Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:7207 - Rechtbank Rotterdam - 6 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:7207•6 juni 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700426 / JE RK 25-1077
Datum uitspraak: 6 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg - en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.M. Krommendijk, kantoorhoudende te Dordrecht,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. Y. Sijberden, kantoorhoudende te Zoetermeer,
[naam stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam 1] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te [plaatsnaam] ,
[naam 2] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te [plaatsnaam] .
In de adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 juni 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
1.3. De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend om bij de zitting aanwezig te zijn aaneen stagiaire van mr. Middelkoop.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover uitgebreid telefonisch een gesprek met de kinderrechter gevoerd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2017 de volgende regeling van de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige] en haar zus [naam 5] vastgesteld: - de minderjarigen , geboren op te en , geboren op te , verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag 14.00 uur tot maandagochtend 08.30 uur bij de man, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 april 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter twee bijzondere curatoren voor [minderjarige] en haar zus [naam 5] benoemd tot 14 oktober 2025.
2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 mei 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 20 juni 2025.
2.6. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juni 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 20 juni 2025 tot 20 november 2025.
- Het verzoek
3.1. De GI heeft in voormeld verzoekschrift meerdere verzoeken voorgelegd. Ter zitting zijn nog van toepassing de verzoeken sub 1, 2, 3 en 6. waarin de GI verzoekt op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de door de kinderrechter op 21 november 2017 vastgestelde verdeling van de zorg - en opvoedingstaken als volgt te wijzigen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:
Ten behoeve van [minderjarige] en de vader - o.g.v. artikel 1:265g lid 1 BW de zorgregeling met de vader te wijzigen in die zin dat de zorgregeling wordt geschorst dan wel dat er geen omgangsmomenten zijn; - te bepalen dat de GI de regie heeft met betrekking tot het opzetten van de (begeleide) omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader en dat de regie ziet op het al dan niet uitbreiden en inperken van de omgangsmomenten met betrekking tot de vorm, duur, plaats en frequentie; - de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen op de manier zoals de rechtbank juist acht.
Ten behoeve van [minderjarige] en de moeder - o.g.v. artikel 1:265g lid 1 BW een zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder vast te stellen, waarbij de zorgregeling wordt geschorst, dan wel dat er geen omgangsmomenten zijn; - te bepalen dat de GI de regie heeft met betrekking tot het opzetten van de (begeleide) omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder en dat de regie ziet op het al dan niet uitbreiden en inperken van de omgangsmomenten met betrekking tot de vorm, duur, plaats en frequentie; - de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen op de manier zoals de rechtbank juist acht.
4 Het (voorwaardelijke) zelfstandig verzoek
4.1. De vader verzoekt te bepalen dat – indien de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt beëindigd dan wel afgewezen - de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2017 wordt gewijzigd in die zin dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , voorlopig aan de vader, [naam vader] , wordt toevertrouwd, dan wel dat [minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben.
5 De standpunten
5.1. De GI handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Sinds de zitting van vorige week zijn er ontwikkelingen. [minderjarige] heeft vorige week telefonisch contact opgenomen met de moeder en afgelopen weekend hebben zij uitgebreid met elkaar gebeld. [minderjarige] was erg positief over dit contact. Wel vond [minderjarige] het toen nog te vroeg voor een fysieke ontmoeting met de moeder, maar gisteren heeft het eerste contactmoment tussen hen plaatsgevonden in het gezinshuis onder begeleiding van de gedragswetenschapper van de GI. Families First staat klaar om de bezoeken van de moeder aan [minderjarige] verder te begeleiden. Hoe het contact tussen [minderjarige] en de vader moet worden vormgegeven is nog onduidelijk, nu Families First heeft aangegeven dit contact niet te kunnen en willen faciliteren en zij de GI afraden dit zelf te begeleiden vanwege de houding van vader. Verder heeft [minderjarige] nog steeds telefonisch contact met [naam 5] en zal zij haar aankomend weekend bezoeken. Ook is [minderjarige] afgelopen dinsdag voor het eerst weer naar school geweest en zij was hierna erg opgetogen. Gezien wordt dat [minderjarige] beter in haar vel zit nu zij op een neutrale plek zit en het gaat erg goed met haar. Daarnaast staan er twee nieuwe jeugdbeschermers klaar om met beide meiden en de ouders aan de slag te gaan.
