Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:4571 - Rechtbank Rotterdam - 29 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:457129 januari 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11823

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Inleiding

1.1. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 heeft het college de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet verlaagd met 100% gedurende de maand december 2024. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2. Bij mailbericht van 15 januari 2025 heeft het college verzoekster en de voorzieningenrechter bericht dat het na heroverweging van de feiten en omstandigheden van de zaak heeft besloten dat het bestreden besluit niet houdbaar is. De maatregel is daarom op 14 januari 2025 ingetrokken en het bedrag aan te veel ingehouden uitkering is aan verzoekster uitbetaald.
1.3. Bij mailbericht van 15 januari 2025 heeft de griffier van de rechtbank verzoekster gevraagd mee te delen of zij vanwege het bericht van het college van 15 januari 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening wil intrekken. Daarbij heeft de rechtbank verzoekster gevraagd om, als zij haar verzoek handhaaft, mee te delen waarom zij het verzoek wil handhaven.
1.4. De griffier van de rechtbank heeft verzoekster voorafgaand aan de zitting op 16 januari 2025 telefonisch gesproken. Verzoekster heeft meegedeeld dat zij het bericht van de rechtbank van 15 januari 2025 in haar mailbox heeft ontvangen en dat zij voornemens was haar verzoek om een voorlopige voorziening (schriftelijk) in te trekken. De rechtbank heeft vervolgens niets meer van verzoekster vernomen.
1.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Verzoekster is niet verschenen. De gemachtigde van het college is met bericht niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1. Verzoekster heeft om een voorlopige voorziening verzocht. Dat betreft een spoedprocedure. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang.[1]
2.2. Nu het college in het mailbericht van 15 januari 2025 heeft meegedeeld dat de maatregel is ingetrokken en dat de uitkering van verzoekster inmiddels is hersteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen spoedeisend belang meer bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening. In het feit dat het college aan verzoekster tegemoet is gekomen door de uitkering te herstellen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht vergoedt.

Conclusie en gevolgen

  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treft. Verzoekster heeft € 51, - aan griffierecht betaald. De voorzieningenrechter zal op grond van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb bepalen dat het college het betaalde griffierecht moet terugbetalen. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. - - - ## Voetnoten
Als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.