Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:1738 - Rechtbank Rotterdam - 20 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:173820 februari 2026

Uitspraak inhoud

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12026288 VV EXPL 25-790
datum uitspraak: 20 februari 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
eiser,
gemachtigde: mr. Y.W.K. Al-Suhairi,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.J.M.H. Simons.
De partijen worden hierna ' [eiser] ' en ' [gedaagde] ' genoemd.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
1.2. Op 6 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken.

2 De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1. [eiser] werkte sinds 4 augustus 2025 voor [gedaagde] als sprinklermonteur. Hij is op 15 september 2025 van een ladder gevallen. Hij heeft daardoor zijn kaak gekneusd en pols gebroken en kon daarom niet werken. [gedaagde] is toen gestopt met het betalen van loon en heeft ook geen re-integratie-activiteiten ondernomen.
2.2. [eiser] stelt dat hij op basis van een arbeidsovereenkomst werkte. Hij eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om zijn loon door te betalen. Het gaat volgens hem berekend tot en met 21 januari 2026 om € 15.073,65 netto. Hij eist over dat bedrag ook wettelijke verhoging van € 6.691,19, buitengerechtelijke kosten van € 1.120,14 en wettelijke rente. Hij eist verder dat [gedaagde] ook voor de periode daarna wordt veroordeeld om € 4.698, - per maand te betalen, tot het einde van de arbeidsovereenkomst en om aan de slag te gaan met de re-integratie van [eiser] .
2.3. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens hem werkte [eiser] niet op basis van een arbeidsovereenkomst voor hem, maar als zzp-er. Als de rechter anders oordeelt, vindt hij dat de eis moet worden afgewezen, omdat er sprake is van een restitutierisico. Volgens hem is het gehanteerde maandsalaris ook te hoog en is bovendien onduidelijk hoeveel uur per week [eiser] werkte. Verder voert hij aan dat niet is gebleken dat [eiser] arbeidsongeschikt is en als hij dat wel is vindt [gedaagde] dat hij maar 70% van het loon hoeft te betalen.
2.4. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om € 5.589,33 aan [eiser] te betalen. De rest van de eisen wordt afgewezen. In dit vonnis licht ze dit toe.
Het kort geding
2.5. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Het is voldoende aannemelijk dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst
2.6. De kantonrechter vindt het voldoende aannemelijk dat in een gewone procedure zal worden geoordeeld dat [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor [gedaagde] werkte (artikel 7:610 BW).
2.7. De partijen hebben terecht allebei verwezen naar het Deliveroo-arrest.[1] In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst afhangt van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien, waarbij onder andere negen gezichtspunten van belang kunnen zijn. Omdat beide partijen die punten achtereenvolgens hebben behandeld, zal de kantonrechter dit ook doen.
Aard en duur van de werkzaamheden
2.8. [gedaagde] is een zelfstandig monteur van sprinklerinstallaties. Hij werkt vooral als onderaannemer. [eiser] is via via in contact gekomen met [gedaagde] . Hij was op dat moment twintig jaar oud en had geen ervaring met technisch werk.
2.9. [eiser] is op 4 augustus 2025 begonnen met de werkzaamheden. [gedaagde] heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat [eiser] het voorbereidende werk voor zijn rekening nam. Dat betreft het op maat maken van leidingen, draad snijden en dat op leidingen monteren en sprinklers indraaien. [gedaagde] hield zich op zijn beurt vooral bezig met het aanleggen van het leidingwerk.
2.10. [eiser] heeft gesteld dat hij fulltime werkte voor [gedaagde] . [gedaagde] betwist dit. Volgens hem werkte [eiser] 'zeker niet elke dag' voor [gedaagde] , maar hij heeft niet concreet gemaakt hoeveel uren dat volgens hem dan wel (ongeveer) zijn. Uit de facturen blijkt dat [eiser] in de eerste drie weken in ieder geval ruim veertig uur per week werkte. Voor de laatste drie weken is dit niet goed op te maken, omdat in de factuur een totaalbedrag is opgenomen, inclusief reiskosten. De kantonrechter gaat ervan uit dat hij gezien de hoogte van de factuur, toen ook op zijn minst nagenoeg elke dag voor [gedaagde] werkte.
2.11. De werkzaamheden hebben dus maar zes weken geduurd, omdat [eiser] op 15 september 2025 van een ladder viel en de samenwerking daardoor direct is geëindigd.
Manier waarop de werkzaamheden en werktijden worden bepaald
2.12. Volgens [eiser] vertelde [gedaagde] hem onder andere waar hij moest zijn, hoe laat hij daar moest zijn, welke werkzaamheden er moesten worden verricht, wanneer ze pauze hielden en hoe laat de dag klaar was. Kortom, volgens [eiser] bepaalde [gedaagde] praktisch gezien alles. Volgens hem stuurde [gedaagde] daarbij de werkzaamheden ook inhoudelijk aan. Hij stelt dat [gedaagde] hem liet zien hoe hij werkzaamheden moest uitvoeren en dat hij het werk ook regelmatig controleerde.
2.13. [gedaagde] betwist dit. Volgens hem werkten ze op basis van gelijkwaardigheid samen. Hij voert aan dat ze alles in onderling overleg afstemden en dat [eiser] na een dag zijn werk al zelfstandig kon uitvoeren, omdat het 'geen rocket science' was.
2.14. Het is in dit kort geding niet precies vast te stellen wat de dynamiek was tussen [eiser] en [gedaagde] . De kantonrechter vindt het echter wel aannemelijk dat in een gewone procedure wordt vastgesteld dat de werkzaamheden en werktijden voor een groot deel werden bepaald door [gedaagde] .
2.15. De kantonrechter vindt het daarbij zwaar wegen dat [eiser] geen ervaring had met dit werk (en overigens mede gezien zijn jonge leeftijd, in het geheel weinig werkervaring). [gedaagde] moest hem dus wel instructies geven en het ligt ook voor de hand dat dit niet beperkt bleef tot één inwerkdag. Dat heeft [gedaagde] ook zelf bevestigd in de appgesprekken over het uurtarief. [eiser] stelt daarin voor om na een maand een hoger loon te hanteren. [gedaagde] laat daarop weten 'Broeder na maand kan je niet omhoog man – je moet gwn het werk leren (…) 0 ervaring in het vakb – het is gwn de mogelijkheid voor je zelf om een vak te leren en geld te kunnen verdienen (…) Als je het werk door hebt en je kan het ga je natuurlijk omhoog – maar broeder je kan niet zeggen na een maand broer wil ik omhoog'.
2.16. Verder is van belang dat alle werkadressen klanten van [gedaagde] waren. Het ligt daarom ook voor de hand dat [gedaagde] [eiser] heeft geïnstrueerd om aan de wensen van zijn klanten te voldoen. Hij kon er gezien de onervarenheid van [eiser] namelijk nog niet van op aan dat alles goed zou gaan.
2.17. Ook in de appberichten heeft [gedaagde] duidelijk de lead. Het is steeds [gedaagde] die de locaties en globale starttijden doorgeeft. In de marge stemmen [eiser] en [gedaagde] nog wel precieze tijden af, maar het initiatief ligt bij [gedaagde] .
2.18. Verder weegt de kantonrechter nog mee dat [eiser] vaak met [gedaagde] meereed. [gedaagde] heeft dit weliswaar ontkend, maar uit de Whatsappberichten volgt dit wel degelijk. In die zin was [eiser] dus ook praktisch gezien van [gedaagde] afhankelijk voor het bepalen van het begin en einde van de werkdag.
2.19. Tenslotte is van belang dat [gedaagde] aan [eiser] ook instructies heeft gegeven over wat hij moest regelen voordat hij begon aan het werk. Hij heeft hem de instructie gegeven om zijn VCA - en hoogwerkercertificaat te halen en een werkbroek, werkschoenen, een rolmaat en een stift aan te schaffen.
Inbedding
2.20. De kantonrechter oordeelt verder voorlopig dat [eiser] ook onderdeel was van de organisatie en bedrijfsvoering van [gedaagde] . Zoals hiervoor staat reed [eiser] met [gedaagde] mee. Verder zijn nog de volgende omstandigheden relevant.
2.21. In de eerste plaats is van belang dat [eiser] het voorbereidende werk voor [gedaagde] deed. Het aanleggen van sprinklerinstallaties is de corebusiness van [gedaagde] en [eiser] voerde een onmisbaar onderdeel van dit werk uit.
2.22. Verder is van belang dat [eiser] het gereedschap van [gedaagde] gebruikte. [eiser] hoefde zelf alleen maar een rolmaat en stift aan te schaffen. Hij gebruikte de snijmachine, boormachine, slagmoeraanzetter en waterpomptang van [gedaagde] .
2.23. Zoals hiervoor staat werkte [eiser] ook alleen bij de adressen die [gedaagde] voor hem regelde. Toen de opdrachtgever Croonwolter&dros bijvoorbeeld niet tevreden was over [eiser] , heeft [gedaagde] hem laten werken bij Picnic, een andere opdrachtgever.
Verplichting om persoonlijk het werk te doen
2.24. Of [eiser] het werk persoonlijk moest uitvoeren is niet vast te stellen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit niet aan de orde is geweest. De partijen hebben het wel gehad over de vraag of een vriend van [eiser] ook dit werk kon doen, maar dat was niet in plaats van [eiser] .
De manier waarop het contract tot stand is gekomen
2.25. [eiser] is zonder contract aan de slag gegaan. Na het ongeluk heeft de vader van [eiser] nog wel een opdrachtovereenkomst opgestuurd, maar die heeft [gedaagde] niet getekend, omdat hij het met delen daarvan niet eens was. Wat in die overeenkomst staat weegt de kantonrechter daarom niet mee.
De manier waarop de beloning is bepaald en werd uitgekeerd
2.26. [gedaagde] heeft een uurtarief van € 27, - voorgesteld. [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij dit voor de eerste maand akkoord vindt, maar dat hij daarna meer wil verdienen. [gedaagde] heeft daarop laten weten dat dit niet mogelijk is. Dat bericht is hiervoor al geciteerd (2.15).
2.27. [gedaagde] bepaalde ook welke reistijd [eiser] in rekening mocht brengen. Hij liet [eiser] vooraf weten '*We zitten bijna elke dag ergens anders – Half uurtje op de heen weg en half uurtje op de terugweg is eigen (…) tijd – wat daarboven zit word vergoed – 70 procent van je uur tarief'.*Ook tijdens de samenwerking heeft hij [eiser] steeds laten weten hoeveel reistijd hij in rekening mocht brengen. Als [eiser] in zijn ogen teveel reisuren declareerde, gaf [gedaagde] hem opdracht dat te corrigeren.
2.28. Uit de WhatsAppberichten blijkt geen gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de partijen. [gedaagde] bepaalde eenzijdig de beloning waarop [eiser] recht had en er was geen reële ruimte om daarvan af te wijken.
2.29. Wekelijks stuurde [eiser] een factuur aan [gedaagde] voor de werkzaamheden. Deze heeft [gedaagde] betaald.
De hoogte van de beloning
2.30. Het uurtarief van € 27, - duidt er ook niet op dat [eiser] een ondernemer was. Als verzekeringen en belastingen worden afgetrokken dan blijft geen tarief over dat past bij de risico's die een ondernemer neemt.
Commercieel risico
2.31. Los van het risico op arbeidsongeschiktheid of schade tijdens de werkzaamheden (wat zich dus helaas heeft verwezenlijkt), liep [eiser] geen commercieel risico. Hij heeft alleen de VCA-opleiding gevolgd en een werkbroek, werkschoenen, stift en rolmaat gekocht. Verder heeft hij niets geïnvesteerd. Hij gebruikte de apparatuur van [gedaagde] en profiteerde ook van diens netwerk en opdrachten.
Extern ondernemerschap
2.32. Verder gedraagt [eiser] zich niet als ondernemer. Hij had al wel een eenmanszaak, maar verder blijkt uit niets dat hij zich bezigheid met ondernemen.
Overige omstandigheden
2.33. De kantonrechter oordeelt voorlopig dat de partijen geen andere omstandigheden aangevoerd hebben die relevant zijn voor het beoordelen van de vraag of er sprake was van een arbeidsovereenkomst.
2.34. [gedaagde] heeft nog wel benadrukt dat het niet de bedoeling was om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Daar lijkt ook niet echt discussie over te zijn, maar dit is niet van belang. Dit volgt expliciet uit het Deliveroo-arrest waarnaar [gedaagde] zelf ook heeft verwezen (3.2.4). Hierop gaat de kantonrechter daarom niet in.
Conclusie
2.35. Als de kantonrechter rekening houdt met al deze omstandigheden, dan komt zij tot de conclusie dat het aannemelijk is dat in een gewone procedure wordt geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Alleen de manier waarop het loon werd betaald en de (relatief kleine) investeringen van [eiser] duiden op ondernemerschap. De overige omstandigheden wijzen allemaal in de richting van een arbeidsovereenkomst. Daarbij weegt vooral zwaar dat [eiser] zonder ervaring is begonnen voor [gedaagde] , gebruik maakte van zijn gereedschap en netwerk en zowel organisatorisch als werkinhoudelijk werd aangestuurd door [gedaagde] . Ook vindt de kantonrechter het zwaarwegend dat het relatief lage uurtarief eenzijdig is bepaald door [gedaagde] en dat [eiser] door het fulltime werk geen reële mogelijkheid had om andere inkomsten te realiseren.
De arbeidsovereenkomst zou in ieder geval nog zes weken hebben geduurd
2.36. Als [eiser] niet van de ladder was gevallen, dan had hij in ieder geval nog zes weken op dezelfde basis voor [gedaagde] gewerkt, heeft [gedaagde] tijdens de zitting gezegd. De arbeidsovereenkomst zou dus in ieder geval nog zes weken hebben voortgeduurd. Dat betekent dat [gedaagde] had loon van [eiser] voor die periode had moeten doorbetalen, gedurende zijn arbeidsongeschiktheid. Het loon over die weken zal daarom worden toegewezen.
Het is onvoldoende aannemelijk dat [eiser] voor de periode daarna recht heeft op loon
2.37. De kantonrechter acht het in kort geding onvoldoende aannemelijk om aan te nemen dat [eiser] voor de periode daarna recht heeft op loon. Daarbij is het volgende van belang.
2.38. [eiser] en [gedaagde] hebben vooraf niet afgesproken hoe lang en hoeveel uur per week [eiser] voor [gedaagde] zou werken. Het is dus onduidelijk of sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, maar ook of het gaat om een oproepcontract, nulurencontract of contract met vaste urenomvang. Ook het wettelijke rechtsvermoeden kan hierbij niet helpen, omdat de arbeidsovereenkomst geen drie maanden heeft geduurd (artikel 7:610b BW).
2.39. [gedaagde] heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat zijn opdracht zes weken na het ongeval is geëindigd. Hij is daarna aan de slag gegaan bij een andere opdracht, maar daarbij werkt hij samen met een andere - niet door [eiser] aangedragen - zzp-er. Het is daarom een reële mogelijkheid dat de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] op dat moment met wederzijds goedvinden zou zijn geëindigd, of dat [eiser] minder uren zou zijn gaan werken.
2.40. Daar komt bij dat de kantonrechter ook nauwelijks informatie heeft over de vraag of [eiser] kan en wil werken. [eiser] heeft zich in ieder geval niet aantoonbaar beschikbaar gesteld voor werk. Of dit fysiek mogelijk is zal eventueel in een bodemprocedure moeten worden beoordeeld, mogelijk met de hulp van een medisch deskundige (artikel 7:628 en 629 BW).
2.41. Ten slotte weegt de kantonrechter nog mee dat [gedaagde] heeft gewezen op de financiële gevolgen die deze zaak voor hem heeft. Hij heeft onbetwist gesteld dat hij een eenmanszaak heeft en dat hij als kostwinner voor zijn vrouw en kinderen moet zorgen. [eiser] heeft zulke omstandigheden niet aangevoerd. Een loonvordering is gezien de aard ervan wel spoedeisend, maar [eiser] heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die deze zaak dringend voor hem maken.
2.42. Gezien de onzekerheid over de vraag of [gedaagde] na zes weken nog loon zou moeten betalen en de gevolgen die een toewijzing in kort geding voor [gedaagde] zou hebben wijst de kantonrechter het loon na zes weken af. [gedaagde] wordt daarom ook niet veroordeeld om aan de slag te gaan met de re-integratie van [eiser] .
[gedaagde] moet € 4.453,79 betalen
2.43. Uit de facturen blijkt dat [eiser] € 6.362,55 aan beloning heeft gekregen voor de eerste zes weken. [gedaagde] gaat uit van een ander bedrag, maar lijkt de factuur van week 32 niet te hebben meegerekend. [gedaagde] heeft niet betwist dat het verdiende loon moet worden gebruikt om uit te rekenen op welk loon [eiser] voor de periode daarna recht heeft. Daar sluit de kantonrechter daarom bij aan.
2.44. [gedaagde] heeft er tijdens de zitting terecht op gewezen dat dit een brutobedrag moet zijn. Als sprake is van een arbeidsovereenkomst zal [gedaagde] namelijk, in plaats van [eiser] zelf, belasting moeten afdragen over de beloning.
2.45. [gedaagde] heeft er ook terecht op gewezen dat [eiser] recht heeft op 70% van het loon, gezien zijn arbeidsongeschiktheid (artikel 7:629 BW). Dat betekent dat een bedrag van € 4.453,79 wordt toegewezen (0,7 x € 6.362,55). De wettelijke rente over dit loon wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zoals [eiser] eist, dus vanaf 27 januari 2026 (artikel 6:119 BW).
[gedaagde] moet € 445,38 wettelijke verhoging betalen
2.46. Omdat [gedaagde] het loon te laat heeft betaald moet hij wettelijke verhoging betalen (artikel 7:625 BW). Die verhoging wordt vaak gematigd. De kantonrechter vindt het niet waarschijnlijk dat dit verder gematigd zal worden dan 10%. Ze wijst daarom een bedrag van € 445,38 toe (0,1 x € 4.453,79). Dat betreft net als het loon een brutobedrag. De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zoals [eiser] eist.
[gedaagde] moet € 690,16 aan buitengerechtelijke kosten betalen
2.47. [eiser] heeft geprobeerd buiten de rechter om deze zaak op te lossen. Hij heeft recht op vergoeding van de kosten die daarvoor zijn gemaakt (artikel 6:96 BW). De kantonrechter wijst € 690,16 toe, berekend op basis van het loon dat wordt toegewezen (Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten). De rente over dit bedrag wijst ze ook toe vanaf de dag van de dagvaarding.
De partijen dragen hun eigen proceskosten
2.48. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen, omdat zij allebei gedeeltelijk ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.49. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Ruimte voor overleg?
2.50. In dit kort geding heeft de kantonrechter een voorlopig oordeel gegeven over de zaak. Zij raadt de partijen aan om samen verder in overleg te gaan, omdat dit soort zaken meestal veel tijd en geld kunnen kosten. Tijdens de zitting begreep de kantonrechter dat de verzekeraar van [gedaagde] mogelijk dekking biedt. Wellicht biedt dit ook nog kansen voor onderlinge afspraken.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] € 4.899,17 bruto en € 690,16 netto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 27 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken.
33394
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 - - - ## Voetnoten
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443