Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:309 - Rechtbank Rotterdam - 16 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:30916 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3265

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 11 maart 2024.
1.1. De heffingsambtenaar heeft aan Volkswagen Pon Financial Services B.V. op 16 januari 2024 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiseres is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De griffier heeft eiseres op 17 september 2025 middels een digitaal bericht uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat op 17 september 2025 om 13:48 uur een e-mailnotificatie is verzonden aan het door eiseres opgegeven e-mailadres. De rechtbank stelt daarmee vast dat eiseres op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Feiten

  1. Op 9 januari 2024 om 20:34 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto met kenteken [kentekennummer] geparkeerd stond aan de Karel Doormanstraat in Rotterdam zonder dat aan de betaalplicht was voldaan.
  1. De heffingsambtenaar heeft hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 77,24, bestaande uit € 5,94 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 71,30 aan naheffingskosten. De naheffingsaanslag is opgelegd aan Volkswagen Pon Financial Services B.V.
Eiseres is de vaste berijder van de auto en heeft de auto geparkeerd.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
  1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. Eiseres beschikt over een bezoekersvergunning. Zij heeft zich echter per abuis niet correct via de bezoekersapp aangemeld, of de bezoekersapp functioneerde niet naar behoren, hetgeen eiseres niet heeft opgemerkt. Eiseres verkeerde in de veronderstelling dat de vergunning wel correct was geactiveerd. Eiseres wijst erop dat de bezoekersapp van de gemeente Rotterdam vaker niet goed functioneert.
  1. Vaststaat dat de auto van eiseres ten tijde van de controle geparkeerd stond op een parkeerplaats waar betaald parkeren of een vergunningplicht geldt. Vast staat ook dat eiseres via de bezoekersvergunning niet bleek aangemeld en dat zij ook niet op andere wijze parkeerbelasting heeft betaald.
  1. Dat sprake was van een storing in of slecht functioneren van de bezoekersapp is door eiseres slechts geopperd als mogelijkheid maar is op geen enkele wijze onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding daarvan uit te gaan.
Ten aanzien van de stelling dat eiseres wel een bezoekersvergunning had maar per abuis niet goed was aangemeld overweegt de rechtbank het volgende. Van parkeren met een vergunning is alleen sprake, als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Er is geen sprake van parkeren met een vergunning, als aan één of meer dan deze voorwaarden niet wordt voldaan.[1] Dit is tevens uitdrukkelijk opgenomen in de vergunningsvoorwaarden. Er moet dan op een andere wijze parkeerbelasting worden voldaan. Het is de verantwoordelijkheid van degene die parkeert om te controleren of hij aan de vergunningsvoorwaarden heeft voldaan. Fouten bij het aan - of afmelden blijven volgens de aan de vergunning gestelde voorwaarden voor rekening van eiseres.[2]
  1. Hoewel eiseres mogelijk niet de intentie had om in afwijking van de vergunning te parkeren, wijst de rechtbank erop dat de naheffingsaanslag geen straf is maar een herstelmaatregel. De naheffingsaanslag is een objectieve belasting, waardoor geen opzet of schuld is vereist. Voor het moeten betalen van parkeerbelasting is op grond van de wettelijke regeling niet relevant of eiseres al dan niet bewust geen parkeerbelasting heeft betaald. Het enkele feit dát er geen (of te weinig) parkeerbelasting is betaald, is voldoende om een naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen. Daarbij spelen persoonlijke omstandigheden in beginsel geen rol, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor zij verhinderd was of niet in staat was om (tijdig) parkeerbelasting te betalen.[3] De door eiseres genoemde omstandigheden leveren een dergelijke situatie niet op.
  1. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hoge Raad 17 december 1997; ECLI:NL:HR:1997:AA3336.
Gerechtshof Den Haag 5 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:463.
Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7415 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9119. - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 17 december 1997; ECLI:NL:HR:1997:AA3336.
Gerechtshof Den Haag 5 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:463.
Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7415 en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9119.