Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15552 - Rechtbank Rotterdam - 18 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15552•18 september 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/698378 / JE RK 25-811 en C/10/704867 / JE RK 25/1663
Datum uitspraak: 18 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, een verzoek machtiging uithuisplaatsing en een benoeming bijzondere curator
in de zaken van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de moeder,
bijgestaan door advocaat mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
zonder vaste woon - of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de vader.
1 Het (verdere) verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer C/10/698378 blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 13 juni 2025, waarbij de behandeling van het verzoek van de GI tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden tot de zitting van 18 september 2025.
1.2. Op 11 juli 2025 is ontvangen de briefrapportage (met bijlagen) van de GI van 24 juni 2025.
1.3. Op 21 juli 2025 zijn ontvangen een digitaal bericht van de advocaat van de moeder, waarbij ook wordt verzocht om een bijzondere curator te benoemen, en de daarbij gevoegde brief van de huisarts van 1 juli 2025.
1.4. Op 8 augustus 2025 is ontvangen het schriftelijke verzoek (met bijlagen) van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] (zaaknummer C/10/70486).
1.5. Op 18 september 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder en haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 1] .
1.6. De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [naam 2] , de partner van de moeder.
1.7. De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.8. Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Koreaanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Koreaanse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.9. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] woont bij de moeder.
2.3. Op 24 juli 2024 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Vervolgens is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. Deze loopt tot 11 oktober 2025.
3 De (aangehouden) verzoeken
Het aangehouden verzoek van de GI d.d. 7 april 2025 (C/10/698378)
3.1. De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 11 oktober 2025, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek van de moeder d.d. 21 juli 2025
3.2. De moeder verzoekt een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige] .
Het verzoek van de GI d.d. 8 augustus 2025 (C/10/704867)
3.3. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) te verlengen (de kinderrechter begrijpt: verlenen) voor de duur van één jaar, met ingang van 31 juli 2025. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
- De standpunten
4.1. De GI heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. Er is onvoldoende zicht op de situatie van [minderjarige] doordat de moeder niet meewerkt aan de ondertoezichtstelling. Zij weigert iedere vorm van samenwerking met de GI. De jeugdbeschermer krijgt nauwelijks contact met de moeder en [minderjarige] . Tijdens de vorige zitting heeft de moeder toegezegd alsnog mee te zullen werken, maar die toezegging heeft zij direct na de zitting ingetrokken. De voor [minderjarige] noodzakelijk geachte diagnostiek, gezinsopname en behandeling bij Yulius zijn hierdoor nog steeds niet van de grond gekomen. Nagegaan is of de huisarts van [minderjarige] en de moeder hier een rol in kan spelen. De huisarts heeft te kennen gegeven dat niet te willen, omdat zij haar neutrale positie wil behouden. De GI heeft door dit alles nog steeds geen zicht op het dagelijks functioneren van [minderjarige] . Hulpverlener Care-4 All komt wel éénmaal per week bij [minderjarige] en de moeder thuis, maar de informatie die hierdoor wordt verkregen is beperkt. Na de vorige zitting zijn de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] toegenomen. De moeder blijkt namelijk kort voor de vorige zitting te zijn gestopt met medicatie voor en behandeling van haar psychische problemen, terwijl de zorgen over haar mentale welzijn juist aanleiding waren voor de ondertoezichtstelling. Omdat de zorgen over [minderjarige] nog steeds bestaan en het niet lukt om die met hulpverlening in het gedwongen kader weg te nemen, acht de GI plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis noodzakelijk. De GI heeft een plek voor hem gevonden in Leerdam. In benoeming van een bijzondere curator wordt geen meerwaarde gezien. Het belang van [minderjarige] wordt al behartigd door de jeugdbeschermer.
4.2. De moeder verzet zich tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing. Door en namens haar is ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die overheidsbemoeienis rechtvaardigt. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is na de zomervakantie gestart op de middelbare school en gaat hier met plezier naartoe. Hij heeft nieuwe vrienden gemaakt en hij heeft wekelijks een gesprek met een coach van school, waarin hij over zijn gevoelens kan praten. Er is geen sprake van schoolverzuim. Ook thuis gaat het goed: De hulpverlener van Care-4 All komt wekelijks langs en zij is positief over de thuissituatie en over de band tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder gebruikt geen Oxazepam meer. Hierdoor voelt zij zich juist beter. De moeder ervaart de ondertoezichtstelling en het contact met de jeugdbeschermer als onderdrukkend en onveilig. Zij voelt zich hierdoor emotioneel overvraagd. Dat heeft mogelijk ook met het verleden te maken. De ondertoezichtstelling is niet uitvoerbaar gebleken. Verlenging heeft daarom weinig zin. Met Care-4 All verloopt het contact wel goed. De moeder wil deze hulp in de toekomst graag behouden, ook als de ondertoezichtstelling eindigt. Als de ondertoezichtstelling wel wordt verlengd, dan wordt verzocht om een bijzondere curator te benoemen, zodat een onafhankelijke derde kan nagaan waar [minderjarige] behoefte aan heeft. Op dit moment lijkt een uithuisplaatsing meer schade dan goed te doen. Een uithuisplaatsing is dus niet in het belang van [minderjarige] .
5 De beoordeling
Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling, maar met een kortere periode dan verzocht. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
5.2. De nu 12-jarige [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI omdat hij jarenlang is belast met de (psychische) problemen van de moeder. Bij haar is sprake van een posttraumatische stressstoornis en het HWA-Byung syndroom. Geconstateerd werd dat [minderjarige] zich verantwoordelijk voelt voor zijn moeder en zich zorgen maakt om haar. Hierdoor kon hij zichzelf onvoldoende ontwikkelen en had hij last van sombere gevoelens. Hij kwam weinig buiten, had weinig contact met leeftijdsgenoten en ondernam weinig activiteiten. Ook gingen zijn schoolresultaten achteruit. Uit de stukken, de ter zitting daarop gegeven toelichting en het gesprek met [minderjarige] blijkt dat [minderjarige] het in het afgelopen jaar goed heeft gedaan op school, dat hij na de zomervakantie is gestart op de middelbare school en dat hij hier met plezier naartoe gaat. [minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verder te kennen gegeven dat het thuis ook goed gaat, dat het beter gaat met zijn moeder en dat hij zich nu niet meer zo triest voelt. Dat de zorgen over [minderjarige] zodanig zijn afgenomen dat van een ontwikkelingsbedreiging geen sprake meer is, kan evenwel niet worden vastgesteld. Psychodiagnostisch onderzoek, laat staan behandeling, is niet van de grond gekomen. De GI heeft ook niet op andere wijze goed zicht kunnen krijgen op het psychisch welbevinden van [minderjarige] , en ook niet op zijn thuissituatie. Op de basisschool werd bovendien juist gezien dat sprake is van emotionele instabiliteit bij [minderjarige] , dat hij een gesloten indruk maakt en dat hij onvoldoende uiting kan geven aan gevoelens. Verder schrijft de huisarts in haar brief van 1 juli 2025 dat zij zich zorgen maakt over de omgeving en ontwikkeling van [minderjarige] . De eerder bestaande zorgen over de psychische problemen van de moeder en de impact daarvan op [minderjarige] zijn dus onvoldoende afgenomen. Dit alles maakt verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Wel zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling met een kortere periode verlengen dan verzocht, te weten met zes maanden. De beslissing op het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden, zodat tussentijds kan worden bekeken wat dan de stand van zaken is.
Ten aanzien van het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing
5.3. De kinderrechter kan de GI op haar verzoek machtigen om een minderjarige uit huis te plaatsen als dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid (artikel 1:265b lid 1 BW). Dat de zorgen over [minderjarige] en zijn thuissituatie zodanig zijn dat het beter voor hem is als hij in een gezinshuis wordt geplaatst, kan de kinderrechter door gebrek aan voldoende informatie niet vaststellen. Door de hulpverlener van Care-4 All, die wekelijks bij de moeder en [minderjarige] thuis komt, is ook niet gesignaleerd dat de thuissituatie op dit moment zo zorgelijk is dat [minderjarige] nu het meest gebaat is bij een uithuisplaatsing. De kinderrechter wijst het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing met zaaknummer C/10/698378, dat ziet op uithuisplaatsing tot 11 oktober 2025, daarom af. Het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing met zaaknummer C/10/704867, dat ziet op uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, wordt daarentegen aangehouden. Om een goede afweging te kunnen maken, is namelijk meer informatie nodig. Het gebrek aan zicht op het psychisch welbevinden van [minderjarige] en de moeder en het feit dat [minderjarige] in het gesprek met de kinderrechter te kennen heeft gegeven dat hij graag thuis wil blijven wonen en dat een uithuisplaatsing juist zou maken dat hij zich weer triest gaat voelen, maken dat eerst goed in kaart moet worden gebracht wat [minderjarige] nodig heeft om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen. De kinderrechter zal de te benoemen bijzondere curator vragen dat te doen. De kinderrechter licht dat hierna verder toe.
5.4. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op 15 januari 2026een briefrapportage aan haar te doen toekomen over de stand van zaken op dat moment en daarin ook aan te geven of het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing worden gehandhaafd.
Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator
5.5. De kinderrechter kan een bijzondere curator benoemen als de belangen van een met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van zijn of haar minderjarige kind en het in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht dat de minderjarige in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door een bijzondere curator (artikel 1:250 BW). Die situatie doet zich naar het oordeel van de kinderrechter voor. De moeder weigert haar medewerking te verlenen aan de ondertoezichtstelling, ook nadat de GI haar schriftelijke aanwijzingen heeft gegeven en zelfs nu uithuisplaatsing van [minderjarige] dreigt. Hierdoor heeft de GI in de afgelopen veertien maanden geen zicht kunnen krijgen op de thuissituatie van [minderjarige] en op hoe het met hem gaat. Ook is het, door de weigerachtige houding van de moeder, niet gelukt om hulpverlening in te zetten voor [minderjarige] . Niet te verwachten valt dat hier (zonder tussenkomst van een onafhankelijke derde) verandering in gaat komen. Dit alles is niet in het belang van [minderjarige] . Benoeming van een bijzondere curator die [minderjarige] in deze procedure vertegenwoordigt, is daarom noodzakelijk. De kinderrechter heeft [naam 4] bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en de belangen van [minderjarige] te behartigen. Zij zal hiertoe door de kinderrechter worden benoemd. De bijzondere curator wordt verzocht in kaart te brengen wat [minderjarige] nodig heeft om zich zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen en of hij gebaat is bij een uithuisplaatsing.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
in de zaak met nummer C/10/698378
6.1. wijst het verzoek af;
in de zaak met nummer C/10/704867
6.2. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 11 april 2026;
6.3. benoemt tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] te vertegenwoordigen: [naam 4] , kantoorhoudende in Rotterdam;
6.4. bepaalt dat deze benoeming geldt met ingang van heden tot 11 april 2026;
6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en, alvorens verder te beslissen:
6.6. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader, de moeder, haar advocaat en de bijzondere curator op te verschijnen tijdens de zitting van mr. drs. H. Biemond in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, in het gerechtsgebouw aan de Steegoversloot 36 in Dordrecht, op 22 januari 2026 te 14:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.7. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.8. vraagt de griffier [minderjarige] uit te nodigen voor een kindgesprek;
6.9. verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op 8 januari 2026 schriftelijk verslag aan de kinderrechter uit te brengen over haar bevindingen, met afschrift daarvan aan de GI, de belanghebbenden en de advocaat van de moeder;
6.10. verzoekt de GI uiterlijk op 15 januari 2026 een briefrapportage aan haar te doen toekomen over de stand van zaken op dat moment en daarin aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd, met afschrift daarvan aan de belanghebbenden, de advocaat van de moeder en de bijzondere curator.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikelen 1:255 en 1:260 BW. - - - ## Voetnoten