Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:6936 - Rechtbank Rotterdam - 4 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:6936•4 juni 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700125 / JE RK 25-1033
Datum uitspraak: 4 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over (het horen op) een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.M. Krommendijk, kantoorhoudende te Dordrecht,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. Y. Sijberden, kantoorhoudende te Zoetermeer,
[naam stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats 1],
[naam 1],
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam 2],
hierna te noemen: de bijzondere curator, kantoorhoudende te [plaatsnaam].
In de adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 mei 2025. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover digitaal een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2. [minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 april 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter twee bijzondere curatoren voor [minderjarige] en haar zus [naam 5] benoemd tot 14 oktober 2025.
2.4. Het hoofdverblijf van [minderjarige] is bij beschikking bij de moeder bepaald en daarbij is een zorgregeling met vader overeengekomen.
2.5. [minderjarige] is op 27 maart 2025 zonder toestemming van de moeder bij de vader gaan wonen.
2.6. [minderjarige] gaat sinds 28 maart 2025 niet meer naar school en ook heeft zij sindsdien geen contact meer met moeder en/of stiefvader.
2.7. Er heeft een kort geding zitting plaatsgevonden tussen de belanghebbenden en het vonnis is op 16 mei 2025 gewezen.
2.8. Er heeft een voortzetting van het kort geding plaatsgevonden op 26 mei 2025. De zittingsaantekeningen zijn overlegd.
2.9. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 mei 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 20 juni 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
2.10. De GI heeft op 27 mei 2025 een spoedverzoek ingediend waarin zij primair verzocht tot het vaststellen/wijzigen van de zorgregeling ex artikel 1:265g lid 1 BW en verzocht dit gelijktijdig met de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te behandelen op 30 mei 2025. Subsidiair verzocht de GI het verzoek te behandelen zonder voorafgaand horen van de partijen zodat er voor de mondelinge behandeling ter zitting op 30 mei 2025 een beslissing wordt genomen. Diezelfde dag heeft de GI het verzoek tevens per e-mail aan de rechtbank verstuurd. Namens de kinderrechter is de GI door de griffier geïnformeerd dat dit verzoek niet ter zitting zal worden behandeld gezien de krappe zittingsruimte. Op 28 mei 2025 bleek dat het spoedverzoek de verkeerde administratie van de rechtbank had bereikt. Diezelfde dag heeft de piketrechter de beslissing genomen dat het verzoek versneld op zitting zal worden behandeld, te weten op 6 juni 2025 onder zaaknummer C/10/700800 / JE RK 25-1119.
3 Het (aangehouden) verzoek
3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. In de spoed zijn reeds vier weken verleend. Over de periode tot 20 november 2025 moet nog worden beslist.
4 Het zelfstandige verzoek
4.1. De vader heeft op 29 mei 2025 verzocht de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2017 te wijzigen in die zin dat de minderjarige [minderjarige], voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd, dan wel dat [minderjarige] voortaan haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben.
5 De standpunten
5.1. De GI handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. De afgelopen periode is relatief rustig verlopen, maar na de uitspraak van de rechter over het verzoek tot eenhoofdig gezag van de moeder over [minderjarige], is de situatie snel geëscaleerd. Vanaf dat moment liepen de gemoederen bij de moeder thuis hoog op en ging [minderjarige] op 28 maart 2025 naar de vader. Sindsdien lukte het de GI moeilijk om met [minderjarige] in contact te komen. De GI heeft [minderjarige] slechts op 2 april 2025 kunnen spreken. De GI ziet dat de vader vast zit in zijn eigen overtuiging en hij deinst niet terug om een partij met een andere visie te bestoken met klachten en procedures. Ter zitting wekt de vader het idee dat hij meewerkt, maar dit blijft in de praktijk uit. Zo waren er op de kort geding zitting van 16 mei 2025 meerdere doelen gesteld, waarmee iedereen akkoord ging. Echter, op 19 mei 2025 ontving de GI een e-mail van de vader met een dreigende toon. De vader stelt zich zeer dringend op en probeert de regie te pakken. Na het bericht van de bijzondere curatoren vond de GI dat het zo niet langer kon. De GI heeft daarom de suggestie gevolgd om [minderjarige] op een neutrale plek te plaatsen. Het gaat goed met [minderjarige] in de gezinsgerichte voorziening. Gezien wordt dat [minderjarige] steeds meer in contact is met de rest van de groep en deel uitmaakt van het gezinsleven. [minderjarige] wil graag naar school en hiervoor staat maandag een gesprek gepland. [minderjarige] heeft ook contact met haar zus [naam 5] en dit verloopt goed. [minderjarige] heeft op dit moment geen contact met de ouders en de GI wil de neutrale plaatsing voortzetten zodat [minderjarige] rust ervaart. Onderzocht moet worden of er bij [minderjarige] ruimte is voor contactherstel met de moeder. Family Supporters is bereid dit contact te begeleiden. [minderjarige] moet zodra dat kan ook contact met de vader hebben, er is echter nog geen partij gevonden die dit contact kan begeleiden. Verder wil de GI de komende periode onderzoeken of een gezinsopname van [minderjarige] met de ouders afzonderlijk mogelijk is. De bedoeling is dat dit zowel voor [minderjarige] in het gezin van moeder als voor [minderjarige] in het gezin van vader zal plaatsvinden. Nu dit enige tijd in beslag zal nemen, acht de GI een termijn van zes maanden voor de uithuisplaatsing passend. Positief is dat er twee jeugdbeschermers klaar staan om met het gezin aan de slag te gaan. Desgevraagd geeft de GI aan dat de hulpverlening bij de kinderpraktijk zoals eerder door vader geregeld voor [minderjarige] toch doorgang vindt als zij langer uit huis geplaatst blijft. Dit kan op de korte termijn van start gaan.
5.2. Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder vertelt ter zitting een geëmotioneerd verhaal, welke als processtuk ter zitting is overlegd. De moeder vindt het belangrijk dat er rust komt voor [minderjarige] en de partijen. Dit wordt geboden wanneer [minderjarige] op een neutrale plek verblijft. Belangrijk is dat [minderjarige] hulpverlening krijgt van professionals en zij bereikbaar is voor de mensen die zijn aangesteld om haar te helpen. Er dient goed in kaart te worden gebracht wat [minderjarige] wil en nodig heeft en op welke manier men tot contactherstel kan komen.
5.3. Door en namens de vader wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Volgens de vader is de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] disproportioneel en onrechtmatig. De GI heeft een eenzijdig en incompleet beeld van de situatie geschetst. Geen enkel incident duidt op een onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] vanaf het moment waarop zij bij de vader verbleef. [minderjarige] ervaarde juist eindelijk rust bij de vader. Haar suïcidale gedachten waren weg en zij was gestopt met automutilatie. [minderjarige] was blij dat zij kon starten bij de psycholoog die de vader had gevonden en waarvoor hij door de rechter vervangende toestemming heeft verkregen. Het is onjuist dat [minderjarige] niet naar school ging zonder overleg. De leerplichtambtenaar gaf namelijk aan dat zij nog niet naar school kon. Tevens diende eerst een herstelgesprek plaats te vinden met de moeder, maar dit is door de GI en de bijzondere curatoren geannuleerd. Dit zijn factoren waar de vader dus geen invloed op had en graag aan wilde meewerken. De vader was blij met de piketpalen die door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld en gericht zijn op hulpverlening, contactherstel en de stem van [minderjarige]. De GI beroept zich nu op de zorgen die door de bijzondere curatoren zijn geuit na het gesprek met [minderjarige], welk gesprek slechts tien minuten duurde. Begrijpelijk is dat [minderjarige] niet met hen wilde praten omdat zij weken geen hulpverlening had gehad. De mening van [minderjarige], dat zij bij de vader wil wonen, is helder, maar hieraan wordt herhaaldelijk voorbij gegaan. Ook gaat men er ten onrechte vanuit dat de vader [minderjarige] manipuleert. [minderjarige] mag van de vader contact hebben met de moeder en dat wil zij ook, maar wel op haar eigen voorwaarden. Dit is geen absurde eis, maar een noodkreet van [minderjarige]. Ook de uitspraken dat [minderjarige] opnameapparatuur bij zich zou hebben zijn suggestief en ongefundeerd en hiervoor is geen bewijs. De vader is zeer betrokken bij [minderjarige] en probeert haar te beschermen en handelt waar de GI steken laat vallen. Zo is er onlangs vertrouwelijke informatie over [minderjarige] met de moeder gedeeld. [minderjarige] heeft hierover een klacht ingediend omdat zij zich hier niet prettig bij voelt. Ook betreurt de vader dat er nog steeds geen vaste jeugdbeschermer aan het gezin is gekoppeld. De vele procedures zorgen voor veel spanning en belangrijk is dat [minderjarige] de rust krijgt die zij verdient. Deze rust had [minderjarige] bij de vader. Belangrijk is dat [minderjarige] naar de vader terugkeert zodat het hulpverleningstraject voor [minderjarige] op gang komt. De hulpverlening vindt geen doorgang wanneer zij uit huis geplaatst blijft en dit moet voorkomen worden. De vader verzoekt daarom de spoedbeslissing te herroepen en de verlenging van de maatregel af te wijzen.
5.4. De stiefvader stemt in met het verzoek van de GI en licht het ter zitting als volgt toe. De stiefvader staat achter hetgeen door de moeder ter zitting naar voren is gebracht. De stiefvader hoopt dat er wat aan de huidige situatie wordt gedaan, zodat zij als gezin kunnen bouwen aan een mooie toekomst.
5.5. De bijzondere curatoren stemmen in met het verzoek van de GI en lichten het ter zitting als volgt toe. De bijzondere curatoren hebben in het kort geding hun zorgen over de situatie van [minderjarige] geuit. [minderjarige] zit in groep acht en moet de basisschool goed afronden, maar [minderjarige] is al twee maanden niet naar school geweest en heeft geen contact met leeftijdsgenoten. [minderjarige] heeft ook geen contact met de hulpverlening en het lukte de bijzondere curatoren eerst ook niet om met [minderjarige] in contact te komen. [minderjarige] heeft op dit moment geen contact met de ouders, maar wel met haar zus [naam 5]. De bijzondere curatoren hebben [naam 5] onlangs ook gesproken. Desgevraagd vinden de bijzondere curatoren het belangrijk om te vermelden dat [naam 5] positief is over de moeder en de stiefvader en zij de zorgen die door [minderjarige] en de vader over hen zijn geuit niet deelt. Ook is [naam 5] positief over de vader.
5.6. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI en licht het ter zitting als volgt toe. [minderjarige] heeft het recht om door beide ouders opgevoegd te worden en van allebei onvoorwaardelijke liefde te ontvangen. Dit is na de scheiding tussen de ouders compleet vastgelopen en de nasleep van de scheiding is voor [minderjarige] vernietigend geweest. Gezien wordt dat de ondertoezichtstelling onvoldoende ruimte biedt om [minderjarige] te kunnen geven wat zij nodig heeft. Hierdoor is een verstrekkende maatregel nodig en is de machtiging tot uithuisplaatsing terecht uitgesproken. [minderjarige] kan wanneer zij bij de vader dan wel de moeder thuis woont onvoldoende geholpen worden. [minderjarige] voelt zich genoodzaakt om voor een ouder te kiezen en dit is een ongezonde houding. Belangrijk is dat [minderjarige] uit deze denkwijze wordt gehaald, zodat zij zich in een rustige omgeving kan ontwikkelen. Allebei de ouders moeten ook bij zichzelf nagaan hoe het belang van [minderjarige] zo goed mogelijk kan worden gediend.
6 De beoordeling
Het zelfstandige verzoek van de vader
6.1. De kinderrechter is van oordeel dat het zelfstandige verzoek van de vader omtrent de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] wegens strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen.
De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6.2. Met betrekking tot de toegewezen spoedmachtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende.
6.3. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en hier verbleef zij tot voorkort het merendeel van de tijd. Echter, op 27 maart 2025 is de situatie bij de moeder thuis uit de hand gelopen en heeft [minderjarige] zichzelf beschadigd. Sinds 28 maart 2025 verbleef [minderjarige] volledig bij de vader, zonder toestemming of overleg met moeder. Over de situatie van [minderjarige] bij de vader bestonden grote zorgen waardoor [minderjarige] op 23 mei 2025 uit huis is geplaatst.
6.4. [minderjarige] werd sinds haar verblijf bij de vader afgezonderd van de moeder, school, de hulpverlening en de bijzondere curatoren. [minderjarige] heeft sinds zij bij de vader verbleef geen contact meer met de moeder gehad. De vader stelt dat hij het contact tussen [minderjarige] en de moeder niet verbiedt, maar gebleken is dat de vader voorwaarden stelt aan het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Zo heeft de vader als voorwaarde gesteld dat het contact pas plaats zou kunnen vinden nadat [minderjarige] traumabehandeling heeft gehad. Hierdoor belemmert de vader wel degelijk het contact. Daarnaast gaat [minderjarige] al langere tijd niet naar school. De vader verweert zich hiertegen door te stellen dat [minderjarige] nog niet naar school mag, nu uit de brief van de leerplichtambtenaar van 23 mei 2025 volgt dat [minderjarige] haar psychische belastbaarheid eerst beoordeeld moet worden. Dit verweer gaat echter niet op omdat [minderjarige] voor de brief al niet naar school ging, namelijk sinds 28 maart 2025. Ook was [minderjarige] niet bereikbaar voor de GI en de hulpverlening. Zij hebben haar slechts een keer op 2 april 2025 gesproken. De vader verweert zich tegen de stelling door naar voren te brengen dat hij juist zelf op zoek is gegaan naar passende hulpverlening voor [minderjarige]. Begrijpelijk is dat de vader hier zelf naar op zoek gaat, maar het is niet aan de vader alleen om te bepalen wat passende hulpverlening voor [minderjarige] is. Dit is de taak van de GI en dient in samenspraak met de GI en allebei de ouders te geschieden. Ook de bijzondere curatoren beamen dat het hen niet lukte om in contact te komen met [minderjarige]. De vader betwist dat en geeft aan dat de bijzondere curatoren [minderjarige] hebben gesproken op 21 mei 2025. [minderjarige] wilde echter niet met de bijzondere curatoren spreken en het gesprek duurde slechts tien minuten, aldus vader. Volgens de vader kan in een dusdanig kort gesprek de stem van [minderjarige] onvoldoende naar voren zijn gekomen. De kinderrechter is van oordeel dat de vader hiermee miskent dat [minderjarige] een meisje van dertien jaar is. Het is belangrijk dat de ouders, de bijzonder curatoren en de GI naar [minderjarige] luisteren, maar dat betekent nog niet dat haar stem alleen doorslaggevend is. Het is aan de volwassenen en hulpverleners om [minderjarige] heen om de stem van [minderjarige] te duiden en daarbij de beslissingen te nemen die het meest in haar belang zijn. Dat kan ook een beslissing zijn die niet letterlijk overeenkomt met de stem van [minderjarige]. Van de vader had verwacht mogen worden dat hij dat onderkent en dat hij uit zorg voor [minderjarige], haar tenminste stimuleert en helpt de aangeboden hulpverlening vanuit de GI en de bijzondere curatoren te vertrouwen en te accepteren.
6.5. Naast het feit dat [minderjarige] geïsoleerd werd van de moeder en de buitenwereld, was ook het contact tussen de hulpverleners en de vader moeilijk. De vader heeft een defensieve houding en een eigen visie waardoor de samenwerking met de moeder, de GI en de hulpverlening stagneert. Ook dient de vader geregeld klachten in tegen de hulpverlening, stelt hij zich dreigend op en probeert hij de regie te pakken. Deze houding wordt goed geïllustreerd in een e-mail van de vader aan de GI van 19 mei 2025 welke e-mail ter zitting werd voorgelezen door de GI. ("Ik krijg een mailtje van de vader of ik in overweging wil nemen de afspraak tussen de moeder en [minderjarige] uit te stellen. Hij geeft aan dat als ik dat niet doe, ik dit moet doen met kennis van alle risico's"). Vader heeft er ter zitting geen blijk van gegeven dat die voorgelezen mail niet juist is, of niet van hem is, of niet als dreigend kan worden opgevat. Dit alles geeft naar het oordeel van de kinderrechter voldoende blijk van een dreigende houding van de vader richting de GI en een niet meewerkende houding vanuit de vader naar de GI.
6.6. De isolatie van [minderjarige] van de buitenwereld en de houding van de vader maakten dat er geen zicht was op [minderjarige] bij de vader thuis waardoor sprake was van een spoedeisend belang om [minderjarige] zo snel mogelijk op een neutrale plek te plaatsen. Daarnaast achtte de GI een spoedverzoek noodzakelijk zodat op die manier voorkomen kon worden dat de vader wederom zonder voorafgaand overleg de regie zou proberen te nemen, aangezien uit het voorgaande blijkt dat de vader veel waarde hecht aan zijn autonomie als verzorgende ouder. Hiertoe is de GI onder meer overgegaan op aanbeveling van de bijzondere curatoren. De vader voert hiertegen als verweer dat de spoeduithuisplaatsing niet gerechtvaardigd kan worden omdat de GI het standpunt van de bijzondere curatoren omtrent de plaatsing op een neutrale plek heeft overgenomen. De kinderrechter is van oordeel dat dit verweer niet slaagt, nu het de GI vrij staat tot een dergelijk verzoek over te gaan, ook wanneer dit op aanbeveling van de bijzondere curatoren is. Dit te meer nu de bijzondere curatoren zijn aangesteld om het belang van [minderjarige] te dienen.
6.7. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat sprake was van een onmiddellijk en ernstig gevaar, waardoor de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op goede gronden is verleend. De kinderrechter zal de beslissing daarom in stand laten.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.8. De kinderrechter overweegt met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] als volgt.
