Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15544 - Rechtbank Rotterdam - 11 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15544•11 september 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705700 / JE RK 25-1768
Datum uitspraak: 11 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een (traject)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,
bijgestaan door advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam.
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025; - het rapport van de Raad van 4 september 2025.
1.2. Het verzoek van de Raad is behandeld op de zitting met gesloten deuren op 5 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
1.3. De behandeling van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 11 september 2025.
1.4. Op 11 september 2025 is de behandeling van het verzoek hervat ter zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft op een gesloten groep op [naam instelling] .
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 september 2025.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 16 september 2025.
3 Het verzoek van de Raad
3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de Raad een (traject)machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor [minderjarige] voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee maanden en aansluitend een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en als volgt toegelicht. Ondanks de positieve stappen die [minderjarige] heeft gezet en het verbeterde contact met haar moeder, zijn er nog zorgen. Recent is nog sprake geweest van middelengebruik en is [minderjarige] weggelopen. Op dit moment is nog onvoldoende vertrouwen dat zij zich in een open setting niet zal onttrekken aan de hulpverlening. Daarnaast is de noodzakelijke therapie binnen [naam instelling] nog niet gestart, waardoor een zorgvuldige overgang naar een open groep meer tijd vraagt. Omdat er op dit moment nog geen zicht is op een vervolgplek voor [minderjarige] en een onmiddellijke overgang naar een open setting onvoldoende zekerheid biedt, blijft het verblijf van [minderjarige] op [naam instelling] de meest passende oplossing. Voortzetting van [minderjarige] 's verblijf is mogelijk op drie verschillende manieren. Dit kan door middel van een gesloten machtiging, een open machtiging - mits concreet zicht is op een vervolgplek binnen drie maanden - en tenslotte via een voorwaardelijke gesloten machtiging tot uithuisplaatsing. Desgevraagd heeft de Raad aangegeven dat een voorwaardelijke gesloten machtiging in de situatie van [minderjarige] een passende oplossing zou kunnen bieden.
4 De standpunten
4.1. Door de GI is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Er is op dit moment nog geen vervolgplek beschikbaar voor [minderjarige] . Hoewel [minderjarige] zich open en meewerkend opstelt, blijkt het vinden van een vervolgplek zeer moeilijk. Vanwege haar delictgedrag en eerdere aangiftes wordt zij door veel aanbieders afgewezen. Hierdoor is het onzeker op welke termijn een vervolgplek voor [minderjarige] beschikbaar zal zijn. Haar verblijf bij [naam instelling] dient om die reden te worden voortgezet. Indien een voorwaardelijke gesloten machtiging tot uithuisplaatsing volstaat voor de continuering van haar verblijf bij [naam instelling] , sluit de GI zich aan bij de Raad dat dit een passend alternatief zou zijn voor een gesloten machtiging tot uithuisplaatsing.
4.2. Door en namens [minderjarige] is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat goed met [minderjarige] en zij heeft de afgelopen tijd hard gewerkt om positieve stappen te laten zien. Een gesloten machtiging tot uithuisplaatsing is een zeer ingrijpende maatregel en mag uitsluitend worden ingezet indien dit strikt noodzakelijk is. Het enkele feit dat er nog geen vervolgplek beschikbaar is, kan daartoe niet dienen. Deze organisatorische beperkingen en het nalaten van de betrokken instanties zou niet in het nadeel van [minderjarige] mogen komen te gelden. Primair is daarom verzocht het verzoek af te wijzen. Subsidiair kan [minderjarige] zich verenigen met de verlening van de gesloten machtiging tot uithuisplaatsing van maximaal één maand, zodat haar plek bij [naam instelling] tijdelijk gecontinueerd wordt en er tijd is om een passende open plek te vinden. De door de Raad verzochte verlening voor de duur van twee maanden is te verstrekkend. Tenslotte geven [minderjarige] en de moeder aan dat een vervolgplaatsing in Rotterdam onwenselijk is, omdat [minderjarige] gevoelig is voor negatieve beïnvloeding door andere jongeren in deze omgeving.
4.3. De moeder en haar advocaat sluiten zich aan bij het standpunt van de advocaat van [minderjarige] . De moeder is blij dat het beter gaat met [minderjarige] . Zij ontwikkelt zich positief, houdt zich aan afspraken en het (weekend)verlof bij de moeder thuis verloopt goed. Het feit dat er weekendverlof is toegestaan, is in deze fase uitzonderlijk en onderstreept de positieve ontwikkeling van [minderjarige] .
5 De mening van de gedragswetenschapper van [naam instelling]
5.1. Door de gedragswetenschapper van [naam instelling] is het volgende naar voren gebracht. Sinds haar plaatsing bij [naam instelling] heeft [minderjarige] veel positieve stappen gezet. Er zal worden toegewerkt naar een open machtiging. Er gelden op dit moment nog enkele vrijheidsbeperkende maatregelen, maar deze zijn al deels afgebouwd en kunnen verder stapsgewijs worden afgebouwd. Voor een zorgvuldige overgang naar een open setting is naar verwachting een maand nodig. Een voorwaardelijke gesloten machtiging tot uithuisplaatsing zou passend zijn voor [minderjarige] , mits vooraf duidelijke voorwaarden worden opgesteld.
6 De beoordeling
De ondertoezichtstelling
6.1. Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen de ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat de gronden van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn, zal het verzoek tot ondertoezichtstelling als onweersproken worden toegewezen voor de verzochte duur van één jaar. [1] Er zijn nog steeds zorgen over het gedrag van [minderjarige] en haar middelengebruik. [minderjarige] laat echter positieve stappen zien: zij houdt zich aan de dagroutines en heeft positieve contacten De GI zal het komende jaar betrokken moeten blijven om de nodige hulp in te zetten in het belang van [minderjarige] en een passende vervolgplek voor haar te vinden.
6.2. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van één jaar.
De gesloten machtiging uithuisplaatsing
6.3. Over het verzoek tot verlening van een gesloten machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende. Uit artikel 6.1.2. van de Jeugdwet volgt dat de kinderrechter een machtiging kan verlenen voor verblijf van een jeugdige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, indien sprake is van ernstige opgroei - of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Daarnaast moet het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de hulpverlening onttrekt, en mogen er geen minder ingrijpende mogelijkheden beschikbaar zijn.
6.4. De kinderrechter stelt vast dat, ondanks de positieve stappen die [minderjarige] heeft gezet, er nog steeds zorgen bestaan over haar gedrag, veiligheid en middelengebruik. Een thuisplaatsing is momenteel niet passend, omdat de moeder onvoldoende ondersteuning kan bieden om [minderjarige] de noodzakelijke begeleiding te geven. Alle partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] op dit moment het beste bij het [naam instelling] kan verblijven. Gelet op de positieve ontwikkeling die [minderjarige] heeft doorgemaakt zag de kinderrechter aanleiding de Raad tijdens de eerste zitting te verzoeken of minder ingrijpende opties, zoals een voorwaardelijke gesloten machtiging of wellicht een reguliere machtiging, mogelijk zouden zijn. Tijdens de tweede zitting is door de gedragswetenschapper van [naam instelling] en de GI aangegeven dat een voorwaardelijke gesloten machtiging mogelijk passend zou zijn voor [minderjarige] . Desalniettemin heeft de Raad het oorspronkelijk verzoek gehandhaafd. Nu er echter wel minder ingrijpende mogelijkheden beschikbaar zijn, is de kinderrechter van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een gesloten machtiging is voldaan.
6.5. Omdat het verzoek en de concrete invulling van de voorwaardelijke gesloten machtiging niet kan worden afgewacht, is de kinderrechter echter genoodzaakt om te beslissen op het voorliggende verzoek van de Raad. De kinderrechter weegt mee dat [minderjarige] de zitting spannend vindt en behoefte heeft aan duidelijkheid. Haar vrijheden zijn inmiddels uitgebreid: zij mag in het weekend naar haar moeder en er gelden slechts enkele beperkingen ten aanzien van haar telefoongebruik, het vastpakken bij incidenten en het buitenshuis gaan. [minderjarige] en haar advocaat hebben tijdens de tweede zitting bovendien ingestemd met het verlenen van een gesloten machtiging van één maand, gevolgd door een machtiging voor verblijf in een accommodatie voor jeugdhulp van vier maanden.
6.6. De kinderrechter overweegt dat, gelet op het voorgaande, het toekennen van een korte, strikt begrensde gesloten machtiging van één maand — in dit geval uitsluitend met het doel van overbrugging en continuïteit — gerechtvaardigd kan zijn wanneer dit noodzakelijk is in het belang van het kind op grond van artikel 3 IVRK.
6.7. Hoewel het verzoek van de Raad dus niet volledig voldoet aan de voorwaarden voor een gesloten machtiging, acht de kinderrechter het, gelet op het belang van [minderjarige] , gerechtvaardigd om de gesloten machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, maar wel voor een kortere duur dan verzocht, namelijk voor de duur van één maand. Aansluitend zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden verlenen.
6.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7 De beslissing
De kinderrechter:
7.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 11 september 2025 tot 11 september 2026;
7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand, met ingang van 11 september 2025;
7.3. verleent aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van 4 maanden, met ingang van 11 oktober 2025 tot 11 februari 2026;
7.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.5. wijst het meer of anders verzochte af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten