Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15389 - Rechtbank Rotterdam - 7 oktober 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15389•7 oktober 2025
Uitspraak inhoud
Team jeugd
Parketnummer: 10/239757-24
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , op [geboortedatum 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadsman mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht.
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 oktober 2025.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft gevorderd:
4 Waardering van het bewijs
4.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Het feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2. Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/ofbedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon,in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten deleaan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde(n) door - de weg voor die [slachtoffer] te blokkeren en/of - die [slachtoffer] een op een vuurwapen, althans een soortgelijkgelijkend voorwerp, te tonen en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon te laten zien en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon uit elkaar te halen
en/of naar fabrieksinstellingen te zetten en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon te geven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straf
7.1. Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing. Daarbij is de weg voor het slachtoffer geblokkeerd en is het slachtoffer onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen tot afgifte van zijn telefoon die hij eerst op de fabrieksinstellingen moest zetten. Afpersing is een zeer ernstig feit. In het algemeen zijn slachtoffers van dit soort feiten vaak nog lang bang om op straat opnieuw in een vergelijkbare situatie terecht te komen. Naast de gevoelens van angst bij de slachtoffers zorgen dit soort feiten ook voor gevoelens van onveiligheid bij mensen die hiervan getuige zijn of hierover horen. De verdachte en de medeverdachten zijn door hun handelen geheel voorbijgegaan aan deze gevoelens en hebben kennelijk alleen gedacht aan wat er voor hen te halen viel.
7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1. Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
7.3.2. Rapportage en de verklaring van de deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 september 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Uit het onderzoek komt het algemeen recidive risico uit op laag en het dynamisch risicoprofiel komt uit op heel laag. Er komen op alle domeinen van het leven van de verdachte beschermende factoren naar voren. Uit het onderzoek blijkt dat de verdachte een positieve ontwikkeling laat zien waarbij hij in vast dienstverband werkt en naar school gaat. Deze factoren dragen bij aan het verkleinen van het recidive risico. Het opleggen van een werkstraf kan deze positieve ontwikkeling juist belemmeren, omdat dit extra belasting met zich meebrengt en zijn werkverplichtingen onder druk komen te staan. Dit zou dan juist de kans op herhaling van delictgedrag kunnen vergroten. De Raad is daarom van mening dat het belangrijk is dat de verdachte zijn positieve ontwikkeling kan blijven voortzetten.
Vanwege het lage recidive risico, het feit dat de verdachte een first offender is, het
tenlastegelegde delict al meer dan een jaar geleden is gepleegd, de verdachte na het tenlastegelegde delict niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en hij goed meewerkt met de jeugdreclasseerder en de jongerencoach is de Raad van mening dat een voorwaardelijke jeugddetentie een passende maatregel is om de kans op recidive te verkleinen. Vanwege de positieve ontwikkeling en de lage risicofactoren, zijn er geen doelen meer voor de jeugdreclasseerder. Om die reden adviseert de Raad geen bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
Ter zitting heeft de jeugdreclasseerder, [persoon A] , naar voren gebracht dat zij het eens is met het advies van de Raad dat het toezicht van de jeugdreclassering niet nodig is. De verdachte heeft in de afgelopen periode goed meegewerkt aan het jeugdreclasseringstoezicht en zich aan de voorwaarden gehouden. Er is sprake van een positieve ontwikkeling, waarbij de verdachte met ondersteuning van zijn coach (E25) grote stappen heeft gemaakt.
7.4. Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte open is geweest over zijn aandeel in het strafbare feit en ter zitting heeft laten blijken spijt te hebben van zijn daad. Daarnaast heeft de verdachte nadat zijn voorlopige hechtenis is geschorst goed meegewerkt met de jeugdreclassering en zich aan de gestelde voorwaarden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet terug naar de jeugdgevangenis moet en zal een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van één jaar. Gelet op de op zitting besproken recente ontwikkelingen in het leven van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gebaat is bij voortzetting van de ondersteuning van de coach en de begeleiding en toezicht van de jeugdreclassering. Om die reden zullen aan het voorwaardelijke strafdeel voorwaarden worden verbonden die hierna worden genoemd. De proeftijd wordt vastgesteld op één jaar, omdat de verdachte al geruime tijd reclasseringstoezicht heeft gehad in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis en het naleven van de voorwaarden in die periode goed is verlopen. Het voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 639,00 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.2. Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit om de vordering ten aanzien van de schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Er is geen bon toegevoegd als bijlage. Volgens de raadsman is het verder onduidelijk of rekening is gehouden met de leeftijd van het toestel, nu er kosten van een nieuw toestel worden gevraagd. Ook is het de vraag of de gestelde schade daadwerkelijk door het slachtoffer is geleden, nu uit de toelichting bij de vordering blijkt dat de ouders van het slachtoffer de telefoon hebben gekocht. Daarnaast heeft de raadsman primair verzocht de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze evenmin is onderbouwd en niet duidelijk is hoe het met het slachtoffer gaat. Subsidiair verzoekt de raadsman, indien de rechtbank de immateriële schade toewijst, het gevorderde bedrag te matigen.
8.3. Beoordeling
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren, nu onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk door de benadeelde partij zijn gemaakt. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Verder is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp van zijn telefoon beroofd. De aard en de ernst van het feit en de inbreuk op de lichamelijke integriteit, brengen mee dat aantasting in de persoon aannemelijk is. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 200,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 juli 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4. Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer] een schadevergoeding betalen van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 34 (vierendertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 1 (één) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - meewerkt met coaching en begeleiding vanuit E25; - gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] ;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van
€ 200, - (zegge: tweehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde aan immateriële schade;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering aan materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 200,- (hoofdsom, zegge: tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van den Wildenberg, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. C.M. Derijks en J.S. van den Berge, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde(n) door - de weg voor die [slachtoffer] te blokkeren en/of - die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een soortgelijk voorwerp, te tonen en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon te laten zien en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon uit elkaar te halen
en/of naar fabrieksinstellingen te zetten en/of - die [slachtoffer] (dreigend) te dwingen/gebieden zijn telefoon te geven.