Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15479 - Rechtbank Rotterdam - 19 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15479•19 december 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/694779 / JE RK 25-361 en C/10/708925 / FA RK 25-8092
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling, een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing, een herbenoeming bijzondere curator en een verzoek tot gezagsbeëindiging
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
en
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteland],
hierna te noemen [minderjarige].
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats],
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. M.S. Krol, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de pleegouders,
[naam curator],
advocaat in Rotterdam.
hierna te noemen de bijzondere curator,
In de zaak van de Raad (met nummer C/10/708925 / FA RK 25-8092) merkt de rechtbank ook de GI aan als belanghebbende.
1 Het verloop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure in de zaak van de GI met nummer C/10/694779 / JE RK 25-361 blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 maart 2025 en de beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 december 2025. Daarbij is steeds op een deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen beslist. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is steeds aangehouden.
1.2. Op 23 oktober 2025 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad (C/10/708925 / FA RK 25-8092) van diezelfde datum;
1.3. Op 2 december 2025 is ontvangen het verweerschrift van de advocaat van de moeder.
1.4. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1]; - twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 2] en [naam 3].
1.5. De pleegmoeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist is opgeroepen.
2 De feiten
2.1. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2. Op 3 februari 2022 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Daarnaast is een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige]. Vervolgens is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. Deze is steeds verlengd en loopt nu tot 25 januari 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing is ook steeds verlengd en geldt ook tot 25 januari 2026.
2.3. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4. De GI heeft zich bij brief van 18 februari 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.
3 De (aangehouden) verzoeken
3.1. De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er dient nog te worden beslist over de periode van 25 januari 2026 tot 25 april 2026.
3.2. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
4.1. De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. Al een lange periode verblijft [minderjarige] in het pleeggezin, waar zij zich positief ontwikkelt. Er is in 2023 een perspectiefbesluit genomen. Het opgroeiperspectief van [minderjarige] ligt bij het pleeggezin. De moeder leek een lange tijd achter de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin te staan. Tegen de beschikking van 17 oktober 2024, waarbij het perspectiefbesluit door de rechtbank is onderschreven, heeft de moeder echter hoger beroep ingesteld. Het is in het belang van [minderjarige] dat de samenwerking tussen de moeder aan de ene kant en de GI en het pleeggezin aan de andere kant goed blijft. [minderjarige] moet verzekerd blijven van haar plaatsing in het pleeggezin zonder spanningen en juridische strijd. Dat zet de relaties onder druk. [minderjarige] is juist gebaat bij rust en regelmaat en heeft veel voorspelbaarheid nodig. Een beëindiging van het gezag van de moeder is daarom nodig. Als het verzoek wordt afgewezen, blijven de andere kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk.
4.2. De GI heeft het verzoek van de Raad ter zitting ondersteund. Voor het geval het gezag van de moeder niet wordt beëindigd, heeft de GI het resterende deel van haar verzoek gehandhaafd. De GI heeft dit – samengevat – als volgt toegelicht. Omdat de moeder eerder leek te berusten in de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, werd gedacht aan een overdracht naar het vrijwillig kader op de langere termijn. De GI vindt dat nu echter niet meer passend. Een beëindiging van het gezag is nodig om [minderjarige] te kunnen laten opgroeien in het pleeggezin en duidelijkheid te geven aan alle betrokkenen. De nieuwe partner van de moeder wil betrokken worden bij [minderjarige] en vindt dat [minderjarige] weer thuis moet komen wonen. De moeder wordt wellicht beïnvloed door haar partner. De moeder heeft de wens om samen met [minderjarige] een gezin te vormen. De partner van de moeder heeft aangegeven dat de situatie veel met hem doet en dat de GI een muur bouwt tussen hem en [minderjarige]. Het is de vraag of hij kan berusten in de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin en of de moeder zich kan neerleggen bij deze plaatsing. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft. Er loopt nog een NIKA-traject. Dat traject is gepauzeerd, omdat de moeder pas geleden een baby heeft gekregen. Tijdens het eerdere NIKA-traject heeft de moeder bij het oplopen van spanning moeite gehad om voor [minderjarige] beschikbaar te blijven. Er volgen nog twee sessies bij NIKA. Daarna wordt bekeken of de omgang tussen [minderjarige] en de moeder kan worden uitgebreid, daarbij rekening houdend met wat [minderjarige] aankan.
4.3. Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. Wel verzet de moeder zich tegen beëindiging van haar gezag. Namens haar is verzocht om dit verzoek af te wijzen, dan wel om de beslissing op het verzoek aan te houden. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd. De moeder is in hoger beroep gegaan omdat zij er alles aan gedaan wilde hebben om [minderjarige] thuis te kunnen laten opgroeien. Na de hoger beroepsprocedure heeft zij erin berust dat [minderjarige] bij het pleeggezin zal opgroeien. Dat de moeder hier nu volledig achter kan staan, is een proces geweest waar de moeder doorheen moest. Zij heeft ook het recht om het perspectiefbesluit te laten toetsen door het gerechtshof. Er is geen sprake van beïnvloeding door de partner. Bij [minderjarige] is geen sprake van onzekerheid over waar zij opgroeit. Zij weet dat zij in het pleeggezin mag blijven. De moeder wil toewerken naar het vrijwillig kader. Beëindiging van het gezag is niet nodig. De moeder heeft gezagsbeslissingen nooit gefrustreerd en is ook geen procedures meer gestart. Wel hoopt de moeder dat de omgang met [minderjarige] in de toekomst kan worden uitgebreid.
4.4. De pleegvader heeft ter zitting – samengevat – naar voren gebracht dat [minderjarige] het best goed doet en dat zij geniet van de bezoeken met de moeder. Wel heeft zij nog last van trauma's. Zij heeft veel behoefte aan voorspelbaarheid, structuur en veiligheid.
4.5. De bijzondere curator heeft ter zitting te kennen gegeven achter het verzoek tot beëindiging van het gezag te staan. In het verleden is de moeder niet in staat geweest om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. In het begin werd de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin door de moeder geaccepteerd. Op een gegeven moment heeft de moeder haar opstelling echter gewijzigd. Zij was toen van mening dat [minderjarige] bij haar moest gaan wonen. Er zijn zorgen of de moeder de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin echt accepteert. De moeder en haar partner willen samen met de kinderen een gezin vormen. Het is in het belang van [minderjarige] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd, omdat daarmee duidelijk wordt dat [minderjarige] bij het pleeggezin zal opgroeien. Wel moet worden bekeken of het contact tussen [minderjarige] en de moeder in de toekomst kan worden uitgebreid.
De bijzondere curator is bereid om als bijzondere curator bij [minderjarige] betrokken te blijven en haar belangen te blijven behartigen.
5 De beoordeling
Ten aanzien van het verzoek tot gezagsbeëindiging
5.1. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als een minderjarig kind zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind binnen een voor het kind aanvaardbare termijn te dragen (artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De beëindiging van het gezag van de ouder maakt een inbreuk op diens recht op respect voor zijn familie - en gezinsleven (vastgelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). Dat mag alleen als dat bij de wet is voorzien (zoals in dit geval in artikel 1:266 BW) en als die inbreuk noodzakelijk is ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 8 EVRM, waaronder de rechten en vrijheden van anderen. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
5.2. Uit de overgelegde stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting blijkt dat is voldaan aan het criterium genoemd in artikel 1:266 BW. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd en de moeder is niet in staat gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. De nu 5-jarige [minderjarige] is net voor haar tweede verjaardag met spoed uit huis geplaatst vanwege een zeer onveilige opvoedsituatie bij de moeder. [minderjarige] was toen opgenomen in het ziekenhuis met forse brandwonden. Ook werd oud letsel bij haar geconstateerd en bleek zij ernstig ondervoed te zijn. De moeder en de persoon bij wie de moeder en [minderjarige] toen woonden zijn hiervoor veroordeeld. Door de mishandelingen kampt [minderjarige] met forse trauma's. Hiervoor is zij behandeld en zal zij in de toekomst waarschijnlijk verder worden behandeld. In de periode van augustus 2022 tot november 2023 heeft de moeder meegewerkt aan een zogenoemd NIKA-traject. Daarin wordt gewerkt aan de hechtingsrelatie tussen een onveilig gehecht kind en zijn of haar ouder. Gezien werd toen dat de moeder weinig schadelijk oudergedrag laat zien als zij in een veilige omgeving contact met [minderjarige] heeft. In november 2023 heeft de GI een opvoedbesluit genomen. Besloten is dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt en dat [minderjarige] in het pleeggezin zal opgroeien. Daar verblijft zij nu al meer dan drieënhalf jaar en ontwikkelt zij zich goed. De rechtbank heeft het perspectiefbesluit op 17 oktober 2024 onderschreven. Tegen deze beschikking heeft de moeder bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld. Op 20 april 2025 heeft het gerechtshof de bestreden beschikking bekrachtigd. Dit alles betekent dat niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige].
5.3. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of een gezagsbeëindiging (en dus het maken van een inbreuk op het recht van de moeder op respect voor haar familie - en gezinsleven) noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van [minderjarige]. De rechtbank kan die vraag op dit moment nog niet beantwoorden. De moeder werkt goed met de GI en het pleeggezin samen en heeft dat ook altijd gedaan. Niet gebleken is dat de moeder gezagsbeslissingen frustreert. Een gezagsbeëindiging kan echter ook noodzakelijk zijn als sprake is van onduidelijkheid bij de minderjarige over waar hij of zij verder opgroeit. Uit het verzoekschrift van de Raad blijkt dat de moeder [minderjarige] tijdens de traumabehandeling van [minderjarige] emotionele toestemming heeft gegeven om in het pleeggezin op te groeien. Bij de Raad, de GI en de bijzondere curator bestaan echter twijfels over de vraag of de moeder de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin daadwerkelijk accepteert. Hierbij speelt een rol dat de moeder nu een gezin heeft gesticht met haar partner, met wie zij onlangs een dochter heeft gekregen. De rechtbank deelt die twijfels. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de behandeling van het verzoek voor een periode van acht maanden aan te houden en daarna te bekijken of de moeder vorderingen heeft gemaakt in het acceptatieproces dat [minderjarige] niet bij haar zal opgroeien en of de emotionele toestemming die zij [minderjarige] heeft gegeven blijvend is. Ook kunnen de resultaten van het nu gepauzeerde NIKA-traject dan worden meegewogen.
5.4. De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek van de Raad PRO FORMA aan tot 1 september 2026.
5.5. De Raad wordt verzocht om vóór 1 september 2026 de rechtbank in een briefrapportage te informeren over de stand van zaken en daarin ook informatie van de GI mee te nemen over de resultaten van het NIKA-traject en het verloop van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Ook wordt de Raad verzocht om gemotiveerd aan te geven of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.6. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling, genoemd in artikel 1:255 BW, is voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De rechtbank verwijst voor de motivering hiervan kortheidshalve naar wat hiervoor is overwogen. De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de resterende verzochte duur, te weten tot 25 april 2026.
5.7. Voor de komende periode is van belang dat het NIKA-traject wordt hervat zodra dat mogelijk is en dat vervolgens wordt bezien of, en zo ja, hoe, uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder mogelijk is. Het belang van [minderjarige] staat daarbij vanzelfsprekend voorop.
Herbenoeming bijzondere curator
5.8. De rechtbank ziet aanleiding om de bijzondere curator voor [minderjarige] opnieuw te benoemen, nu aan de gronden hiervoor nog steeds wordt voldaan.
5.9. [naam curator] heeft zich bereid verklaard de benoeming tot bijzondere
curator van [minderjarige] opnieuw te aanvaarden. De rechtbank benoemt [naam curator] daarom als bijzondere curator van [minderjarige] met als opdracht [minderjarige] in en buiten rechte te vertegenwoordigen en al het nodige te doen wat in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank bepaalt dat de
benoeming tot bijzondere curator geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 25 april 2026.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
5.10. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
in de zaak met nummer C/10/694779 / JE RK 25-361
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 april 2026;
6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 april 2026;
6.3. ( (her)benoemt tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] te vertegenwoordigen: [naam curator], kantoorhoudende aan de [adres], en bepaalt dat deze benoeming geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 april 2026;
6.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met nummer C/10/708925 / FA RK 25-8092
6.5. bepaalt dat de behandeling van het verzoek van de Raad wordt aangehouden tot 1 september 2026 pro forma.
De Raad, de GI, de belanghebbenden, de advocaat en de bijzondere curator hoeven op deze datum niet ter zitting te verschijnen en zullen worden opgeroepen tegen een nader te bepalen datum;
6.6. verzoekt de Raad vóór 1 september 2026 de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift daarvan aan de GI, de belanghebbenden, de advocaat en de bijzondere curator.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: