Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:327 - Rechtbank Rotterdam - 2 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:3272 januari 2026

Uitspraak inhoud

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11725426 CV EXPL 25-12728
datum uitspraak: 2 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna 'Hef Wonen' en ' [gedaagde] ' genoemd.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
1.2. De kantonrechter heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de laatste akte van Hef Wonen op de rolzitting van 28 oktober 2025. [gedaagde] heeft echter niet meer gereageerd. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1. [gedaagde] huurt sinds 31 augustus 2012 de woning gelegen aan de [adres] in Rotterdam van Hef Wonen. De huur is nu € 997,45 per maand. Op het moment van dagvaarden was er een huurachterstand van € 6.049,66 (berekend tot en met de huur voor de maand mei 2025). Hef Wonen eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt met rente en kosten en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt.
2.2. [gedaagde] heeft de achterstand grotendeels erkend. In zijn antwoord geeft hij aan dat hij de huur van de maand mei 2025 inmiddels heeft betaald. Hij wil de achterstand in termijnen betalen.
2.3. In haar laatste akte heeft Hef Wonen gesteld dat de huurachterstand tot en met 26 september 2025 in totaal € 4.752,21 is.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 4.752,21 betalen
2.4. [gedaagde] wordt veroordeeld om € 4.752,21 aan Hef Wonen te betalen. Volgens Hef Wonen is dit de huurachterstand tot en met 26 september 2025. [gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd, zodat de kantonrechter ervan uit gaat dat dit bedrag klopt. De huur voor de maand mei 2025, die [gedaagde] op 28 mei 2025 heeft betaald, is meegenomen in de berekening van de totale huurachterstand.
[gedaagde] moet rente betalen
2.5. De rente wordt toegewezen, omdat Hef Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen de rente van € 882,36 die volgens Hef Wonen verschuldigd is tot 20 mei 2025. De rente vanaf 20 mei 2025 wordt toegewezen op de wijze die in het dictum is opgenomen.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.6. De bepaling in de huurovereenkomst over de buitengerechtelijke kosten is oneerlijk. In de huurovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen:
"Overige kosten
Alle ter uitvoering van deze overeenkomst te maken of gemaakte kosten, waaronder begrepen administratiekosten, omzetbelasting alsmede alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die de huurder of verhuurder maakt, omdat de wederpartij enige bepaling van de overeenkomst en de daarbij behorende Algemene huurvoorwaarden niet nakomt, zijn voor rekening van de partij die de wanprestatie pleegt."
2.7. Deze bepaling wijkt in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW). Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat de bepaling de handelaar geen recht mag geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan, omdat in de bepaling is opgenomen dat __alle__buitengerechtelijke kosten door de wanpresterende partij moeten worden betaald aan de wederpartij die de kosten heeft gemaakt. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.8. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 508,50 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.331,95. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Partijen hebben een betalingsregeling afgesproken
2.10. De partijen hebben tijdens de procedure een betalingsregeling afgesproken. [gedaagde] heeft namelijk voorgesteld om € 150,00 per maand af te lossen naast de lopende huur. Hef Wonen heeft in haar akte van 30 september 2025 aangegeven akkoord te gaan met dit aflossingsbedrag en toegezegd het vonnis niet ten uitvoer te leggen zolang [gedaagde] zich houdt aan deze betalingsregeling. Dit betekent dat [gedaagde] de huurachterstand met rente en kosten niet in één keer aan Hef Wonen hoeft te betalen, zolang hij zich aan de regeling houdt en de huur op tijd blijft betalen (telkens voor de eerste van de maand).
Ontbinding en ontruiming als [gedaagde] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt
2.11. De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.[1] Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de gevraagde ontbinding toegewezen als [gedaagde] zich niet houdt aan de betalingsregeling of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt.
2.12. Als de huurovereenkomst eindigt, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis. Tot en met de dag van ontruiming moet [gedaagde] dan een gebruiksvergoeding van € 997,45 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Hef Wonen heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Dat deel van de eis wordt daarom afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 5.634,57 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 6.049,66 en vervolgens over de huurachterstand die na iedere betaling vanaf 20 mei 2025 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.331,95;
3.3. bepaalt dat Hef Wonen de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand voor de eerste dag van de maand € 150,00 aflost en daarnaast vanaf vandaag de huur iedere maand op tijd betaalt;
en, als [gedaagde] een maandelijkse aflossingstermijn of de huur tijdens de aflosperiode niet of te laat betaalt:
3.4. bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan Hef Wonen moet betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurachterstand die op dat moment open staat tot de dag dat volledig is betaald;
3.5. ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen met ingang van de dag nadat [gedaagde] de maandelijkse termijn of de huur tijdens de aflosperiode niet op tijd heeft betaald en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen en de sleutels bij Hef Wonen in te leveren;
3.6. veroordeelt [gedaagde] om aan Hef Wonen te betalen € 997,45 per maand, met de verhoging die is toegestaan, met ingang van de maand oktober 2025 tot en met de dag dat de woning is ontruimd;
3.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.8. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
64363
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810 - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810