Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:397 - Rechtbank Rotterdam - 14 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2026:397•14 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9414
(gemachtigde: mr. D.C.A. van Wessel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Procesverloop
- Op 6 februari 2024 heeft verzoekster het UWV verzocht om vergoeding van door haar geleden schade.
1.1. Op 20 september 2024 heeft het UWV het verzoek afgewezen.
1.2. Op heeft verzoekster een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.
1.3. Het UWV heeft op het verzoekschrift gereageerd.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
1.5. Op 13 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om de gemachtigde van verzoekster in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen.
1.6. Partijen hebben vervolgens nadere stukken overgelegd.
1.7. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Awb is een onderzoek ter nadere zitting achterwege gebleven en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
- Met het besluit van 27 november 2023 heeft het UWV bepaald dat de werkgever van verzoekster niet voldoende heeft gedaan aan haar re-integratie en dat de werkgever het loon daarom langer zou moeten doorbetalen. De werkgever had dan voor het einde van de wachttijd moeten worden geïnformeerd. Omdat dit niet is gebeurd kon de loondoorbetalingsverplichting niet meer worden verlengd. Daarnaast werd met dit besluit de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 26 oktober 2023 afgewezen.
2.1. Op 6 februari 2024 heeft verzoekster het UWV verzocht om vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het besluit van 27 november 2023. Met het besluit van 20 september 2024 heeft het UWV het verzoek afgewezen. Het UWV heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoekster de gestelde schade niet heeft onderbouwd met specificaties, dat zij ten onrechte is uitgegaan van bruto bedragen en dat door de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) die verzoekster vanaf 1 april 2024 krijgt geen schade resteert die voor vergoeding in aanmerking komt.
Wettelijk kader
- Op grond van artikel 8:88, eerste lid onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
3.1. Artikel 8:90, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.
3.2. Artikel 8:90, tweede lid, van de Awb bepaalt dat ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt de vraag of het UWV het verzoek van verzoekster om schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de gronden van verzoekster.
4.1. Voor de beantwoording van de vraag of het UWV gehouden is tot de betaling van schadevergoeding moet volgens vaste rechtspraak aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids - en schadevergoedingsrecht.[1] Voor toekenning van schadevergoeding is gelet op de regeling van het aansprakelijkheids - en schadevergoedingsrecht in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de ter zake door de civiele rechter gevormde jurisprudentie grond indien, (a) sprake is van een daad van de overheid die (b) onrechtmatig is, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm, (c) waarbij de onrechtmatige daad de overheid is toe te rekenen. Voorts dient (d) de geschonden norm ertoe te strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste), dient er (e) schade te zijn en moet (f) voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.
4.2. Als uitgangspunt geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dit brengt met zich mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.[2]
4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een toerekenbare onrechtmatige overheidsdaad en dat er een norm is geschonden die ertoe strekt de belangen van verzoekster te beschermen. Tussen partijen staat vast dat het UWV een loondoorbetalingsverplichting aan de werkgever van verzoekster had moeten opleggen en dat dit ten tijde van het besluit van 27 november 2023 niet meer mogelijk was, omdat het UWV de werkgever hierover niet voor het einde van de wachttijd heeft geïnformeerd. Het gaat in deze zaak om de vraag of verzoekster schade heeft geleden en om de onderbouwing van deze schade.
4.4. De hoofdregel over doorbetaling van het loon tijdens ziekte is te vinden in artikel 7:629, eerste lid, van het BW. Op grond van dit artikel is de werkgever verplicht in de eerste twee ziektejaren 70% van het loon door te betalen, voor zover dat loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen is vastgesteld. Als het UWV rechtmatig had gehandeld en wel een loonsanctie had opgelegd, dan was deze verplichting voor (ten hoogste) een jaar verlengd op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. In deze procedure loopt de beoordelingsperiode van 26 oktober 2023 tot en met 25 oktober 2024.
4.5. Op de zitting is gebleken dat de werkgever van verzoekster haar loon heeft doorbetaald tot en met maart 2024. Bij de beoordeling of verzoekster schade heeft geleden moet daarom worden uitgegaan van de periode van 1 april 2024 tot en met 25 oktober 2024. Verzoekster heeft immers over de periode van 26 oktober 2023 tot en met 31 maart 2024 geen schade geleden.
4.6. Verzoekster stelt in beroep dat zij in de situatie van een uitkering geen pensioen opbouwt, dat zij daarom schade heeft geleden en dat het UWV hier ten onrechte geen rekening mee houdt. Verder stelt zij dat zij loonschade heeft geleden omdat de WWuitkering lager is dan het doorbetaalde deel van haar loon tijdens ziekte. Ook heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij een dertiende maand is misgelopen als gevolg van het niet-opleggen van de loonsanctie.
Pensioenschade
- Voor zover verzoekster stelt pensioenschade te hebben geleden, oordeelt de rechtbank als volgt. Verzoekster heeft haar schade niet onderbouwd met een rapport van een actuaris en slechts in beroep de pensioenoverzichten over 2023, 2024 en 2025 overgelegd. Hieruit volgt echter niet wat de gevolgen van niet-ingelegde premies in de periode van april 2024 tot en met 25 oktober 2024 zijn voor haar ouderdomspensioen in de toekomst. De gestelde pensioenschade is daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Loonschade
5.1. Verzoekster heeft in beroep na heropening van het onderzoek, op verzoek van de rechtbank, loonstroken en (meer) WW-specificaties overgelegd. Op grond van deze stukken stelt de rechtbank vast dat de WW-uitkering die verzoekster ontving lager is dan het gemiddelde loon dat zij ontving in de periode van november 2023 tot en met maart 2024 en zou hebben ontvangen als een loonsanctie was opgelegd. Verzoekster heeft dus schade geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
5.2. Het gemiddelde nettoloon van verzoekster in de periode van november 2023 tot en met maart 2024 bedraagt € 2.900,27. Dit bedrag wordt gebruikt als uitgangspunt voor de berekening. De rechtbank stelt de loonschade als volgt vast:
Gelet op het voorgaande dient verweerder een bedrag van (netto) € 5.610,33 aan geleden schade aan verzoekster te vergoeden.
5.3. Dat verzoekster jaarlijks een dertiende maand ontving, is door haar verder niet onderbouwd. Wel volgt uit de door verzoekster overgelegde stukken dat zij een bonus kreeg. Deze bonus heeft zij ontvangen in oktober 2023. Voor zover zij voor de onderhavige periode nog recht zou hebben op een pro-rato bonus is dit door haar verder niet onderbouwd. Dit deel van het verzoek wordt afgewezen.
Transitievergoeding
5.4. In reactie op de door verzoekster overgelegde loonstroken en WWbetaalspecificaties heeft verweerder gesteld dat verzoekster in april 2024 een transitievergoeding heeft ontvangen, die zij niet zou hebben ontvangen als haar dienstverband had voortgeduurd. Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld te stellen dat na verrekening van voordeel, te weten de transitievergoeding, geen sprake is van schade volgt de rechtbank verweerder hierin niet. Als dezelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade ook voordeel heeft opgeleverd, dan moet dit voordeel, op grond van artikel 6:100 van het BW, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Verzoekster moet immers zoveel mogelijk in de financiële situatie komen zoals die zou zijn als het schadeveroorzakende feit (de afwezigheid van een loonsanctie) niet zou hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden gezegd dat de transitievergoeding voortkomt uit dezelfde gebeurtenis waardoor verzoekster schade heeft geleden. Daar waar de door verzoekster geleden schade het gevolg is van het ten onrechte niet-opleggen van een loonsanctie aan de werkgever, is de verkregen transitievergoeding het gevolg van de wil van de werkgever en verzoekster het dienstverband te beëindigen en hieraan een geldbedrag te verbinden. Nu dit twee aparte gebeurtenissen zijn die niet rechtstreeks tot elkaar in causaal verband staan, is van verrekening van verkregen voordeel als bedoeld in artikel 6:100 van het BW geen sprake.
Conclusie en gevolgen
- De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe. Het UWV moet een bedrag van € 5.610,33 aan verzoekster betalen. Verzoekster krijgt echter het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. De reden hiervoor is dat de stukken op grond waarvan de rechtbank een bedrag aan loonschade heeft kunnen vaststellen eerst na heropening van het onderzoek, op verzoek van de rechtbank, door verzoekster zijn overgelegd. Op grond van artikel 8:75, in samenhang met 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende heeft moeten maken uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is in het geval van verzoekster niet gebleken. Het UWV heeft in het besluit van 20 september 2023 (onder meer) gemotiveerd dat verzoekster geen specificaties ter onderbouwing van de door haar gestelde schade heeft overgelegd. De rechtbank is niet gebleken dat verzoekster bewijsstukken ter onderbouwing heeft meegestuurd met haar schadeverzoek. Daarmee heeft het UWV de afwijzing afdoende gemotiveerd. Van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid is niet gebleken nu verzoekster haar schade eerst in beroep, na een verzoek van de rechtbank, met stukken heeft onderbouwd.
Beslissing
De rechtbank: - veroordeelt het UWV tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van (netto) € 5.610,33; - wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:102.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539. - - - ## Voetnoten