6.9. Sinds de machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] in een gezinshuis en zij maakt het daar goed. Gezien wordt dat [minderjarige] steeds meer in contact is met de rest van het gezinshuis en steeds meer deel uitmaakt van het gezinsleven. Sinds de neutrale plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis heeft zij geen contact met de ouders gehad. Wel heeft [minderjarige] contact met haar zus [naam 5] en dit verloopt goed.
6.10. De moeder, de stiefvader, de GI en de Raad stemmen in met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. De vader verweert zich hiertegen. De vader stelt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] disproportioneel en onrechtmatig is nu dit verzoek gebaseerd is op een onvolledige en eenzijdige voorstelling van zaken door de GI. Dit is de kinderrechter uit de stukken en de mondelinge behandeling niet gebleken noch is het de kinderrechter gebleken dat de GI moedwillig stukken achterwege heeft gehouden. De vader heeft de volgens hem ontbrekende stukken zoals de suïcideverklaring van [minderjarige] en het advies van de crisisdienst van Yulius aan het dossier toegevoegd. De kinderrechter heeft derhalve ook deze stukken in haar overweging meegenomen. Tevens stelt de vader dat een minder zwaar middel mogelijk was geweest, zoals tijdelijke begeleiding met veiligheidsvoorwaarden of gefaseerd herstel van contact na traumabehandeling. Dit omdat de vader stelt zelf op zoek te zijn gegaan naar hulpverlening voor [minderjarige] en een passende psycholoog te hebben gevonden, terwijl de GI niets deed. Ook had [minderjarige] volgens de vader geen last meer van suïcidale gedachten toen zij bij de vader verbleef. De vader is er hierdoor van overtuigd dat hij ervoor kan zorgen dat [minderjarige] passende hulpverlening krijgt. Ter zitting is door de Raad aangevoerd dat alle maatregelen zijn onderzocht en dat geconcludeerd wordt dat [minderjarige] zowel bij de vader als de moeder thuis niet de hulp kan krijgen die zij nodig heeft. Hierdoor is de uithuisplaatsing in deze situatie noodzakelijk en gepast en de kinderrechter deelt deze mening. De kinderrechter merkt op dat het niet aan de vader alleen is om te bepalen welke hulpverlening voor [minderjarige] passend is en daarin alleen de regie te nemen. De regie hiervoor ligt bij de GI en dient in overeenstemming met allebei de ouders met gezag te geschieden. Zolang de vader dit niet inziet, miskent hij dat een reden voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] erin is gelegen dat de vader niet meewerkt aan een gezamenlijk aanpak voor de problematiek van [minderjarige].
6.11. Nu duidelijk is geworden dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders en gebleken is dat zij niet de juiste hulpverlening krijgt wanneer zij bij een van de ouders thuis woont, is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening noodzakelijk is. Belangrijk is dat [minderjarige] hier de aankomende periode tot rust komt en beschikbaar is voor de beoogde hulpverlening zodat deze zo snel mogelijk ingezet kan worden. Positief is dat ter zitting is gebleken dat de hulpverlening voor [minderjarige] alsnog doorgang vindt ook als zij niet naar huis of de vader terugkeert. Verder is het van belang dat de GI in staat kan worden gesteld om te onderzoeken of een gezinsopname van [minderjarige] apart met elke ouder mogelijk is. Ook kan er vanuit een neutrale plek verder gewerkt worden aan contactherstel tussen [minderjarige] met de moeder. Positief is dat Family Supporters dit kan begeleiden. Voorts is het essentieel dat [minderjarige] contact heeft met de vader. Gebleken is dat dit ingewikkelder ligt nu Family Supporters dit niet kan faciliteren. Belangrijk is dat de GI op zoek blijft naar een instantie die deze omgang kan begeleiden en dat vader zich hierin meewerkend opstelt. Tot slot dient het gesprek op school te worden afgewacht, in de hoop dat [minderjarige] haar schoolgang snel weer kan oppakken, zodat zij weer contact heeft met leeftijdsgenoten en zij groep acht positief kan afronden.
6.12. De kinderrechter zal gezien het voorgaande de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de duur van vijf maanden, te weten tot 20 november 2025.
6.13. De overige verweren door en namens de vader aangevoerd, voor zover hierboven niet al besproken, worden afgewezen omdat die onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd.
6.14. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
7.1. houdt de beschikking van 23 mei 2025 in stand;
7.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 20 november 2025;
7.3. wijst af het zelfstandige verzoek van de vader;
7.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: