Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15409 - Rechtbank Rotterdam - 31 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15409•31 december 2025
Uitspraak inhoud
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 31 december 2025
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 29 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 16 december 2025.
De schuldhulpverlener van verzoeker heeft op verzoek van de rechtbank op 22 en 24 december 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
2 De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 50.077,81.
3 De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft een preferente schuld aan de Belastingdienst van in totaal € 13.792,00. Ter zitting heeft verzoeker geen nadere toelichting kunnen geven op het ontstaan en de samenstelling van deze belastingschuld. Verzoeker is daarbij in de gelegenheid gesteld deze schuld toe te lichten. Enkel uit de na de zitting ontvangen aanvullende stukken van 22 december 2025 is gebleken dat deze schuld onder meer betrekking heeft op het niet betalen van motorrijtuigenbelasting en inkomstenbelasting in de periode 2023 tot en met 2025. Deze stukken bieden echter slechts gedeeltelijk inzicht in de omvang en herkomst van de totale belastingschuld.
Naar het oordeel van de rechtbank rust op verzoeker de verantwoordelijkheid om ervoor zorg te dragen dat belastingen volledig en tijdig worden voldaan. Verzoeker heeft dit nagelaten en heeft, ook na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het onbetaald laten van deze belastingschuld geen verwijt treft. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten.
Daarnaast heeft verzoeker schulden bij het CJIB van in totaal € 6.804,00. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden in ieder geval gedeeltelijk betrekking hebben op verkeersboetes wegens verkeerd parkeren, ontstaan in 2024. Voor het overige heeft verzoeker geen nadere toelichting of specificatie verstrekt. Ook deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Feiten of omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat de daartoe gestelde gewijzigde omstandigheden, zoals het instellen van budgetbeheer sinds 19 juli 2024, onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling waaruit blijkt dat schuldenaar greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Verzoeker heeft immers na het instellen van budgetbeheer alsnog schulden laten ontstaan aan de Belastingdienst.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4 De beslissing
De rechtbank: - wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025. [1]
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen. - - - ## Voetnoten