Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:1744 - Rechtbank Rotterdam - 16 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:174416 februari 2026

Uitspraak inhoud

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/714344 / KG ZA 26-113
Vonnis in kort geding van 16 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[naam vrouw],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. J. Oversluizen,
tegen
[naam man],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J.J. Boelaars.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1. De vrouw en de man zijn ex-partners. Zij hebben samen een minderjarige dochter. De vrouw heeft op dit moment alleen het gezag over de dochter. De vrouw stelt dat zij zich door onvoorspelbaar gedrag van de man onveilig voelt, dat zij niet wil dat de man contact met haar opneemt en dat zij ook niet wil dat de man voor haar huis verschijnt. Daarom vordert de vrouw – kort gezegd – een straatverbod en een contactverbod, beide versterkt met een dwangsom. De man is het niet eens met de vorderingen van de vrouw. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vrouw toe, met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen worden gemaximeerd. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

3 De vorderingen

3.1. De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
althans zodanige beslissingen te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie mocht vermenen te behoren.

4 De beoordeling

Het toetsingskader voor een straat - en contactverbod
4.1. Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan iedereen toekomende recht om zich vrij te kunnen verplaatsen. Voor het toewijzen van zo'n ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo'n inbreuk kunnen rechtvaardigen. Voor het toewijzen van een contactverbod moet in elk geval een reële dreiging bestaan van toekomstig onrechtmatig handelen van in dit geval de man tegenover de vrouw.
De gevorderde straat - en contactverboden worden toegewezen
4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de situatie tussen partijen de oplegging van een straatverbod én een contactverbod rechtvaardigt. De voorzieningenrechter legt dit uit.
4.3. Tussen partijen loopt op dit moment een door de man gestarte verzoekschriftprocedure over de vraag of partijen gezamenlijk het gezag over hun dochter moeten krijgen in plaats van alleen de vrouw, zoals nu het geval is. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat de man door die verzoekschriftprocedure veel spanning ervaart. Die spanning wordt waarschijnlijk versterkt doordat de man PTSS en ADHD heeft, en alcohol (en drugs) gebruikt. Blijkbaar lukt het de man onvoldoende om die spanning te beheersen, wat zich heeft geuit in mondelinge en schriftelijke scheldpartijen van een karakter dat zonder meer als dreigend kan worden ervaren richting de vrouw. Dit blijkt ook uit de door de vrouw in het geding gebrachte bijlagen 3 en 5, en is bovendien door de man niet weersproken. Aannemelijk is dat de vrouw zich hierdoor onveilig voelt.
4.4. De voorzieningenrechter acht gelet op het voorgaande ook aannemelijk dat de vrouw zich onveilig voelt als de man bij de woning van de vrouw langsgaat en dat zij zich ook onveilig heeft gevoeld toen een vriend van de man bij de woning van de vrouw is langsgegaan, zonder dat daar een goede reden voor was.
4.5. Tot slot is de man voorafgaand aan de mondelinge behandeling in deze zaak aangehouden door de parketpolitie van de rechtbank, omdat tijdens de veiligheidscontrole bleek dat hij een mes op zak had en de man naar het oordeel van de parketpolitie zijn emoties niet onder controle had. Dit versterkt het beeld dat de man op dit moment zodanig veel spanning ervaart, mede veroorzaakt door deze zaak, dat hij onvoldoende controle heeft over zijn handelen en onvoldoende rekening kan houden met wat dat handelen bij anderen voor gevoelens teweegbrengt.
4.6. Als de voorzieningenrechter al het voorgaande in aanmerking neemt, is hij van oordeel dat een reële dreiging bestaat van toekomstig onrechtmatig handelen van de man tegenover de vrouw én dat het gerechtvaardigd is om de man te verbieden om in de straat te komen waarin de vrouw woont en om anders dan door tussenkomst van een advocaat contact met haar op te nemen. Voorkomen moet worden dat de situatie tussen partijen escaleert. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook acht geslagen op de belangen van de dochter van partijen, wier belangen op grond van artikel 3 lid 1 IVRK een belangrijke overweging vormen in deze zaak. Het is uiteraard in het belang van de dochter van partijen dat de situatie tussen partijen niet escaleert, en dat de dochter in een rustige en stabiele omgeving kan opgroeien. Daar dragen een straat - en contactverbod in dit geval zondermeer aan bij. Aannemelijk is immers dat de begrijpelijke angstgevoelens van de vrouw ook invloed hebben op (het welzijn van) de dochter van partijen.
De conclusie
4.7. De conclusie is dat de gevorderde straat - en contactverboden worden toegewezen. Gelet op alles dat hiervoor is overwogen, heeft de vrouw daar spoedeisend belang bij.
De gevorderde dwangsommen worden gemaximeerd toegewezen
4.8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de straat-en contactverboden met een dwangsom te versterken, zodat er een stok achter de deur is voor de man om zich aan die verboden te houden. De door de vrouw gevorderde dwangsommen worden dan ook toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter ieder van die dwangsommen maximeert op € 10.000,00.
Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen
4.9. Het uitgangspunt in zaken tussen ex-partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.10. Dit vonnis met daarin het straatverbod, het contactverbod en de daaraan gekoppelde dwangsomveroordelingen wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1. verbiedt de man voor de duur van een jaar om zich vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis te bevinden in de [adres] in [woonplaats] ;
5.2. veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een dwangsom van € 150,00 voor iedere overtreding van het in 5.1. vermelde verbod, met dien verstande dat de man op dit punt maximaal € 10.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
5.3. verbiedt de man voor de duur van een jaar om, anders dan via een advocaat, vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis telefonisch, persoonlijk, schriftelijk of anderszins contact met de vrouw te zoeken;
5.4. veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een dwangsom van € 150,00 voor iedere overtreding van het in 5.3. vermelde verbod, met dien verstande dat de man op dit punt maximaal € 10.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
5.7. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.[3349 / 1729]