Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:1407 - Rechtbank Rotterdam - 2 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2026:14072 februari 2026

Uitspraak inhoud

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711991 / KG ZA 25-1253
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
[naam vrrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [naam vrrouw] ,
advocaat: mr. W.J.G. Schröder,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [naam man] ,
advocaat: mr. G. Kartal.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 december 2025 van [naam vrrouw] , met producties 1 tot en met 4; - de voorafgaand aan de mondelinge behandeling namens [naam man] toegezonden stukken; - de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2 De vordering

2.1. [naam vrrouw] vordert, bij voorziening, uitvoerbaar bij voorraad:
A. [naam man] te veroordelen om een opdracht aan een verkoopmakelaar te ondertekenen;
B. [naam man] te veroordelen om zijn medewerking aan het verkooptraject te verlenen, onder andere doch niet uitsluitend door de makelaar toe te laten tot de woning, foto's te laten maken, en de woning open te stellen voor bezichtiging etc.;
C. [naam man] te verplichten om de sleutels aan de makelaar ter beschikking te stellen;
D. [naam man] op te dragen om de woning toonbaar, schoon en netjes te houden ten behoeve van het verkoopproces;
E. te bepalen dat het advies van de makelaar met betrekking tot de vraag - en laatprijs bindend zal zijn;
F. [naam man] te veroordelen tot het tekenen van de koopovereenkomst en de uiteindelijke datum van overdracht/oplevering;
G. (wellicht ten overvloede) te bepalen dat de termijn van oplevering van de woning (uiteindelijk) wordt bepaald door de makelaar, in overleg met partijen en de kopers, maar niet afhankelijk zal zijn van het hebben van vervangende woonruimte voor [naam man] ;
H. [naam man] te veroordelen tot betaling van dwangsommen ter grootte van € 250, - per dag voor elke dag dat hij na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen;
I. te bepalen dat [naam vrrouw] gerechtigd is om zo nodig dit vonnis in de plaats te mogen stellen van de toestemming/handtekening van [naam man] op zowel de opdrachtovereenkomst, de (concept)koopovereenkomst en de notariële akte van levering bij de t.z.t. aan te wijzen notaris;
J. [naam man] te veroordelen in de (integrale) kosten van deze procedure.
2.2. [naam man] voert verweer. [naam man] concludeert tot het afwijzen van de vorderingen van [naam vrrouw] , dan wel tot het slechts toewijzen daarvan onder toekenning aan [naam man] van een periode van zes maanden voor het vinden van andere woonruimte.
2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1. [naam vrrouw] en [naam man] zijn voormalige partners. Aan hun affectieve relatie is in 2023 een einde gekomen. [naam vrrouw] en [naam man] woonden tot die tijd samen in de hen gezamenlijk in eigendom toebehorende woning aan het [adres] te ( [postcode] ) Spijkenisse (hierna: de woning). [naam vrrouw] en [naam man] zijn hoofdelijk verbonden schuldenaren van de hypothecaire geldlening waarmee de woning is aangekocht.
3.2. [naam vrrouw] wil dat tot verkoop van de woning wordt overgegaan. Partijen zijn betrokken geweest in een bodemprocedure bij deze rechtbank die (onder meer) verkoop van de woning tot onderwerp had. Op de mondelinge behandeling die in die procedure op 17 juni 2024 is gehouden, hebben [naam vrrouw] en [naam man] een schikking getroffen. Zij zijn toen overeengekomen dat de woning niet zou worden verkocht zolang de moeder van [naam man] in de woning woonachtig was, met (in beginsel) een maximum van drie jaar. De in het proces-verbaal van die zitting vastgelegde schikking luidt verder, voor zover hier van belang, als volgt (waarbij met "de man" [naam man] en met "de vrouw" [naam vrrouw] is bedoeld):
"Wanneer de moeder van de man niet meer in de woning woont, zal de woning verkocht worden en zal de hypotheekschuld worden voldaan uit de opbrengst van de woning. In dat geval geldt het volgende:
3.3. De moeder van [naam man] is op 14 september 2024 overleden.
3.4. De inzet van dit kort geding is het op korte termijn verkopen van de gemeenschappelijke woning aan een derde. Vanaf februari 2025 is [naam vrrouw] doende, al dan niet via de door haar ingeschakelde makelaar en via haar advocaat, medewerking te verkrijgen van [naam man] bij verkoop (en vervolgens levering) van de woning. [naam man] heeft die medewerking tot op heden niet verleend.
3.5. De vordering van [naam vrrouw] strekt er in de kern toe dat [naam man] op een voor tenuitvoerlegging vatbare wijze wordt veroordeeld om de tussen partijen gemaakte afspraken over de verkoop van de woning na te komen. [naam vrrouw] kan op grond van enkel het proces-verbaal van de schikking geen nakoming van deze afspraken door [naam man] afdwingen. Er zijn geen boetes verbonden aan het niet-nakomen van de afspraken. De aard van de vordering maakt dat niet te hoge eisen mogen worden gesteld aan de spoedeisendheid. Die drempel wordt in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter gehaald, gelet op de herhaalde vergeefse pogingen van [naam vrrouw] om [naam man] te bewegen tot het meewerken aan de uitvoering van de afspraken.
3.6. Dat wordt niet anders doordat [naam vrrouw] enige tijd heeft gewacht met het instellen van haar vorderingen. Dat heeft zij gedaan, zo begrijpt de rechtbank uit haar stellingen, om [naam man] wat tijd te gunnen na het overlijden van zijn moeder. Dat kan in redelijkheid niet tegen haar werken bij de beoordeling van de spoedeisendheid. Hetzelfde geldt voor de stelling van [naam man] dat [naam vrrouw] geen belang heeft bij spoedige verkoop van de woning, omdat zij voor zover [naam man] weet geen financiële problemen heeft en de mogelijke overwaarde van de woning dus niet dringend nodig heeft. Dat laat onverlet dat [naam man] met [naam vrrouw] afspraken heeft gemaakt op grond waarvan hij inmiddels zijn medewerking had moeten verlenen aan de verkoop. [naam vrrouw] is dus ontvankelijk in haar vorderingen.
3.7. [naam man] meent dat de vordering van [naam vrrouw] moet worden afgewezen. [naam man] stelt voorop dat ook hij belang heeft bij verkoop van de woning en het te gelde maken van de overwaarde van de woning. Bovendien staat [naam vrrouw] nog altijd ingeschreven bij [naam man] , waardoor hij geen toeslagen ontvangt van de overheid. Ook in zoverre heeft [naam man] belang bij verkoop van de woning. [naam man] wijst erop dat hij evenwel, ondanks veelvuldig reageren op huurwoningen, nog geen andere woonruimte heeft gevonden. Voor een urgentieverklaring komt [naam man] niet in aanmerking. [naam man] geeft aan dagelijks te kijken of er nieuwe, geschikte woningen zijn in het woningaanbod. Vanwege fysieke problemen van [naam man] zijn niet alle woningen geschikt. De laatste tijd eindigt [naam man] vaak op plaats 7 of 8. Het ziet er daarom naar uit dat [naam man] binnen afzienbare tijd wel een woning toegewezen zal krijgen, maar of dat binnen vier weken of negen maanden is, is onzeker. Het belang van [naam man] om eerst nieuwe woonruimte te vinden alvorens mee te moeten werken aan de verkoop van de woning, weegt volgens hem zwaarder dan de belangen van [naam vrrouw] bij onmiddellijke verkoop. [naam man] zal anders mogelijk aangewezen zijn op daklozenopvang. Gelet op zijn fysieke problemen en op zijn krappe financiële positie, meent [naam man] dat als de vordering al wordt toegewezen, hem in redelijkheid een uitstel van zes maanden moet worden gegund.
3.8. De voorzieningenrechter oordeelt dat van [naam vrrouw] in redelijkheid niet kan worden gevraagd nog langer te wachten met het opstarten van de verkoop van de woning. Partijen hebben afgesproken over te gaan tot verkoop van de woning als de moeder van [naam man] niet meer in de woning woonachtig zou zijn. Dat is reeds geruime tijd het geval. [naam man] heeft tot op heden niet vrijwillig meegewerkt aan de verkoop. [naam man] voert aan dat de makelaar door [naam vrrouw] niet op de tussen partijen bij de schikking overeengekomen manier is aangewezen. Niet gebleken is evenwel dat [naam man] pogingen heeft ondernomen om het er toe te leiden dat wel op de afgesproken wijze tot het aanwijzen van een makelaar werd gekomen. [naam vrrouw] heeft er belang bij dat [naam man] wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop, zodat zij nakoming van de afspraken ook kan afdwingen. Dat [naam man] nog geen andere woonruimte heeft, staat niet in de weg aan toewijzing van de vorderingen. [naam man] heeft al een ruime periode gehad om andere woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter begrijpt dat het in de huidige woningmarkt bepaald niet eenvoudig is om een woonruimte te vinden. De vooruitzichten zijn evenwel goed, zo volgt uit zijn positie op de ranglijst. Verwacht wordt dan ook dat hij op relatief korte termijn een woning toegewezen zal krijgen. Tegen die achtergrond wegen de belangen van [naam vrrouw] bij het kunnen afdwingen van de nakoming van de gemaakte afspraken zwaarder dan de belangen van [naam man] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen het starten van het verkooptraject en de daadwerkelijke levering aan een koper in de regel nog aanzienlijke tijd zit.
3.9. De vorderingen zullen dan ook worden toegewezen. De vorderingen worden ingevuld in overeenstemming met de afspraken die partijen in de bedoelde schikking hebben gemaakt. Op de zitting heeft [naam vrrouw] bevestigd dat de vorderingen op die manier moeten worden begrepen en beoordeeld, en heeft [naam man] aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Daarbij wordt een periode tot uiterlijk 1 maart 2026 aangehouden voor het meewerken aan de voorbereiding van de verkoop en een periode tot uiterlijk 1 april 2026 voor het verstrekken van een opdracht aan een verkoopmakelaar.
3.10. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt op de wijze als in de beslissing aangegeven.
3.11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1. veroordeelt [naam man] om: 1) uiterlijk 1 maart 2026 te hebben meegewerkt aan de voorbereidingen voor het verstrekken van een opdracht om te komen tot verkoop van de woning aan het ( [postcode] ) [adres] te Spijkenisse aan een gezamenlijk door partijen aan te wijzen makelaar of, indien dat laatste niet lukt, een door [naam man] te kiezen makelaar uit een lijst van drie door [naam vrrouw] voorgestelde makelaars en om 2) uiterlijk op 1 april 2026 een opdracht aan de verkoopmakelaar te ondertekenen;
4.2. veroordeelt [naam man] mee te werken aan het traject tot verkoop van de woning aan het ( [postcode] ) [adres] te Spijkenisse, onder andere doch niet uitsluitend door de makelaar toe te laten tot de woning, foto's te laten maken, de woning open te stellen voor bezichtiging en de woning in dat kader toonbaar, schoon en netjes te houden en, voor zover daarvoor nodig, de sleutels van de woning aan de makelaar ter beschikking te stellen, waarbij de vraag - of laatprijs in samenspraak door partijen wordt bepaald en, indien dat laatste niet lukt, die prijs wordt bepaald op basis van een bindend advies van de verkoopmakelaar, dat door elk van partijen kan worden gevraagd;
4.3. veroordeelt [naam man] tot het op eerste verzoek verrichten van elke rechtshandeling die nodig is voor de verkoop en levering van de woning aan het ( [postcode] ) [adres] te Spijkenisse, zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering, waarbij de termijn van oplevering van de woning (uiteindelijk) wordt bepaald door de makelaar, in overleg met partijen en de kopers, en niet afhankelijk zal zijn van het hebben van vervangende woonruimte voor [naam man] ;
4.4. veroordeelt [naam man] tot betaling van dwangsommen van € 100, - per dag voor elke dag dat hij na betekening van het dit vonnis in gebreke blijft om aan (een of meerdere van) de veroordelingen te voldoen, tot een maximum van € 5.000,-;
4.5. bepaalt dat, bij het uitblijven van de onder 4.1 en/of 4.3 bedoelde medewerking van [naam man] , dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de akten waarbij [naam man] zijn vereiste medewerking (wilsverklaring, medewerking en handtekening) verleent aan verkoop en eigendomsoverdracht van de woning, gelegen aan het ( [postcode] ) [adres] te Spijkenisse, vanaf welk moment geen dwangsommen meer worden verbeurd door [naam man] voor wat betreft het deel van de veroordelingen waarop de indeplaatstreding ziet;
4.6. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
1861/1694