Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15490 - Rechtbank Rotterdam - 15 januari 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15490•15 januari 2025
Uitspraak inhoud
Team straf 1
Parketnummers: 10.155630.22 en 10.037358.24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak: 15 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1959,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2024 en 15 januari 2025.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. F. Koolhof heeft gevorderd:
4 Waardering van het bewijs
4.1. Bewijswaardering parketnummer 10.155630.22 feit 1 primair
4.1.1. Standpunt verdediging
Er wordt niet aan het bewijsminimum voldaan. Indien de rechtbank de verklaring van aangeefster [aangeefster 1] Dijkshoorn (hierna: [aangeefster 1]) betrouwbaar acht, vindt deze verklaring onvoldoende steun in de rest van het dossier. Het gaat om feiten van 13 tot 20 jaar geleden en er is geen enkele getuige die tijdens of kort nadat het feit zou hebben plaatsgevonden, iets heeft waargenomen dat past bij de beschrijving van aangeefster. Daarnaast is de verklaring van de moeder van aangeefster met name gebaseerd op de informatie van aangeefster. De verklaring van de huisarts is onvoldoende concreet en specifiek om te kunnen spreken van steunbewijs. De getuigen die zijn gehoord naar aanleiding van de aangifte van [aangeefster 1], verklaren enkel over handelingen die de verdachte bij zichzelf of bij desbetreffende getuigen zou hebben verricht. De beschuldiging is enkel gebaseerd op de verklaringen van aangeefster, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Daarnaast kunnen de ten laste gelegde handelingen, zich laten aftrekken en het betasten van de borsten en de billen, niet juridisch gekwalificeerd worden als seksueel binnendringen. Dat zou juridisch gekwalificeerd kunnen worden als de subsidiair tenlastegelegde ontucht, maar ook hiervoor is onvoldoende steunbewijs.
De verdediging verzoekt vrijspraak voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
4.1.2. Beoordeling door de rechtbank
4.1.2.1. Kader voor de beoordeling
Nu de verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde dient de rechtbank te beoordelen of er naast de aangifte van [aangeefster 1] voldoende steunbewijs voorhanden is waardoor aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt voldaan. De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de aangifte van [aangeefster 1], moet worden onderscheiden van de vraag of aangeefster in haar belastende verklaringen betrouwbaar is. Datzelfde beslissingskader zal, gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte omtrent de overige ten laste gelegde feiten, ook daarbij gelden.
4.1.2.2. Aangifte [aangeefster 1] wordt betrouwbaar geacht
Op 5 juli 2021 heeft [aangeefster 1] een informatief gesprek zeden gevoerd met de politie, waarin zij heeft verklaard dat haar biologische vader ontucht met haar heeft gepleegd. Hiervan heeft zij op 1 september 2021 aangifte gedaan en daarin onder meer het volgende verklaard. De verdachte heeft tussen haar vierde en twaalfde, op verschillende momenten ontucht met haar gepleegd. De seksuele handelingen hebben onder meer bestaan uit het door de verdachte betasten van haar borsten, billen en vagina, het brengen van vingers tussen haar schaamlippen en het door [aangeefster 1] moeten aftrekken van de verdachte. [aangeefster 1] heeft hierbij beschreven op welke wijze voornoemde handelingen plaatsvonden. Ze omschrijft hierbij specifieke situaties tot in detail en beschrijft hoe zij zich hierbij voelde. Ook benoemt zij specifieke omstandigheden. De ontucht vond meestal overdag plaats en meestal op zondag. Hierbij sloot de verdachte de (rol)gordijnen altijd. Verder heeft [aangeefster 1] verklaard dat de ontucht stopte toen zij ongesteld was geworden. [aangeefster 1] heeft daarnaast verklaard dat zij vanaf haar vijfde tot haar zestiende veel pijn had bij haar vagina. Deze pijn was erger in de dagen nadat de ontucht had plaatsgevonden.
De verschillende verklaringen van [aangeefster 1] zijn voldoende consistent, gedetailleerd en komen authentiek over. [aangeefster 1] heeft consequent verklaard over wanneer, waar en op welke wijze de verdachte ontucht met haar heeft gepleegd. Haar verklaring tijdens het informatieve gesprek komt op belangrijke onderdelen overeen met de inhoud van haar aangifte en haar getuigenverklaring bij de rechter-commissaris. Zij verklaart op welke wijze sprake was van fysiek contact en seksueel binnendringen. Dat zij niet exact kan reproduceren hoe vaak en wanneer deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden staat aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde niet in de weg. Niet verwacht kan worden dat zij in haar verklaringen nog uitvoeriger en gedetailleerder kan verklaren over de aard, frequentie en de omstandigheden van ontucht dat jaren geleden heeft plaatsgevonden, waarbij ook meespeelt dat het gaat over een relatief lange pleegperiode met vele incidenten en het feit dat zij toen nog een klein kind was.
[aangeefster 1] heeft desondanks meer dan voldoende gedetailleerd verklaard over de aard en omstandigheden van de ontucht en hoe zij dat telkens heeft ervaren. Zij heeft hierbij tot in detail verklaard over specifieke situaties, haar emoties hierbij en over lichamelijke ongemakken. Het delen van al deze intieme en gevoelige details draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Hieraan doet niet af dat zij niet eerder heeft verklaard over de ontucht. Dit past immers bij de loyaliteit die [aangeefster 1] als kind voelde voor haar vader en de macht die een ouderfiguur heeft over een kind, maar ook bij de angst die zij naar eigen zeggen voelde omdat zij bij hem ingeschreven stond. Ook was ze bang was dat hij haar niet meer terug liet gaan naar haar moeder en stiefvader.
In haar aangifte verklaart [aangeefster 1] ook over op welke wijze de verdachte haar vier vriendinnen heeft betast en over andere incidenten met de verdachte waar deze vriendinnen bij waren, welke niet zijn ten laste gelegd. Deze onderdelen van de verklaring van [aangeefster 1] worden door de vier vriendinnen afzonderlijk in getuigenverklaringen bevestigd. Ook al levert dat geen rechtstreeks bewijs op voor het ten laste gelegde feit, sterkt dit wel de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaring van [aangeefster 1].
De aangifte van [aangeefster 1] wordt daarom betrouwbaar geacht en is bruikbaar voor het bewijs.
4.1.2.3. Aangifte [aangeefster 1] vindt steun in andere bewijsmiddelen
De aangifte van [aangeefster 1] vindt verder op essentiële onderdelen steun in ander bewijsmateriaal.
In het dossier bevindt zich de getuigenverklaring van [getuige 1]. Zij heeft gedurende de ten laste gelegde periode gedurende 3 jaar veelvuldig bij de verdachte thuis met [aangeefster 1] gespeeld. Hierbij heeft zij meermalen gezien dat de verdachte [aangeefster 1] kietelde in de regio van de borsten en haar vagina. Tevens verklaart zij dat het gedrag van de verdachte seksueel was richting [aangeefster 1] en haarzelf.
Ook de [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte haar, als zij bij [aangeefster 1] speelde, een aantal keer gekieteld heeft, waarbij hij één keer de blote huid van haar borst en de binnenkant van haar dijen heeft betast. Zij verklaarde dat de verdachte [aangeefster 1] ook op die manier kietelde.
Daarnaast bevindt de getuigenverklaring van [getuige 3], de moeder van [aangeefster 1], zich in het dossier. Zij heeft verklaard over de manier waarop [aangeefster 1] met haar verhaal naar buiten is gekomen. De verklaring van [getuige 3] bevestigt in de kern de verklaring van [aangeefster 1] dat zij misbruikt is door de verdachte, in de leeftijd van 4 tot en met 11 jaar.
[getuige 3] heeft verklaard dat ze toen [aangeefster 1] 10 jaar oud was wantrouwen begon te krijgen richting haar ex-man. Ze vond dat de verdachte als partner met [aangeefster 1] omging, in plaats van als vader. [getuige 3] heeft ook verklaard dat ze vond dat de verdachte *"een soort verlekkerend"*met de vriendinnetjes van 11 à 12 jaar oud van [aangeefster 1] bezig was.
Verder heeft [getuige 3] verklaard dat [aangeefster 1] rond haar 8e à 9e levensjaar klaagde over pijn en schraalheid van haar vagina, waarbij heel het gebied opgezwollen was. Toen [getuige 3] hier zalf op smeerde verkrampte [aangeefster 1] heel erg en ze trilde. Tot slot heeft [getuige 3] gezien dat [aangeefster 1] altijd de neiging had zich heel dik en zo hoog mogelijk aan te kleden. [aangeefster 1] zelf heeft verklaard dat ze vanaf haar vierde jaar erg preuts was omdat ze zich door het misbruik altijd vies voelde en daarom altijd hooggesloten kleding wilde dragen.
Verder heeft [aangeefster 1] verklaard over (niet ten laste gelegde) incidenten die hebben plaatsgevonden met haar oud-vriendinnetjes. Deze incidenten worden stuk voor stuk bevestigd door de getuigenverklaringen van deze oud-vriendinnetjes. [aangeefster 1] heeft verklaard dat [aangeefster 2] (hierna: [aangeefster 2]) en zij gedwongen porno moesten kijken van haar vader, hetgeen [aangeefster 2] heeft bevestigd. Verder heeft [aangeefster 1] verklaard dat haar biologische vader zich aftrok en met zijn penis uit zijn onderbroek liep waar [getuige 1] en zij bij waren, hetgeen ook door [getuige 1] is verklaard. Verder verklaart [aangeefster 1] dat de verdachte haar oud-vriendinnetjes [aangeefster 2], [getuige 2], [naam 1] en [getuige 1] kietelde in de regio van hun vagina en borsten. Dit wordt bevestigd door [aangeefster 2], [getuige 2] en [naam 1]. En [getuige 2] en [getuige 1] verklaren dat de verdachte dit ook bij [aangeefster 1] deed. Dit ondersteunt dat de verdachte grensoverschrijdend gedrag vertoonde richting [aangeefster 1] en dat biedt, ook al betreft het geen steunbewijs voor specifieke ten laste gelegde handelingen, wel steun aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
4.1.3. Conclusie
De verschillende verklaringen van aangeefster zijn reeds op zichzelf bezien betrouwbaar. Het seksueel overschrijdend gedrag van de verdachte richting aangeefster en haar vriendinnen komt verder duidelijk naar voren uit alle overige verklaringen in het dossier. Dat niet alle verklaringen van anderen specifiek de onder feit 1 ten laste gelegde seksuele handelingen betreffen doet daaraan niet af en is ook niet nodig voor het bewijsminimum. Voldoende is dat er bewijsmiddelen zijn die steun bieden aan onderdelen van de verklaringen van aangeefster en als controlemiddel kunnen worden gebruikt voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing en daarmee de bewezenverklaring. Dergelijk steunbewijs is er meer dan afdoende. Het verweer wordt daarom verworpen.
4.2. Bewijswaardering parketnummer 10.155630.22 feit 2
4.2.1. Standpunt verdediging
De verklaring van [aangeefster 2] kan niet voor het bewijs worden gebruikt. De verdediging heeft verzocht [aangeefster 2] als getuige te horen bij de rechter-commissaris, hetgeen is afgewezen. Hiertegen is een bezwaarschrift ingediend. Bijna twee jaar later heeft de rechtbank het bezwaarschrift ongegrond verklaard. De behandeling van het bezwaarschrift is net zo lang aangehouden, totdat het OM een deskundigenverklaring kon overleggen. Bij het eerder ontbreken van een verklaring, had de rechtbank het bezwaarschrift gegrond moeten verklaren. De verdediging heeft het ondervragingsrecht niet kunnen effectueren. De belastende verklaring van aangeefster is van groot gewicht in de bewijsvoering, weliswaar niet sole and decisive, maar wel van significant weight. De verdediging meent dat onder deze omstandigheden niet gesproken kan worden van een eerlijk proces. De verdediging verzoekt de rechtbank de verklaring van [aangeefster 2] van het bewijs uit te sluiten.
De verklaring van de moeder van [aangeefster 2] levert verder geen steunbewijs op, gelet op het tijdsverloop en het gegeven dat [aangeefster 2] haar verhaal, voordat zij aangifte heeft gedaan, met haar moeder heeft besproken.
Dan resteert enkel de verklaring van [aangeefster 1]. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.
4.2.2. Beoordeling door de rechtbank
4.2.2.1. Geen bewijsuitsluiting
[aangeefster 2] kon niet als getuige worden gehoord in verband met haar psychische gezondheid; er bestond, blijkens een FARR-verklaring in het dossier, een gerede kans dat het negatief effect zou hebben op het resultaat van haar traumabehandeling en volgens haar psycholoog was het niet verantwoord haar buiten een therapeutische setting bloot te stellen aan confrontatie met haar trauma. Om die reden is het bezwaar door de raadkamer afgewezen. Dat uitsluitsel hieromtrent anderhalf jaar heeft geduurd is spijtig, maar er is geen enkele aanwijzing dat zij eerder wel gehoord had kunnen worden. Verder waren er voldoende compenserende factoren, ondanks het feit dat [aangeefster 2] niet gehoord kon worden. Ten eerste is er steunbewijs in het dossier bestaande uit verklaringen van anderen, welke getuigen wél nader gehoord zijn door de verdediging. Ten tweede is vanuit het Openbaar Ministerie de mogelijkheid geboden tot het beluisteren van de opnames van de verklaringen van [aangeefster 2]. Er is dan ook geen schending geweest van het recht op een eerlijk proces. De verklaring van [aangeefster 2] zal niet worden uitgesloten van het bewijs.
4.2.2.2. Aangifte [aangeefster 2] wordt betrouwbaar geacht
Op 10 februari 2022 heeft [aangeefster 2] een getuigenverklaring afgelegd, waarin zij heeft verklaard dat de vader van [aangeefster 1], te weten de verdachte, ontucht met [aangeefster 2] heeft gepleegd. Hiervan heeft zij op 21 februari 2022 aangifte gedaan en daarin onder meer het volgende verklaard. [aangeefster 2] was in groep 7 en 8 goede vriendinnen met [aangeefster 1]. [aangeefster 2] kwam minimaal één keer per week bij de verdachte thuis om met [aangeefster 1] te spelen. Als [aangeefster 2] daar was kietelde de verdachte haar vaak drie keer per bezoek. Hierbij raakte de verdachte [aangeefster 2] aan bij haar vagina en borsten. Ook pakte de verdachte haar bij de zijkanten van haar borsten en bij haar vagina vast. Als [aangeefster 2] zei dat de verdachte moest stoppen, deed hij dat niet. Daarnaast beschrijft [aangeefster 2] een specifiek incident, waarbij [aangeefster 2] van de verdachte samen met [aangeefster 1] in bad moest. Hierbij zeepte de verdachte [aangeefster 2] in en raakte hij haar aan bij haar billen en haar borsten. Vervolgens sproeide de verdachte [aangeefster 2] af bij haar bovenlichaam en van onderen bij haar vagina.
