Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15559 - Rechtbank Rotterdam - 25 september 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1555925 september 2025

Uitspraak inhoud

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/704585 / JE RK 25-1624
Datum uitspraak: 25 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd in Middelburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de moeder en de vader, en samen de ouders,
bijgestaan door advocaat mr. S.J. Nijssen, kantoorhoudende in Goes,
[naam oma],
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de oma.

1 Het verloop van de procedure

1.1. Het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI van 4 augustus 2025 is ontvangen op diezelfde datum. Op 11 september 2025 is ontvangen de adviesbrief van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 september 2025.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2025. Daarbij waren aanwezig: - de ouders en hun advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI (via een videoverbinding), te weten [naam] , - de oma.

2 De feiten

2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. Op 5 juli 2023 is [minderjarige] door de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Vervolgens is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd en loopt nu tot 5 oktober 2025.
2.3. Daarnaast heeft de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, op 5 juli 2023, een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma. Deze machtiging is daarna steeds verlengd en geldt nu tot 5 oktober 2025.
2.4. [minderjarige] verblijft bij de oma.

3 Het verzoek van de GI

3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit – samengevat – als volgt toe. Het opgroeiperspectief van [minderjarige] is nog onduidelijk. Er loopt een strafzaaktegen de ouders en zolang daarin geen einduitspraak is gedaan, wordt niet toegewerkt naar terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders. Als de ouders worden veroordeeld, zal het perspectief niet bij de ouders liggen. Dat betekent dat er nog geen hulpverlening ingezet wordt. In de tussentijd verblijft [minderjarige] op een stabiele en veilige plek bij de oma. Bekeken gaat worden of de omgang tussen [minderjarige] en de ouders kan worden uitgebreid, ook gelet op de wens van [minderjarige] dat de ouders bij de oma komen logeren.

4 De standpunten

4.1. Door en namens de ouders is ter zitting te kennen gegeven dat zij zich niet verzetten tegen verlenging van de maatregelen. Hoewel de ouders [minderjarige] het liefst thuis zouden willen hebben, zijn zij heel blij dat [minderjarige] bij de oma kan verblijven. De ouders begrijpen de afwachtende houding van de GI. Zij hebben echter vertrouwen in een positieve uitkomst van de strafzaak. In de tussentijd zouden de ouders graag zien dat de omgang met [minderjarige] wordt uitgebreid, omdat de huidige regeling van tweemaal per week erg beperkt is. Verder is het van belang dat in de komende periode de opvoedvaardigheden van de ouders in kaart worden gebracht. Op die manier kan bij een vrijspraak snel worden gehandeld en gaat niet onnodig tijd verloren aan onderzoek naar het opgroeiperspectief bij de ouders.. Er is nog geen zicht op een datum voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de ouders.
4.2. Door de oma is ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] , zowel bij de oma thuis als op school. De oma kan voor [minderjarige] blijven zorgen zolang als dat nodig is.

5 De beoordeling

5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar. De kinderrechter verlengt ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Verlenging daarvan is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .[2] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2. De 4-jarige [minderjarige] is in juli 2023 onder toezicht gesteld van de GI en met spoed uit huis geplaatst, omdat er zorgen waren over haar veiligheid. Het acht maanden oude zusje van [minderjarige] is toen overleden en haar overlijden is mogelijk veroorzaakt door toegebracht letsel. Eerder, in januari 2022, is ook het broertje van [minderjarige] overleden. Hij was toen een paar weken oud. De ouders worden strafrechtelijk vervolgd. In 2024 hebben zij in voorlopige hechtenis gezeten. In september 2024 is de voorlopige hechtenis geschorst. Onbekend is wanneer de strafzaak tegen de ouders inhoudelijk wordt behandeld. De GI is van mening dat de uitkomst van de strafzaak moet worden afgewacht voordat kan worden toegewerkt naar een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] . Tijdens eerdere verlengingen van de machtiging tot uithuisplaatsing is die visie door de kinderrechter onderschreven en de ouders hebben te kennen gegeven dat te begrijpen. Zij stellen het belang van [minderjarige] voorop. Dat is prijzenswaardig. [minderjarige] verblijft bij de oma. Zij ontwikkelt zich goed en kan zo lang bij de oma blijven als nodig is. [minderjarige] en de ouders zien elkaar één keer per week onder begeleiding van de pleegzorgmedewerker en in het weekend onder begeleiding van de oma of andere familieleden. Dat verloopt goed. Gezien wordt dat de ouders liefdevol zijn, dat zij adequaat reageren op [minderjarige] en dat zij grenzen stellen. [minderjarige] lijkt te genieten van het contact met de ouders en vraagt hier ook steeds meer om, zo blijkt uit de stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting. De GI heeft ter zitting toegezegd de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgang te gaan onderzoeken. De kinderrechter acht het van belang dat, naast uitbreiding van de omgang, de opvoedvaardigheden van de ouders verder in kaart worden gebracht en dat wordt bezien of, en zo ja, welke, (ambulante) hulpverlening nu al kan worden ingezet. Voorkomen moet worden dat er kostbare tijd verloren gaat. Tot slot merkt de kinderrechter op dat als blijkt dat terugplaatsing van [minderjarige] eerder mogelijk is, de machtiging hier niet aan in de weg staat.
5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 5 oktober 2026;
6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma, tot 5 oktober 2026;
6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikelen 1:255 en 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikelen 1:265b en 1:265c BW. - - - ## Voetnoten
Artikelen 1:255 en 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikelen 1:265b en 1:265c BW.