Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15541 - Rechtbank Rotterdam - 2 september 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15541•2 september 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/699014 / JE RK 25-907
C/10/699021 / JE RK 25-908
C/10/705406 / JE RK 25-1728
Datum uitspraak: 2 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en over de verdeling van zorgtaken en gezagsoverheveling voor medische behandeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Chong, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 1 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - het verzoekschrift van de GI met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 augustus 2025;
1.2. Op 2 september 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3. Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Indonesische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Indonesische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 15 september 2025.
2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 15 september 2025.
3 De verzoeken van de GI
zaaknummer C/10/699014 / JE RK 25-907
3.1. De GI verzoekt de verdeling van de zorg - en opvoedtaken als volgt vast te stellen: - de kinderen zullen geheel bij de vader verblijven met een omgangsregeling (hierna te noemen: contactregeling) bij de moeder; - de kinderen zullen beiden ingeschreven zijn en blijven bij de vader; - de kinderen zullen omgang (de kinderrechter begrijpt: contact) hebben met de moeder eens per twee weken op vrijdag gedurende 2 uren onder begeleiding van Lelie zorggroep niet bij de moeder thuis, het is stiefvader ( [naam 4] ) niet toegestaan bij deze bezoeken aanwezig te zijn; - de GI voert de regie over eventuele toekomstige wijzigingen in de omgang (het contact).
3.2. De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
zaaknummer C/10/699021 / JE RK 25-908
3.3. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar, te weten tot 1 juli 2026. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezaghebbende ouder, te weten de vader, voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlengen Deze maatregelen zijn bij beschikking van 1 juli 2025 reeds verlengd tot 15 september 2025 en voor het overige aangehouden. Thans dient nog te worden beslist op de verlenging van de maatregelen tot 1 juli 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
zaaknummer C/10/705406 / JE RK 25-1728
3.4. De GI verzoekt dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor zover betreft de toestemming voor medische behandeling toegekend wordt aan de GI, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en aantekening hiervan in het gezagsregister.
3.5. De GI handhaaft de verzoeken ter zitting en licht deze als volgt toe. De verzoeken van de GI hangen nauw samen met elkaar. Er zijn nog steeds zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen zijn wisselend in hun wensen. Hoewel zij op dit moment aangeven hun moeder te missen, moeten er eerst stappen gezet worden met betrekking tot traumaverwerking voordat er meer toenadering tot de moeder gezocht kan worden. [minderjarige 1] is somber en praat erg weinig. Zij heeft op korte termijn therapie nodig en ook [minderjarige 2] heeft baat bij (spel)therapie. De GI had in dit kader een spoedplek geregeld voor de kinderen bij FortaJeugd, waarvoor ook een intakegesprek was gepland. Dit ging echter niet door, omdat de moeder op het laatste moment weigerde toestemming voor behandeling te geven. De GI heeft de adviezen uit het KSCD-onderzoek overgenomen: inmiddels is Agathos betrokken bij het gezin en is Lelie zorggroep betrokken bij de uitvoering. De begeleiding tijdens de bezoeken verloopt goed. Uit de eerste observaties blijkt dat de vader zich begeleidbaar opstelt. De moeder stelt zich echter niet altijd begeleidbaar op. FortaJeugd zal ook meekijken hoe de bezoeken met de moeder verbeterd kunnen worden. De communicatie tussen de GI en de moeder verloopt op dit moment minder goed, doordat de moeder weigert toestemming te geven voor behandeling. In lijn met het KSCD-onderzoek dient er duidelijkheid te komen over de zorgregeling voor alle betrokkenen. Op dit moment vindt er iedere vrijdag twee uur bezoek plaats met de moeder en de kinderen. Hoewel het verkrijgen van duidelijkheid over de zorgregeling prioriteit heeft, is het belangrijk dat de GI de zorgregeling eventueel aan kan passen en uit kan breiden wanneer dit in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tenslotte is een nieuw onderzoek – in het licht van het verzoek tot contra-expertise van de moeder – niet in het belang van de kinderen. Een nieuw onderzoek zal erg belastend zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij al een erg intensief KSCD-onderzoek achter de rug hebben dat maanden heeft gekost. In het KSCD-onderzoek is bovendien aandacht besteed aan de culturele achtergrond van het gezin en is de moeder bijgestaan door een tolk.
Desgevraagd geeft de GI aan dat als de moeder de weg naar de hulpverlening niet weet te vinden, de GI haar hierbij kan ondersteunen.
4 De standpunten
4.1. Ten aanzien van de verzoeken van de GI is door en namens de moeder het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling, maar is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Zij maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader thuis. De moeder geeft bovendien aan dat het te vroeg is om het perspectief van de kinderen bij de vader te bepalen. De kinderen verkeren in een ernstig loyaliteitsconflict. Voortzetting van de huidige situatie versterkt dit en vormt een bedreiging voor hun emotionele ontwikkeling. Daarbij geven de kinderen in hun brieven aan bij de moeder te willen wonen. Ook uit het KSCD-onderzoek volgt niet dat het perspectief uitsluitend bij de vader ligt. De moeder benadrukt verder dat zij bereid is om hulp te aanvaarden en behandeling te ondergaan. Zij geeft echter aan dat zij de weg naar de hulpverlening niet weet te vinden. Ten aanzien van de kinderen stelt de moeder dat zij niet tegen hulpverlening is, maar dat deze moet aansluiten bij hun wensen en draagkracht. [minderjarige 1] wil alleen in therapie bij iemand met een beroepsgeheim en de moeder steunt dat. Indien [minderjarige 1] behandeling aangaat, zal [minderjarige 2] dit voorbeeld volgen. De moeder is bereid de kinderen hierin te stimuleren, mits hun vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd. Tot slot vindt de moeder dat de huidige zorgregeling niet in balans is. Zij acht het van belang dat wordt toegewerkt naar een meer gelijkwaardige verdeling van het contact, omdat de kinderen ook zelf aangeven haar te missen. Door en namens de moeder is ter zitting een verzoek tot contra-expertise gedaan en als volgt toegelicht. De moeder kan zich niet verenigen met de conclusies van het KSCD-onderzoek. Het onderzoek schetst een te eenzijdig beeld van de situatie. Hoewel de moeder begrijpt dat een nieuw onderzoek belastend zal zijn voor de kinderen, meent zij dat er moet worden gekozen tussen twee kwaden. De kinderen zullen of een nieuw onderzoek moeten ondergaan, of de kinderen wordt de mogelijkheid ontnomen om terug bij de moeder te komen wonen. Het is van belang dat de mogelijkheid voor een terugplaatsing bij de moeder serieus overwogen wordt, in het bijzonder gelet op het feit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven de moeder te missen en graag bij haar zouden willen wonen. Bij de uitvoering van de contra-expertise dient voldoende aandacht te komen voor de taalbarrière van de moeder.
4.2. De vader stemt in met de verzoeken van de GI. Hij benadrukt dat hij goed voor de kinderen wil zorgen en dat zij dringend hulpverlening nodig hebben, zoals ook uit het KSCD-onderzoek blijkt. [minderjarige 1] heeft aangegeven wel met iemand te willen praten, maar niet telkens met verschillende hulpverleners. De vader ondersteunt inzet van behandeling door FortaJeugd, zowel voor [minderjarige 1] als voor [minderjarige 2] . Hij ervaart dat [minderjarige 2] soms baldadig gedrag laat zien en dat beide kinderen gebaat zijn bij passende begeleiding. Volgens de vader verloopt de hulpverlening in huis goed, maar wordt de voortgang vaak vertraagd door de opstelling van de moeder. Hij stelt dat de moeder afspraken niet nakomt, zich agressief opstelt en onvoldoende inzet toont om passende hulpverlening voor de kinderen te realiseren. De vader maakt zich zorgen over de impact van het gedrag van de moeder op de kinderen. Daarbij is de frequentie van contact tussen de kinderen en de moeder in de praktijk uitgebreider dan formeel is vastgelegd. Er dient in de zorgregeling speling te blijven, omdat de schooltijden van de kinderen kunnen wisselen. De vader ontkent verder de door de moeder genoemde zorgen over voeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en benadrukt dat de kinderen zich bij hem thuis goed ontwikkelen. Zijn wens is dat de kinderen weer tot rust komen, zich kunnen uiten en plezier ervaren in hun dagelijks leven.
5 De beoordeling
zaaknummer C/10/699021 / JE RK 25-908
5.1. Over het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader overweegt de kinderrechter het volgende. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[1] Uit de stukken en de zitting volgt dat er nog altijd ernstige zorgen bestaan over de veiligheid en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide kinderen hebben een belast verleden waarin zij slachtoffer zijn geweest van fysiek en emotioneel geweld, met name in de thuissituatie bij de moeder. Ook de voortdurende strijd tussen de ouders heeft geleid tot een loyaliteitsconflict en ernstige emotionele belasting bij de kinderen. [minderjarige 1] vertoont teruggetrokken gedrag, is somber en heeft slaapproblemen. [minderjarige 2] heeft moeite zijn gevoelens te uiten en laat eveneens teruggetrokken gedrag zien. Beide kinderen hebben dringend behoefte aan stabiliteit, voorspelbaarheid en traumagerichte hulpverlening. De moeder heeft tot op heden beperkt inzicht getoond in de zorgen, zij werkt onvoldoende mee aan hulpverlening en structurele verbetering blijft uit. De moeder heeft aangegeven dat zij niet weet welke organisatie haar de juiste hulpverlening kan bieden. Zoals ter zitting door de GI is aangegeven kan de GI de moeder hierin op weg helpen. De kinderrechter raadt de moeder dan ook aan om hierover (opnieuw) met de GI in contact te treden. Verder zijn er weliswaar zorgen over de pedagogische vaardigheden van de vader en de mate waarin hij zich afstemt op de kinderen, maar de vader stelt zich leerbaarder op. De kinderen ervaren sinds hun verblijf bij de vader meer stabiliteit en rust. Met passende hulpverlening kan de opvoedsituatie bij vader verder worden versterkt.
5.2. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 1 juli 2026.
5.3. Ook een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .[2] De zorgen over de opvoedsituatie bij moeder maken een terugplaatsing bij de moeder onverantwoord. Tegelijkertijd hebben de kinderen bij de vader meer stabiliteit gevonden, hoewel ook daar hulpverlening onmisbaar is. Alles afwegend komt de kinderrechter tot de conclusie dat de belangen van de kinderen het meest gediend zijn met een voortzetting van de huidige plaatsing bij vader. Met de moeder is de kinderrechter van oordeel dat de GI aandacht dient te hebben voor de wens van de kinderen om meer contact met de moeder te hebben. Eventuele uitbreiding van het contact dient wel in het belang van de kinderen te zijn en valt of staat met de bereidheid van de meoder om te werken aan de problematiek die doo het KSCD is vastgesteld. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verlengen tot 1 juli 2026.
5.4. De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de verlenging van de maatregelen en verzocht om een contra-expertise, omdat zij zich niet kan verenigen met de conclusies van het KSCD-onderzoek. De kinderrechter zal dit verzoek afwijzen en legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
5.4.1. De rechter benoemt in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.[3] Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot benoeming van een deskundige, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen, indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt, op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
5.4.2. Het verzoek van de moeder is voldoende concreet en ter zake dienend. De kinderrechter is echter van oordeel dat toewijzing van het verzoek van de moeder strijdig is met het belang van de kinderen. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschadigde kinderen zijn die al een zeer intensief onderzoekstraject bij het KSCD hebben doorlopen. Dit traject hebben de kinderen als erg belastend ervaren. Met name [minderjarige 1] ervaart veel weerstand tegen verdere gesprekken met hulpverleners. In de uitspraak van het gerechtshof van 27 augustus 2025 is hierover, weliswaar in een ander kader, overwogen dat de kinderen de afgelopen periode aan meerdere mensen hun verhaal hebben moeten doen, waaronder bij de jeugdbeschermer en in het kader van het KSCD-onderzoek. Ook in een brief aan de kinderrechter in deze procedure heeft [minderjarige 1] aangegeven dat ze al zoveel mensen heeft gezien en gesproken en dat ze daar klaar mee is. Als ze weer met iemand in gesprek zou moeten gaan, zou dat iemand moeten zijn die haar verhaal aan niemand doorvertelt. Gelet op deze omstandigheden, verzet het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek. Het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt daarom afgewezen.
zaaknummer C/10/699014 / JE RK 25-907
5.5. Over het verzoek van de GI tot vaststelling van de zorgregeling taken overweegt de kinderrechter dat de vaststelling van de verdeling van de zorgregeling noodzakelijk in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .[4] Het is, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, belangrijk dat er duidelijkheid komt voor de kinderen, zodat zij tot rust komen. De kinderrechter stelt daarom de door de GI voorgestelde zorgregeling vast, in die zin dat de GI de regie voert over de uitbreiding van de zorgregeling en de dagen waarop het contact met de moeder plaatsvindt kan wijzigen. Dit betekent dat de zorgregeling als volgt komt te luiden: - de kinderen zullen geheel bij de vader verblijven met een contactregeling bij de moeder; - de kinderen zullen beiden ingeschreven zijn en blijven bij de vader; - de kinderen zullen contact hebben met de moeder eens per twee weken op vrijdag gedurende 2 uren onder begeleiding van Lelie zorggroep niet bij de moeder thuis, het is stiefvader ( [naam 4] ) niet toegestaan bij deze bezoeken aanwezig te zijn; - de GI voert de regie over de uitbreiding van de zorgregeling en wijziging van de dagen dat de kinderen bij de moeder zijn.
zaaknummer C/10/705406 / JE RK 25-1728
5.6. Uit de stukken en de toelichting ter zitting blijkt dat de inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is. De kinderrechter stelt vast dat de moeder hierover wisselend heeft verklaard. Enerzijds vindt de moeder een behandeling voor de kinderen belangrijk, anderzijds geeft zij aan gehoor te willen geven aan de wens van [minderjarige 1] om niet opnieuw in gesprek te moeten met hulpverleners. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij niet weet wat de hulp voor de kinderen zou omvatten. Dit maakt dat zij geen toestemming heeft verleend, waardoor de inzet van behandeling is vertraagd.
5.7. De kinderrechter overweegt dat het verzoek tot gezagsoverheveling een verstrekkende middel is. Voordat wordt toegekomen aan toewijzing van dergelijk verzoek, is het van belang dat eerst wordt bezien of de noodzakelijke hulpverlening langs andere, minder vergaande wegen kan worden gerealiseerd. Omdat er kennelijk ruis over de in te zetten hulpverlening bestaat tussen de moeder en de GI, roept de kinderrechter de moeder op hier met de GI over in gesprek te gaan. Ook dient rekening te worden gehouden met de leeftijd en stem van [minderjarige 1] , die dertien jaar is en zelf een stem heeft in de keuze voor medische behandelingen.
5.8. Op dit moment acht de kinderrechter zich dan ook niet volledig geïnformeerd. De kinderrechter zal daarom de beslissing op dit verzoek aanhouden tot 1 december 2025. De GI dient tegen de voornoemde pro forma datum GI schriftelijk te berichten over de actuele stand van zaken en of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.9. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
zaaknummer C/10/699021 / JE RK 25-908
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 1 juli 2026;
6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gezaghebbende ouder, te weten de vader, tot 1 juli 2026;
zaaknummer C/10/699014 / JE RK 25-907
6.3. stelt de hiervoor onder 5.5. genoemde zorgregeling vast:
6.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
zaaknummer C/10/705406 / JE RK 25-1728
6.5. houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 december 2025 pro forma;
6.6. bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.7. verzoekt de GI om op de pro forma datum de onder 5.8. genoemde briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen;
6.8. wijst af het anders of meer verzochte.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 1:265g BW. - - - ## Voetnoten