De getuigenverklaring en aangifte van [aangeefster 2] zijn consistent, gedetailleerd en komen authentiek over. [aangeefster 2] heeft consequent verklaard over waar, in welke periode en met welke frequentie de verdachte ontucht met haar heeft gepleegd. Zij verklaart op welke wijze sprake was van fysiek contact. Dat zij niet exact kan reproduceren wanneer deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden staat aan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde niet in de weg. Niet verwacht kan worden dat zij in haar aangifte uitvoerig en gedetailleerd kan verklaren over de frequentie van de ontucht en de omstandigheden waaronder dat heeft plaatsgevonden jaren geleden toen zij nog een klein kind was over een relatief lange pleegperiode. Voldoende is dat de verklaringen van de aangeefster over de feitelijke handelingen, in onderling samenhang beschouwd, authentiek, consistent en voldoende gedetailleerd zijn.
Anders dan door de verdediging is betoogd, is er geen sprake geweest van sturende vragen door de politie waardoor aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster 2] wordt afgedaan. De aangifte van [aangeefster 1] is gelet op het voorgaande betrouwbaar.
4.2.2.3. Aangifte [aangeefster 2] vindt steun in andere bewijsmiddelen
De aangifte van [aangeefster 2] vindt verder op essentiële onderdelen steun in ander bewijsmateriaal.
In het dossier bevinden zich de getuigenverklaring en aangifte van [aangeefster 1]. Zij verklaart dat [aangeefster 2] en zij in bad zaten bij de verdachte thuis. De verdachte pakte de sproeier en sproeide [aangeefster 2] vanaf bovenaan af. [aangeefster 1] verklaart dat de verdachte het geslachtsdeel van [aangeefster 2] pakte en dit naar boven trok, waarna hij daar overheen en ertussen afspoelde. Ook verklaart [aangeefster 1] dat [aangeefster 2] dat niet wilde. Verder verklaart [aangeefster 1] dat de verdachte [aangeefster 2] op de grond duwde en kietelde, waarbij hij aan haar borsten en geslachtsdeel zat.
Daarnaast bevindt de getuigenverklaring van [naam 2], de moeder van [aangeefster 2], zich in het dossier. Zij verklaart dat zij zich kan herinneren dat [aangeefster 2] terugkwam van het logeren bij [aangeefster 1] en haar vader. De getuige verklaart dat toen zij aan [aangeefster 2] vroeg hoe het was geweest, [aangeefster 2] zei dat het raar was en dat zij in bad moest en zij zichzelf niet mocht wassen. Het afspoelen, wassen en afdrogen werd door de verdachte gedaan. Hierbij heeft de getuige aan haar ogen en houding waargenomen dat [aangeefster 2] bang was toen ze dit vertelde. Vervolgens wilde [aangeefster 2] in eerste instantie niet meer bij [aangeefster 1] spelen. Later gebeurde dit wel weer, maar [aangeefster 2] heeft nooit meer bij [aangeefster 1] gelogeerd.
De verklaringen van aangeefster worden daarom in voldoende mate ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.2.3. Conclusie
De verweren worden verworpen.
4.3. Bewijswaardering parketnummer 10.037358.24
4.3.1. Standpunt verdediging
De verklaring van [aangeefster 3] (hierna: [aangeefster 3]) is ongeloofwaardig, nu uit het NFI-rapport blijkt dat er geen DNA-materiaal van cliënt is aangetroffen in de bemonsteringen van de kleding van [aangeefster 3]. Dit staat haaks op de verklaring van [aangeefster 3]. Daarnaast hebben de collega's [naam 3] en [naam 4] niks aan [aangeefster 3] gemerkt toen zij hen op kantoor tegenkwam, net na het vermeende incident. Ook is het opmerkelijk dat [aangeefster 3] vervolgens wel door de verdachte naar het station is gebracht. Daarnaast kunnen de verklaringen van de gehoorde getuigen niet als steunbewijs gebruikt worden. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
4.3.2. Beoordeling door de rechtbank
4.3.2.1. Aangifte [aangeefster 3] wordt betrouwbaar geacht
Op 21 december 2023 heeft [aangeefster 3] bij haar aangifte onder meer het volgende verklaard.
De verdachte was stagebegeleider van [aangeefster 3] bij [naam bedrijf]. Op 19 december 2023 tussen 14:00 en 15:00 uur liepen de verdachte en [aangeefster 3] in het kader van deze stage een inspectieronde door de fabriek in Rotterdam. Toen zij in het ketelhuis kwamen begon de verdachte [aangeefster 3] te knuffelen, waarna hij haar billen en borsten aanraakte en hierin kneep. Hij deed dit ook onder de kleding en raakte haar tepel aan. Hij raakte over de broek haar vagina aan en probeerde met zijn hand in haar broek te komen. Ook zoende hij [aangeefster 3] in haar nek en op haar mond. Dit stopte pas toen de verdachte de tijd zag.
Vast staat dat de verdachte op de desbetreffende dag samen met [aangeefster 3] een ronde heeft gemaakt door de fabriek van [naam bedrijf] in Rotterdam, waarbij zij samen in het ketelhuis zijn geweest.
De aangeefster is in haar verklaringen consistent. Haar verklaring in de aangifte komt op belangrijke onderdelen overeen met de inhoud van de getuigenverklaring die ze bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Ook komen haar verklaringen bij de politie op belangrijke onderdelen overeen met wat zij kort na het incident heeft verklaard aan haar vriendin en haar huisgenoot. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat haar verklaringen gedetailleerd zijn en op bepaalde punten bevestiging vinden in stukken die zich in het dossier bevinden. Zij heeft steeds gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd, over de wijze waarop de verdachte haar heeft aangeraakt en in welke volgorde de handelingen hebben plaatsgevonden. Ook komt de inhoud van de aangifte authentiek over.
Tevens is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster van belang het moment en wijze waarop zij haar verhaal is gaan vertellen. Uit het dossier blijkt dat de aangeefster – kort nadat zij door de verdachte bij het station werd afgezet – een vriendin, te weten de [getuige 4], een bericht heeft gestuurd waarin stond dat zij was aangerand en haar vervolgens heeft opgebeld. Deze getuige heeft verklaard dat [aangeefster 3] erg monotoon sprak en vertelde dat zij was aangerand door iemand die ze goed kende bij [naam bedrijf]. Tijdens dit gesprek was aangeefster onderweg naar huis. Bij thuiskomst heeft ze haar huisgenoot, te weten de getuige onder [nummer], verteld dat zij was aangerand door haar stagebegeleider [verdachte]. Volgens de huisgenoot van de aangeefster was zij hysterisch aan het huilen en was ze erg overstuur.
Verder merkt de rechtbank op dat er geen enkele aanwijzing bestaat om te veronderstellen dat de aangeefster de verdachte valselijk heeft willen beschuldigen. Zij kon immers met het doen van aangifte haar stageplek verliezen, terwijl zij nog maar één van de zes maanden te gaan had. Daarnaast blijkt uit het dossier dat [aangeefster 3] het werk ook wilde blijven doen en tot dan toe tegenover anderen positief was over de verdachte. Ook heeft de verdachte ter zitting bevestigd dat hij en [aangeefster 3] erover hebben gesproken dat [aangeefster 3] in de toekomst misschien zijn baan kon overnemen. Hierin wordt de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster 3] gesterkt.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
4.3.2.2. Aangifte [aangeefster 3] vindt steun in andere bewijsmiddelen
De aangifte van [aangeefster 3] vindt verder op essentiële onderdelen steun in ander bewijsmateriaal.
In het dossier bevindt zich de getuigenverklaring van [getuige 4]. Zij verklaart dat [aangeefster 3] haar op 19 december 2023 belde en heel monotoon klonk, alsof ze haar emoties uitgeschakeld had om te kunnen omgaan met alles. De getuige hoorde dat [aangeefster 3] vertelde dat ze was aangerand door iemand die ze goed kende bij haar stage bij [naam bedrijf]. [aangeefster 3] was met de trein onderweg naar huis en wilde dat de getuige haar afleidde met een gesprek. De getuige heeft pas opgehangen toen [aangeefster 3] veilig thuis was. 's Avonds heeft de getuige opnieuw met [aangeefster 3] gesproken, waarbij [aangeefster 3] meer details deelde over wat haar was overkomen.
De verklaringen van [getuige 4] en [aangeefster 3] worden ook ondersteund door het proces-verbaal op pagina 7 van het zaaksdossier Tijdsurfen, waaruit blijkt dat [aangeefster 3] op 19 december 2023 een whatsappbericht aan [getuige 4] heeft gestuurd met de tekst "Mijn stagebegeleider heeft mij aangerand. En ik ben bang".
Daarnaast bevindt de getuigenverklaring van de getuige onder [nummer], de huisgenoot van aangeefster, zich in het dossier. De getuige verklaart dat [aangeefster 3] op 19 december 2023 tussen 16:00 uur en 16:30 uur thuiskwam. De getuige zag dat [aangeefster 3] overstuur thuiskwam, de badkamer in ging en daar zat te huilen. De getuige zag dat [aangeefster 3] in een foetushouding op de grond zat, huilde, trilde en geshockeerd was. [aangeefster 3] kon geen volzinnen maken. [aangeefster 3] zei dat ze zich vies voelde en wilde douchen. De getuige verklaart dat [aangeefster 3] hierna vertelde dat haar stagebegeleider haar had aangerand tijdens een inspectieronde, waarbij hij haar een half uur lang vast had gehouden. Hierbij beschrijft de getuige welke handelingen er volgens [aangeefster 3] waren gepleegd: de stagebegeleider heeft [aangeefster 3] vastgehouden, geprobeerd haar op de mond te zoenen, geprobeerd de kleding van [aangeefster 3] uit te krijgen, en aan de borsten en vagina van [aangeefster 3] te zitten. Ook verklaart de getuige dat [aangeefster 3] heeft gezegd dat de stagebegeleider pas stopte, toen hij de tijd zag.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat [aangeefster 3] hem telkens aanraakte omdat zij een oogje op hem had en hij die aanrakingen telkens heeft afgeweerd, zeer onaannemelijk gelet op het leeftijdsverschil van 44 jaar en de emotionele toestand waarin [aangeefster 3] verkeerde na afloop van het incident, zoals is gebleken uit haar aangifte en de getuigenverklaringen in het dossier.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in voldoende mate worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Nu er voldoende steunbewijs is voor de aangifte en de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar acht, gaat de rechtbank uit van de verklaringen van aangeefster en acht zij de handelingen waarover zij heeft verklaard wettig en overtuigend bewezen.
4.3.2.3. Verweer: gebrek aan DNA-sporen
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet aantreffen van DNA-materiaal van verdachte op de broek en BH van [aangeefster 3], niet betekent dat verdachte de aanranding niet kan hebben gepleegd. Weliswaar is er geen forensisch bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit, maar de afwezigheid daarvan kan evenmin als een contra-indicatie worden beschouwd. De rechtbank betrekt daarbij dat de kleding van [aangeefster 3] enkel op specifieke plekken is bemonsterd, deze bemonstering een aantal dagen later heeft plaatsgevonden, de kleding niet afzonderlijk is bewaard en deels was gewassen en zowel [aangeefster 3] als haar broer en huisgenoot toegang hadden tot deze kleding.
4.3.3. Conclusie
De verweren worden verworpen.
4.4. Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10.155630.22 onder 1 primair en 2, en onder parketnummer 10.037358.24 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
Parketnummer 10.155630.22
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 december 2003 tot en met 28 juni 2011 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk,
met [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit, of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Dijkshoorn, hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) - de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of zijn vinger(s) in/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gebracht en/of - de borsten en/of billen van die [slachtoffer 1] betast, althans over de borsten en/of billen gewrevenen/of - zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 augustus 2008 tot en met 01 augustus 2011 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk
ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2] 1999,
immers heeft hij meermalen, althans eenmaal (telkens) die [slachtoffer 2] - vastgepakt bij de borsten en/of bij de vagina en/of - (terwijl of nadat die [slachtoffer 2] in bad zat) met de hand met daarin een spons en/of een handdoek bij die [slachtoffer 2] over de borst(en) en/of de schaamstreek en/of tussen de billen en/of (boven)benen, althans over het lichaam gewreven en/of met de handdouche de vagina besproeid en hierbij de (schaamlippen van de) vagina opengehouden en/of vastgepakt met een/de vinger(s);
Parketnummer 10.037358.24
hij op of omstreeks 19 december 2023 te Rotterdam,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds (en/of in een krappe ruimte) [slachtoffer 3]
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal - omhelzen en/of vastpakken en/of (stevig) vast blijven houden van die [slachtoffer 3] en/of - strelen over de rug van die [slachtoffer 3] en/of - brengen en/of houden van zijn, verdachtes, handen op de billen van die [slachtoffer 3] en/of - brengen en/of houden van zijn, verdachtes, handen onder de kleding en/of op de ontblote rug en/of borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] en/of - pogen om zijn, verdachtes, handen op de (ontblote) vagina, althans bij de schaamstreek van die [slachtoffer 3] te brengen en/of - zoenen in de nek en/of op de mond van die [slachtoffer 3].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
t.a.v. 10.155630.22 onder 1 primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
t.a.v. 10.155630.22 onder 2: ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
t.a.v. 10.037358.24: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf en maatregel
7.1. Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2. Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zijn dochter [aangeefster 1] gedurende een periode van ongeveer acht jaren, tussen de leeftijd van 4 en 12 jaar, veelvuldig aan haar borsten en vagina betast en heeft hier overheen gewreven, is bij haar seksueel binnengedrongen en heeft zich door haar laten aftrekken. De verdachte heeft ook meermalen ontucht gepleegd met de minderjarige [aangeefster 2], een vriendin van zijn dochter [aangeefster 1], die op dat moment aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd, door haar borsten en vagina te betasten. Voorts heeft de verdachte op 19 december 2023 de meerderjarige [aangeefster 3], een stagiair die aan zijn opleiding was toevertrouwd, aangerand, onder andere door haar billen en borsten te betasten en [aangeefster 3] te zoenen.
De verdachte heeft met de bewezenverklaarde feiten op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn dochter [aangeefster 1] en haar gevoel van veiligheid in hun eigen woning, alsmede op die van [aangeefster 2] en [aangeefster 3]. Seksueel misbruik van minderjarigen heeft grote gevolgen voor de betreffende slachtoffers. Misbruikte kinderen ondervinden vaak nog gedurende hun hele leven lichamelijke en psychische gevolgen van het misbruik. Ook hier blijkt weer uit de verklaringen van zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] dat dergelijke handelingen levenslange gevolgen hebben. De verdachte heeft hier geen enkel oog voor gehad, maar was alleen maar bezig met zijn eigen seksuele lustgevoelens. Daarnaast heeft de verdachte, jaren later, een aan hem toevertrouwde meerderjarige stagiaire aangerand. Ook zij heeft grote psychische last ervaren van deze aanranding door een oudere man die haar moest begeleiden en die zij vertrouwde. Wederom was de verdachte alleen maar bezig met zijn eigen lusten. De slachtoffers waren ten tijde van de incidenten allen toevertrouwd aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van de verdachte. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie en het vertrouwen wat in hem was gesteld. Hierbij komt dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, en dat hij de beschuldigende vinger wijst naar zijn eigen dochter, zijn ex-partner en naar [aangeefster 3]. De rechtbank neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk.
7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1. Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke of andere strafbare feiten.
7.3.2. Rapportages
Blijkens de rapportages van de reclassering heeft verdachte ook daar de bewezenverklaarde feiten ontkend. Om die reden kan de reclassering geen uitspraak doen omtrent het recidiverisico. De reclassering sluit zich aan bij de conclusies in het NIFP-rapport, waaruit blijkt dat indien de verdachte wordt veroordeeld sprake is van een parafiele stoornis bij de verdachte. Gelet hierop wordt, bij veroordeling voor beide feiten, toch reclasseringstoezicht en een behandelverplichting geadviseerd.
Psycholoog [naam 5] heeft rapporten over de verdachte opgemaakt gedateerd 11 januari 2023 (t.a.v. parketnummer 10.155630.22) en 25 september 2024 (t.a.v. parketnummer 10.037358.24). De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van deze rapporten. Op basis van de geraadpleegde stukken, het onderzoek naar de levensloop en de gespreksindrukken heeft psycholoog geconcludeerd dat de persoonlijkheid van verdachte wordt gekenmerkt door narcistische (persoonlijkheids)problematiek, maar is er geen (in retrospectief) onderbouwde delict-analyse te geven van het ten laste gelegde. Het blijft onduidelijk of en in welke mate en op welke wijze de narcistische problematiek van de verdachte doorgewerkt zou hebben in het ten laste gelegde. Derhalve is er geen uitspraak te doen over de mate waarin betrokkene het ten laste gelegde zou zijn toe te rekenen en er is geen adequate inschatting te geven van het recidiverisico. Uitgaande van bewezenverklaring van de feiten is sprake van een ongespecificeerde parafiele stoornis.
7.4. Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat het ondergaan van een gevangenisstraf voor verdachte, gelet op zijn leeftijd, zwaarder is dan gemiddeld. Dit weegt de rechtbank mee in haar strafmaat, evenals het feit dat de feiten ten laste gelegd onder nummer 10.155630.22 meer dan 10 jaar oud zijn. Tegelijkertijd leidt dat laatste evenwel niet tot substantiële matiging, omdat het tijdsverloop geen afbreuk doet aan de ernst van de gepleegde strafbare feiten en [aangeefster 1] en [aangeefster 2] jong waren ten tijde van het seksueel misbruik. Pas nadat de nadelige gevolgen zich - na jaren - bij de slachtoffers hebben gemanifesteerd, waren deze bereid en in staat om aangifte tegen de vader van [aangeefster 1] te doen.
Anders dan door de reclassering is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de gevangenisstraf deels voorwaardelijk op te leggen en de verdachte te verplichten mee te werken aan behandeling en reclasseringstoezicht, omdat niet is gebleken dat de verdachte hiervoor openstaat nu hij het ten laste gelegde volledig ontkent.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank als strafverzwarend meegenomen dat het misbruik van zijn dochter [aangeefster 1] op jonge leeftijd is begonnen en jarenlang en veelvuldig heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn dochter [aangeefster 1] in hem had en dat vertrouwen diep beschaamd. Hij heeft ook misbruik gemaakt van haar afhankelijkheid van hem als vader en haar angst om haar moeder niet meer te mogen zien.
Gelet op al het voorgaande in samenhang bezien, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur 5 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met:
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [aangeefster 1], [aangeefster 2] of [aangeefster 3] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8 Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen
8.1. Vordering van [benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] ter zake van het onder parketnummer 10.155630.22 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000, - aan immateriële schade.
8.1.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde.
8.1.2. Standpunt verdediging
Primair is betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is gesteld dat, zowel bij veroordeling voor het primair als het subsidiair ten laste gelegde, de vordering dient te worden gematigd.
8.1.3. Beoordeling
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder parketnummer 10.155630.22 onder 1 primair ten laste gelegde heeft gepleegd. Dit betekent ook dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische en fysieke) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Gelet op alle omstandigheden – in het bijzonder de kwetsbaarheid van de benadeelde partij, haar jeugdige leeftijd en het feit dat het misbruik werd gepleegd door haar vader gedurende een lange periode – en hetgeen aan bedragen in vergelijkbare zaken wordt toegekend,
zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op ten minste het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 5.000, - toe.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 september 2007, nu deze datum in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode valt en naar redelijkheid en billijkheid kan worden vastgesteld dat de schade op dat moment is ontstaan. Tevens zal, zoals gevorderd, de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
8.2. Vordering van [benadeelde partij 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2] ter zake van het onder parketnummer 10.155630.22 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.947,93 aan materiële schade, hetgeen ter terechtzitting is gecorrigeerd, en een vergoeding van € 2.500, - aan immateriële schade.
8.2.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding volledig toe te wijzen. Ten aanzien van de materiële schade is verzocht de gevorderde reiskosten af te wijzen, nu deze gemaakt zijn ten behoeve van het strafproces en niet ten behoeve van de gezondheid, en voor het overige toe te wijzen.
8.2.2. Standpunt verdediging
Primair is betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding verzocht om afwijzing van de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband niet is gebleken. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is gesteld dat deze dient te worden gematigd, nu een verklaring van een deskundige over het psychische letsel ontbreekt.
8.2.3. Beoordeling
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder parketnummer 10.155630.22 onder 2 ten laste gelegde heeft gepleegd. Dit betekent ook dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Gelet op alle omstandigheden – in het bijzonder de kwetsbaarheid van de benadeelde partij en haar jeugdige leeftijd – en hetgeen aan bedragen in vergelijkbare zaken wordt toegekend,
zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op ten minste het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 2.500, - toe.
De benadeelde partij zal ten aanzien van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn om afdoende vast te kunnen stellen dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Nader onderzoek daarnaar zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 januari 2010, nu deze datum in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode valt en naar redelijkheid en billijkheid kan worden vastgesteld dat de schade op dat moment is ontstaan. Tevens zal, zoals gevorderd, de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.3. Vordering van [benadeelde partij 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 3] ter zake van het onder parketnummer 10.037358.24 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 26.958,10 aan materiële schade en een vergoeding van € 9.250, - aan immateriële schade.
8.3.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding volledig toe te wijzen. Ten aanzien van de materiële schade is verzocht de gevorderde reiskosten met betrekking tot het DNA-verhoor af te wijzen, nu deze gemaakt zijn ten behoeve van het strafproces en niet ten behoeve van de gezondheid, en voor het overige toe te wijzen. Het gevorderde is onderbouwd en betreft met betrekking tot studievertraging standaardbedragen.
8.3.2. Standpunt verdediging
Primair is betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding gesteld dat deze aanzienlijk dient te worden gematigd, nu deze vordering gelet op soortgelijke zaken buitenproportioneel hoog is. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding is verzocht om afwijzing van de vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd en het causaal verband niet is gebleken. Meer subsidiair is verzocht om niet-ontvankelijkheidsverklaring van de gevorderde materiële schadevergoeding, nu het onderzoek naar de hoogte van de kosten van de studievertraging een onevenredige belasting zou zijn van het strafproces.
8.3.3. Beoordeling
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder parketnummer 10.037358.24 ten laste gelegde heeft gepleegd. Dit betekent ook dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Gelet op alle omstandigheden – in het bijzonder het feit dat het incident heeft plaatsgevonden op de werkvloer en de jonge leeftijd van de benadeelde partij – en hetgeen aan bedragen in vergelijkbare zaken wordt toegekend, zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij zal ten aanzien van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing thans ontoereikend zijn om afdoende vast te kunnen stellen dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 december 2021. Tevens zal, zoals gevorderd, de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4. Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een bedrag betalen van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.
De verdachte moet de [benadeelde partij 2] een bedrag betalen van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.
Over een deel van de door de [benadeelde partij 2] gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij wordt in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De verdachte moet de [benadeelde partij 3] een bedrag betalen van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.
Over een deel van de door de [benadeelde partij 3] gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij wordt in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 57, 244 (oud), 246 (oud), 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10.155630.22 onder 1 primair en 2, en onder parketnummer 10.037358.24 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van 5 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen na heden zich te onthouden van direct of indirect contact met:
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op en zal in totaal ten hoogste zes maanden bedragen;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 5.000, - (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, beperkt tot de door deze betaalde eigen bijdrage, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen € 5.000,-(hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.000, - niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 2.500, - (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] te betalen € 2.500,-(hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2500, - niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 1.000, - (zegge: duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 3] te betalen € 1.000,-(hoofdsom, zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.000, - niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. Spoormaker, voorzitter,
en mr. R.P. Boon en mr. L. Daum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 15 januari 2025.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10.155630.22
1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 december 2003 tot en met 28 juni 2011 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk,
met [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit, of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Dijkshoorn, hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) - de vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of zijn vinger(s) in/tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gebracht en/of - de borsten en/of billen van die [slachtoffer 1] betast, althans over de borsten en/of billen gewreven en/of - zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 december 2004 tot en met 18 december 2011 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk
ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 3] 1999, bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij meermalen, althans eenmaal - de vagina van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of - de borsten en/of billen van die [slachtoffer 1] heeft betast, althans over de borsten en/of billen gewreven en/of - zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 augustus 2008 tot en met 01 augustus 2011 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk
ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2] 1999,
immers heeft hij meermalen, althans eenmaal (telkens) die [slachtoffer 2] - vastgepakt bij de borsten en/of bij de vagina en/of - ( terwijl of nadat die [slachtoffer 2] in bad zat) met de hand met daarin een spons en/of een handdoek bij die [slachtoffer 2] over de borst(en) en/of de schaamstreek en/of tussen de billen en/of (boven)benen, althans over het lichaam gewreven en/of met de handdouche de vagina besproeid en hierbij de (schaamlippen van de) vagina opengehouden en/of vastgepakt met een/de vinger(s);
Parketnummer 10.037358.24
hij op of omstreeks 19 december 2023 te Rotterdam,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten onverhoeds (en/of in een krappe ruimte) [slachtoffer 3]
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal - omhelzen en/of vastpakken en/of (stevig) vast blijven houden van die [slachtoffer 3] en/of - strelen over de rug van die [slachtoffer 3] en/of - brengen en/of houden van zijn, verdachtes, handen op de billen van die [slachtoffer 3] en/of - brengen en/of houden van zijn, verdachtes, handen onder de kleding en/of op de ontblote rug en/of borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] en/of - pogen om zijn, verdachtes, handen op de (ontblote) vagina, althans bij de schaamstreek van die [slachtoffer 3] te brengen en/of - zoenen in de nek en/of op de mond van die [slachtoffer 3].