wet wapens en munitie en meer stuks munitie in de zin van artikel 1, lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten omgebouwde gas/alarm revolvers en pistolen, en voor die vuurwapens geschikte munitie, te weten kogelpatronen; zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1. Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
primair
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot wapens en munitie van categorie III.
4.2. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straffen

5.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het medeplegen van wapenhandel worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest. Hierbij wordt rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.
5.2. Standpunt van de verdediging
Verzocht is om de verdachte – bij een bewezenverklaring – geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Een taakstraf zou meer op zijn plaats zijn. Ook is verzocht om in strafverminderende zin rekening te houden met het tijdsverloop en schending van de redelijke termijn.
5.3. Oordeel van de rechtbank
5.3.1. Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft over een periode van ruim drie jaren samen met een ander in wapens en munitie gehandeld en diverse gesprekken gevoerd over de verkoop en levering van vuurwapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt bovendien tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Om deze reden is de handel in wapens en munitie streng gereguleerd. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de gevolgen die vuurwapenbezit en munitie (en het mogelijk gebruik) met zich brengen.
5.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting toegelicht dat hij inmiddels een stabiel leven leidt en aan zijn toekomst werkt. Hij heeft in het kader van zijn veroordeling in 2022 reclasseringstoezicht gehad en veel gesprekken met psychologen gevoerd. Deze trajecten heeft de verdachte goed doorlopen. Sindsdien is hij niet meer met politie of justitie in aanraking geweest en heeft hij zijn schulden afbetaald. Momenteel heeft hij een vaste baan, een eigen woning en investeert hij in zijn eigen onderneming waarmee hij een muziekstudio verhuurt.
5.3.3. Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 14 juni 2023, omdat de verdachte toen is aangehouden. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en zeven maanden verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, geldt de redelijke termijn van twee jaar in deze zaak. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Deze schending van de redelijke termijn heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
5.3.4. Oplegging straffen
De aard en ernst van het strafbare feit rechtvaardigen in beginsel geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. In deze specifieke zaak vindt de rechtbank een dergelijke straf echter niet passend.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de bijzondere omstandigheden van deze zaak en met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals op de zitting door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht. De verdachte heeft voor het bewezenverklaarde feit niet in voorlopige hechtenis gezeten en de zaak heeft lang op de plank gelegen. De redelijke termijn is overschreden en artikel 63 Wetboek van Strafrecht is aan de orde vanwege een eerdere veroordeling in 2022. Na deze veroordeling heeft het leven van de verdachte een positieve wending genomen. Hij heeft een vaste baan, een eigen onderneming en is sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. De rechtbank vindt het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze positieve lijn wordt doorgetrokken. Een nieuwe vrijheidsbeneming zou deze positieve ontwikkelingen kunnen doorkruisen.
Daarom zal de rechtbank de maximale taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Deze voorwaardelijke straf heeft mede als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

6 Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7 Beslissingen

De rechtbank:
Voorvraag
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Voorwaardelijke gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van120 (honderdtwintig) dagen.

8 Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en N. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 januari 2026.
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eind proces-verbaal [naam proces-verbaal] . - - - ## Voetnoten
De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eind proces-verbaal [naam proces-verbaal] .