5.2. Door en namens de moeder wordt met het verzoek van de GI ingestemd. Hoe verdrietig de situatie ook is, is het toewijzen van het verzoek het meest verstandig. Er moet maatwerk worden geleverd en de moeder hoopt dat de GI de regie ook daadwerkelijk pakt. De moeder wil niets liever dan dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij weer kunnen opbouwen naar fijn onderling contact.
5.3. Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader wil dat het verzoek wordt afgewezen en dat [minderjarige] onmiddellijk naar de vader terugkeert. De vader wordt volledig van [minderjarige] afgezonderd en zij hebben geen contact. Dit doet de vader veel verdriet. De vader is het niet eens met hetgeen door de bijzondere curatoren en de GI naar voren wordt gebracht. De vader heeft voor passende hulpverlening voor [minderjarige] gezorgd, maar dit werd afgewezen. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] hulp van een psycholoog krijgt die kennis heeft van hechtingsproblematiek. De vader is bereid samen te werken met de GI en de moeder in het belang van [minderjarige] . Hij is bezorgd over de situatie van [minderjarige] en wil dat het goed gaat met haar. Het klopt dat de vader eerder klachten heeft ingediend, maar dit betekent niet dat de vader dit wederom zal doen. Met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vader, geeft de advocaat aan de kinderrechter aan dat dit verzoek in feite wordt ingetrokken, nu kort voorafgaand aan de zitting is gebleken dat bij beschikking van 4 juni jl. de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verlengd.
5.4. De stiefvader stemt in met het verzoek van de GI.
5.5. De bijzondere curatoren stemmen in met het verzoek van de GI. Belangrijk is dat er maatwerk wordt geleverd en dit kan wanneer de regie bij de GI wordt neergelegd. De bijzondere curatoren hebben [minderjarige] sinds de vorige zitting nog niet gesproken. Dit omdat er in een korte tijd veel is gebeurd en het de bijzondere curatoren beter lijkt om [minderjarige] nu rust te gunnen. Wel hebben zij vorige week met de zus van [minderjarige] gesproken, [naam 5] . Zij maakt zich grote zorgen om haar zusje en zij hoopt dat [minderjarige] in het gezinshuis kan blijven. [naam 5] geeft aan dat zij een goede relatie heeft met beide ouders en de stiefvader en zij wil graag dat de huidige zorgregeling voor haar in stand blijft. De bijzondere curatoren vinden dit belangrijk om te benoemen, gezien de situatie en nu zij voor zowel [minderjarige] als [naam 5] zijn benoemd.
6 Het advies van de Raad
6.1. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI. De Raad is blij om te horen dat er sprake is van een positieve ontwikkeling bij [minderjarige] . [minderjarige] heeft een langere tijd hard moeten werken om beide ouders blij te houden. Kinderen die zo worstelen maken vaak uit nood een keuze voor één ouder en houden hieraan vast. [minderjarige] ervaart op de neutrale plek rust, zij gaat weer naar school en zij heeft contact met de moeder gezocht. Belangrijk is dat [minderjarige] verder opgroeit met de steun van beide ouders. De ouders moeten goed bij zichzelf nagaan op welke manier [minderjarige] zich ongestoord verder kan ontwikkelen en de ouders moeten zich daarbij richten op hun eigen ouderrol. Van belang is dat de hulpverlening verder met de beide kinderen en de ouders aan de slag gaat. Belangrijk hierbij is dat de vader niet de strijd maar juist de samenwerking aangaat zodat voorkomen wordt dat er een patstelling ontstaat die blijft voortduren.
7 De beoordeling
Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de vader
7.1. Nu de advocaat van de vader ter zitting heeft aangegeven dat het verzoek kan worden afgewezen, kan de kinderrechter de gronden daarvan niet onderzoeken en zal het verzoek worden afgewezen.
Ten aanzien van de zorgregeling
7.2. Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de Gl een verdeling van de zorg - en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De kinderrechter overweegt het volgende.
7.3. Bij voormelde beschikking van 21 november 2017 is een regeling van de verdeling van zorg - en opvoedtaken vastgesteld waarbij (onder meer) is beslist dat [minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 14:00 uur tot maandagochtend 08:30 uur bij de man verblijft, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
7.4. Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en zij verbleef hier tot voorkort merendeel van de tijd. Op 27 maart 2025 is de situatie bij de moeder thuis geëscaleerd waarbij [minderjarige] zichzelf heeft beschadigd. Sinds 28 maart 2025 verbleef [minderjarige] , zonder toestemming van de moeder, bij de vader. Sinds het verblijf van [minderjarige] bij de vader had zij geen contact meer met de moeder, de hulpverlening en de bijzondere curatoren en ging [minderjarige] niet meer naar school. Dit maakte dat de zorgen omtrent de situatie van [minderjarige] bij de vader thuis aanzienlijk waren waardoor de kinderrechter op 23 mei 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte omgeving heeft verleend voor de duur van vier weken. Het doel van de uithuisplaatsing was dat er rust voor [minderjarige] zou komen, nu zij al geruime tijd klem zit tussen de ouders. Deze wijziging in de omstandigheden en de ontstane situatie maakt dat de eerder vastgestelde zorgregeling niet langer kan worden nageleefd.
7.5. [minderjarige] verblijft sinds 23 mei 2025 in een gezinshuis. Duidelijk is geworden dat zij een positieve ontwikkeling doormaakt. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [minderjarige] in het gezinshuis tot rust komt en zij naar eigen zeggen "meer lucht" heeft gekregen. Als gevolg hiervan heeft [minderjarige] op eigen initiatief contact met de moeder gezocht en heeft, onder begeleiding van de gedragswetenschapper van de GI een eerste fysiek contact tussen [minderjarige] en de moeder plaatsgevonden. Met de vader heeft [minderjarige] tot op heden nog geen contact gehad. Tevens geeft [minderjarige] , desgevraagd door de kinderrechter, aan open te staan voor een gesprek met de bijzondere curatoren, nu zij beter begrijpt wat hun taak is. Belangrijk is daarom dat er binnenkort een gesprek tussen hen plaatsvindt. Ook heeft [minderjarige] fijn contact met haar zus [naam 5] , gaat [minderjarige] sinds deze week weer naar school en is zij daar erg positief over.
7.6. Nu sprake is van voormelde gewijzigde omstandigheden en gebleken is dat [minderjarige] een langere tijd in het gezinshuis zal verblijven waardoor de zorgregeling de aankomende periode eveneens niet zal worden nagekomen, verzoekt de GI de reeds vastgestelde zorgregeling te wijzigen en de omgang met beide ouders te schorsen en de regie omtrent de invulling van de zorgregeling bij de GI te beleggen. De kinderrechter is van oordeel dat de GI haar taak als regievoerder binnen de ots de afgelopen periode naar behoren heeft opgepakt en de kinderrechter complimenteert de GI hiervoor. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter voorts van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is als hierna te noemen. Daarmee komt de huidige zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 21 november 2017 te vervallen en zal deze de aankomende periode onder regie van de GI worden ingevuld, zowel richting de moeder als de vader.
7.7. De aankomende periode is het van belang dat de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] verder worden opgebouwd onder begeleiding van Families First. Tevens is het belangrijk dat de GI op zoek blijft naar een organisatie die de omgang tussen [minderjarige] en de vader kan begeleiden wanneer de GI van mening is dat deze omgang kan plaatsvinden.
De kinderrechter gunt het [minderjarige] van harte dat zij groep 8 (alsnog) goed kan afsluiten en op een fijne manier over kan gaan naar de middelbare school.
7.8. Tot slot geeft de kinderrechter de vader mee om zich milder op te stellen en meer de samenwerking met de andere partijen te zoeken in het belang van [minderjarige] (en [naam 5] ). De kinderrechter ziet een zeer betrokken vader, maar belangrijk is dat de vader zijn energie op een andere manier inzet.
7.9. Na afloop van de zitting heeft de kinderrechter zoals afgesproken en gemeld ter zitting kort telefonisch contact opgenomen met [minderjarige] om haar zelf de beslissing door te geven.
7.10. De kinderrechter verklaart de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8 De beslissing
De kinderrechter:
8.1. wijst af het zelfstandig verzoek van de vader;
8.2. wijst toe het verzoek van de GI om de zorgregeling waar het betreft [minderjarige] te wijzigen in die zin dat de GI belast wordt met de regie met betrekking tot de invulling van de zorgregeling tussen [minderjarige] en haar beide ouders.
8.3. wijst af het meer of anders verzochte.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: