Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:301 - Rechtbank Rotterdam - 19 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:30119 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1595

[verzoekster] , uit Strijensas, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.T. Meijhuis),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Verzoekster heeft haar beroep ingetrokken, omdat het UWV op 23 mei 2025 een beslissing op haar bezwaar heeft genomen.
1.1. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verzoek. Het UWV heeft hierop gereageerd op 17 september 2025.
1.2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
  1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
  1. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
  1. Op 10 februari 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het uitblijven van het nemen van een beslissing op het bezwaar door het UWV. Het UWV heeft op 23 mei 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
  1. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
  1. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53, - te vergoeden.[3]Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467, - aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.