Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15371 - Rechtbank Rotterdam - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15371•24 december 2025
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zaaknummer: C/10/695586 / HA ZA 25-218
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
BOWIDO B.V.,
te Dordrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Bowido,
advocaat: mr. W. van Dijk,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. Zwanenberg, voorheen: mr. J.I.L. Laumans.
1 De zaak in het kort
Bowido heeft raam - en deurkozijnen gemaakt in opdracht van aannemer [persoon A] en heeft die aan [gedaagde] geleverd. Bowido heeft daardoor een vordering op [gedaagde] verkregen die onbetaald is gebleven. Die vordering wordt op een paar posten na niet betwist. [gedaagde] heeft wel gesteld dat zij verrekenbare tegenvorderingen heeft, omdat zij ten onrechte facturen van Bowido voor andere leveringen heeft betaald. Zij stelt ook schade te hebben geleden. De rechtbank verwerpt het verrekeningsverweer van [gedaagde] en wijst de vorderingen van Bowido voor het grootste gedeelte toe. De tegenvorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.
2 De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 februari 2025 met producties 1-6; - de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van 7 mei 2025 met producties 1-6; - de conclusie van antwoord in reconventie van 23 september 2025 met producties 7 tot en met 34; - de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 23 september 2025; - de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie van [gedaagde] van 5 november 2025 met producties 7-13; - de conclusie van dupliek in reconventie van Bowido van 3 december 2025.
2.2. Op 10 september 2025 heeft mr. Laumans de rechtbank geschreven dat zij zich als advocaat van [gedaagde] onttrekt. Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 om de eventuele nieuwe advocaat van [gedaagde] de gelegenheid te geven om zich te stellen. Op de rol van 8 oktober 2025 heeft mr. Zwanenburg zich voor [gedaagde] gesteld. Hij heeft verzocht om een nadere schriftelijke ronde. De rechtbank heeft dat toegestaan.
2.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
3.1. Bowido is een groothandel in raam - en deurkozijnen. Zij maakt kozijnen op maat aan de hand van gegevens die daartoe door haar afnemers, zoals [gedaagde] , in een webapplicatie worden ingevuld. Een bestelling kan pas worden geplaatst nadat de klant heeft verklaard akkoord te zijn met de algemene voorwaarden van Bowido. In artikel 4.1 van die algemene voorwaarden staat dat facturen van Bowido betaald moeten zijn binnen veertien dagen, tenzij een andere termijn is overeengekomen. In artikel 4.2 staat dat Bowido recht heeft op een contractuele rente van 1% per maand en incassokosten gelijk aan 15% van het bedrag van de vordering als haar facturen niet tijdig worden betaald.
3.2. In die algemene voorwaarden staat ook;
" 8.1. BoWiDo B.V. is slechts aansprakelijk voor directe schade geleden door de afnemer, welke schade het rechtstreeks en uitsluitend gevolg is van opzet of grove schuld, met dien verstande dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt die schade waartegen BoWiDo B.V. verzekerd is, danwel redelijkerwijze, gezien de in de branche geldende gebruiken, verzekerd hadden behoren te zijn.
8.2. BoWiDo B.V. is nimmer aansprakelijk voor enige indirecte schade of voor enige gederfde winst van afnemers of derden, waaronder mede begrepen gevolgschade, immateriële schade, bedrijfsschade of stagnatieschade. BoWiDo B.V. is evenmin aansprakelijk voor schade die verband houdt met door de afnemer voorgeschreven constructies of materialen of door de afnemer of in zijn opdracht door derden geleverd
materiaal of aandeel in de zaken."
3.3. [gedaagde] heeft een aannemingsbedrijf dat is gespecialiseerd in het plaatsen van kozijnen bij particulieren. De echtgenoot van [gedaagde] , [persoon B] , is ook in het bedrijf werkzaam. Hij plaatste namens [gedaagde] bestellingen bij Bowido en correspondeerde veelvuldig met Bowido.
3.4. Bowido en [gedaagde] doen al zaken met elkaar vanaf de oprichting van Bowido in 2021. Daarvoor deed [gedaagde] zaken met Akulux B.V. Bowido heeft de activiteiten voortgezet van Akulux, nadat Akulux was gefailleerd.
3.5. [gedaagde] heeft tussen augustus 2023 en september 2024 kozijnen besteld bij Bowido. Bowido heeft die kozijnen geleverd.
3.6. Bowido heeft [gedaagde] hiervoor facturen gestuurd. Op elke factuur staat in afwijking van de algemene voorwaarden van Bowido dat de factuur binnen 30 dagen na de factuurdatum betaald moet worden.
3.7. [gedaagde] heeft de facturen van Bowido niet tijdig betaald. Op 13 mei 2024 stond een bedrag van € 131.738,38 open. Partijen zijn hierover in overleg getreden. In een email van 13 mei 2024 aan [persoon B] met als onderwerp "Openstaande en verlopen posten naar beneden brengen – LBL" schreef Bowido dat was afgesproken dat het doel was "om voor de bouwvakvakantie (week 30) de openstaande posten met 30k naar beneden te brengen" en ook dat [gedaagde] de overwaarde van haar woning en bedrijfsruimte zou gebruiken om een extra aflossing te doen.
3.8. Op 28 mei 2024 heeft Bowido aan [persoon B] een email gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:
"Via deze weg nog één een bevestiging van wat we hebben afgesproken.
- Alle orders die worden opgehaald 100% betalen.
- Voordat je nieuwe orders door worden gestuurd zal er een aanbetaling moeten plaatsvinden van 1000 euro voor bestellingen onder de 3000 en 2000 euro voor bestellingen boven de 3000.
- Als de bestellingen dan binnen zijn dan wordt complete factuurwaarde voldaan om zo de openstaande facturen naar beneden te brengen.
LBL houdt dit zelf in de gaten en doet de aanbetaling als de bestelling wordt geplaatst zodat wij daar geen rekening mee hoeven te houden."
3.9. Bowido heeft met ingang van 20 augustus 2024 geen nieuwe orders van [gedaagde] meer aangenomen.
3.10. [gedaagde] heeft facturen van Bowido tot een bedrag van € 123.580,60 onbetaald gelaten.
4 Het geschil
In conventie:
4.1. Bowido vordert - samengevat en na vermindering van de eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 143.795,22 vermeerderd met contractuele rente van 1% per maand vanaf 14 februari 2025 over € 115.947,29 en incasso - en proceskosten met rente bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het bedrag van € 143.795,22 omvat een hoofdsom van € 115.947,29, contractuele rente van € 10.455,84 tot en met 13 februari 2025 en incassokosten van € 17.392,09.
4.2. Bowido legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de aannemingsovereenkomsten met Bowido moet nakomen en de facturen met rente en kosten moet betalen.
4.3. [gedaagde] betwist een deel van de vordering en voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Bowido, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Bowido, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Bowido in de kosten van deze procedure.
In reconventie:
4.4. [gedaagde] vordert – samengevat - veroordeling van Bowido tot betaling van € 50.934,25 plus € 18.835,46, dus € 69.770,71 in totaal, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4.5. [gedaagde] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Bowido is tekortgekomen in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomsten met [gedaagde] doordat Bowido gebrekkige kozijnen heeft geleverd. Bowido moet de schade die [gedaagde] daardoor heeft geleden vergoeden. Bowido moet ook schade vergoeden die [gedaagde] heeft geleden, doordat Bowido in strijd met de betalingsafspraken van 28 mei 2024 orders van [gedaagde] heeft geweigerd. [gedaagde] moest uitwijken naar een andere leverancier en was hierdoor duurder uit.
4.6. Op de stellingen van partijen – in conventie en in reconventie - wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
In conventie:
[gedaagde] moet de facturen van Bowido betalen
5.1. [gedaagde] heeft Bowido via haar webapplicatie van tijd tot tijd opdracht gegeven om raam - en deurkozijnen op maat te maken tegen een door [gedaagde] te betalen prijs. De overeenkomsten die hierdoor tussen Bowido en [gedaagde] tot stand zijn gekomen, zijn aannemingsovereenkomsten. De algemene voorwaarden van Bowido maken deel uit van die overeenkomsten, maar op haar facturen heeft Bowido [gedaagde] een betalingstermijn van 30 dagen gegeven. Bowido is op grond van wat is overeengekomen gehouden om de kozijnen goed en deugdelijk te maken en te leveren en [gedaagde] is gehouden om de overeengekomen prijs binnen 30 dagen na de factuurdatum te betalen.
5.2. Bowido heeft de kozijnen geleverd die [gedaagde] heeft besteld. Niet in geschil is dat [gedaagde] facturen van Bowido voor deze geleverde kozijnen voor een bedrag van € 123.580,60 onbetaald heeft gelaten. [gedaagde] heeft de vordering van Bowido slechts gemotiveerd bestreden voor een bedrag van € 1.407,40[1] . Op het verrekeningsverweer komt de rechtbank hierna terug.
5.3. [gedaagde] heeft het volgende aangevoerd. Zij heeft wel opdracht gegeven tot de werkzaamheden waarop de facturen voor een bedrag van € 1.407,40 zien, maar Bowido mocht voor die werkzaamheden geen facturen sturen. Het eerder geleverde werk vertoonde gebreken. Die gebreken zijn door Bowido hersteld. Bowido was gehouden om dat kosteloos te doen en zij heeft ten onrechte facturen gestuurd. Op die grond heeft [gedaagde] facturen voor een totaalbedrag van € 1.407,40 terecht onbetaald gelaten. Het gaat om de volgende facturen:
5.4. Bowido heeft betwist dat deze facturen zien op herstel van gebreken. De raamvleugels zijn in opdracht van [gedaagde] nageleverd, omdat eerder geleverde raamvleugels bij de montage door [gedaagde] zijn gescheurd. Van een gebrek is alleen sprake, indien de raamvleugels scheuren op de lasnaad. Dat was hier niet het geval. In andere gevallen is het scheuren een gevolg van ondeugdelijke montage. Het slot ( [projectnaam 3] ) is vervangen in opdracht van [gedaagde] , omdat het bij de montage door [gedaagde] kapot is gegaan. De werkzaamheden voor [projectnaam 5] betreffen deuren die bij een rechtsvoorganger van Bowido zijn besteld en die tijdens de montage door [gedaagde] niet goed waren afgesteld. Bowido heeft de deuren in opdracht van [gedaagde] afgesteld en Bowido mocht de werkzaamheden van haar servicemonteurs aan [gedaagde] in rekening brengen, aldus Bowido.
5.5. De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagde] heeft tegenover de betwisting door Bowido onvoldoende nader onderbouwd dat sprake was van gebreken die Bowido kosteloos moest herstellen. Bowido heeft zich in de correspondentie met [gedaagde] consequent op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gebrek, indien de vleugels naast de lasnaad scheuren, dat zij de reclamaties van [gedaagde] terzake afwijst en dat eventueel in opdracht van [gedaagde] na te bestellen vleugels voor rekening van [gedaagde] zullen komen (zie o.a. email van Bowido van 24 maart 2023; email van Bowido van 24 maart 2024). De stelling dat de opdrachten aan Bowido tot vervanging van het slot en werkzaamheden aan de deuren herstelwerkzaamheden betroffen, heeft [gedaagde] na de gemotiveerde betwisting door Bowido niet nader onderbouwd.
5.6. Dat leidt tot de tussenconclusie dat Bowido in beginsel recht heeft op betaling van haar facturen voor een totaalbedrag van € 123.580,60, behalve voor zover haar vordering is teniet gegaan door verrekening met de gestelde tegenvorderingen. Of dat het geval is, beoordeelt de rechtbank hierna.
Tegenvordering I: [gedaagde] mag oude facturen niet verrekenen
5.7. [gedaagde] heeft het volgende gesteld. [gedaagde] heeft voor een bedrag van € 19.890,46 facturen van Bowido betaald, die zij niet had hoeven betalen. Bowido heeft de bedragen die [gedaagde] van tijd tot tijd heeft betaald kennelijk tegen deze oude facturen weggeboekt. [gedaagde] maakt aanspraak op terugbetaling. De vordering van Bowido is door verrekening tot het beloop van de tegenvordering van [gedaagde] teniet gegaan, aldus [gedaagde] . Het gaat om de volgende facturen van Bowido:
5.8. [gedaagde] heeft haar bezwaren tegen deze facturen summierlijk toegelicht in haar conclusie van antwoord. Die bezwaren komen hierop neer dat Bowido de prestatie waarop de factuur ziet niet deugdelijk heeft verricht of dat de prestatie noodzakelijk was om gebreken in eerder door Bowido verrichte werkzaamheden te herstellen. [gedaagde] heeft haar stellingen onderbouwd met correspondentie en foto's.
5.9. Bowido heeft naar aanleiding van de conclusie van antwoord de bezwaren van [gedaagde] met betrekking tot facturen inzake projecten [projectnaam 7] , [projectnaam 8] , [projectnaam 10] , [projectnaam 16] en [projectnaam 19] alsnog erkend. Dit heeft ertoe geleid dat Bowido haar vordering met een bedrag van de desbetreffende facturen heeft verminderd[3] . Bowido heeft ten aanzien van alle overige facturen gemotiveerd betwist dat zij de prestatie waarop de factuur ziet niet deugdelijk heeft verricht, dat sprake is van herstelwerkzaamheden en ook heeft zij aangevoerd dat [gedaagde] haar klachten over de gestelde gebreken niet tijdig kenbaar heeft gemaakt.
5.10. De rechtbank oordeelt als volgt. De oudste factuur waarvan Bowido in deze procedure betaling vordert, is gedateerd op 29 augustus 2023. De facturen, waarvan [gedaagde] stelt dat zij ten onrechte zijn betaald, dateren met één uitzondering van vóór augustus 2023. Die uitzondering betreft een bestelling inzake het project [projectnaam 18] , waarvan [persoon B] bij het geven van de opdracht op 21 februari 2024 aan Bowido heeft geschreven "Bestel maar nieuwe, ik neem die kosten wel (…)". De factuur inzake het project [projectnaam 18] moest [gedaagde] betalen, omdat zij dat bij het bestellen heeft toegezegd. Het aanbod van [gedaagde] om alsnog te bewijzen dat deze bestelling nodig was om een gebrekkig geleverd kozijn te vervangen, wordt gepasseerd omdat dat bewijs, als het geleverd wordt, niet tot een andere uitkomst leidt.
5.11. Dat bij de andere "oude projecten" sprake is geweest van gebreken of dat Bowido om andere redenen ten onrechte facturen heeft gestuurd, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld en na betwisting door Bowido ook niet nader onderbouwd. Uit de stukken die [gedaagde] heeft overgelegd blijkt wel dat zij destijds geprobeerd heeft om problemen die zich bij het plaatsen van de kozijnen voordeden op kosten van Bowido te laten oplossen, maar ook dat Bowido daartoe niet bereid was. Het ging dan met name, maar niet alleen om het scheuren van de vleugels van de kozijnen naast de lasnaad.
5.12. [gedaagde] heeft het daarbij kennelijk gelaten en heeft alsnog, zij het soms onder protest, opdrachten gegeven en bestellingen geplaatst om die problemen op te lossen. Dat blijkt soms uitdrukkelijk uit de correspondentie (email 7 maart 2023 van Bowido: "We gaan nieuwe vleugel voor jou bestellen en naar jou factureren (…)"; email 24 maart 2023 van [gedaagde] "Ik hoor het wel als jullie toch menen dat dit gefactureerd moet worden. Ik vind het werkelijk onbegrijpelijk"; email 17 juli 2023 van [gedaagde] : "We hebben het paneel toch nodig, dus bestel maar...".) [gedaagde] heeft op deze manier niet voldaan aan haar klachtplicht (artikel 6:89 BW), maar heeft de verwachting gewekt bij Bowido dat [gedaagde] de problemen voor eigen rekening zou oplossen. Aan die verwachting droeg bij dat [gedaagde] nadien bij Bowido bestellingen is blijven plaatsen voor een totaalbedrag van € 123.580,60 zonder de oude facturen nog ter discussie te stellen. Ook tijdens het overleg in mei 2024 over het terugbrengen van de schuld van [gedaagde] aan Bowido heeft [gedaagde] deze oude facturen niet opgebracht. Dat heeft [gedaagde] pas gedaan in deze procedure.
5.13. Inmiddels is ook niet meer met voldoende zekerheid vast te stellen of het destijds ging om gebreken die Bowido kosteloos had moeten herstellen of fouten bij de montage door [gedaagde] , omdat de problemen in het verleden kennelijk zijn opgelost. De klachtplicht beoogt Bowido nu juist te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten.
5.14. Bij deze stand van zaken is bewijslevering niet aan de orde. Dat is omdat de stellingen van [gedaagde] onvoldoende concreet zijn en ook omdat als een gebrek alsnog door [gedaagde] bewezen zou kunnen worden, de schending van de klachtplicht aan toewijzing van de vordering in de weg blijft staan. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het aanbod van [gedaagde] in haar conclusie van dupliek om door middel van een deskundige te bewijzen dat de kozijnen van Bowido gebrekkig waren.
5.15. De conclusie is dat [gedaagde] geen recht heeft op terugbetaling van hetgeen zij op deze oude facturen heeft betaald en dat zij het bedrag van die facturen daarom ook niet kan verrekenen met de schuld aan Bowido.
Tegenvordering II: geen schadevergoeding wegens gebreken
5.16. [gedaagde] stelt dat zij als gevolg van tekortkomingen door Bowido in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de opvolgende aannemingsovereenkomsten schade heeft geleden. Die schade begroot [gedaagde] op een bedrag van € 50.934,25. Het gaat om uren die [gedaagde] heeft moeten (laten) besteden aan het oplossen van de problemen bij de projecten in de tabel onder 5.7, misgelopen orders (Project [projectnaam 9] ), in betaling gegeven duikspullen (Project [projectnaam 20] ), een schikking in geld (Project [projectnaam 21] ) en afgeboekte vorderingen, omdat klanten ontevreden waren (Projecten [projectnaam 10] , [projectnaam 22] , [projectnaam 23] en [projectnaam 24] ).
5.17. Bowido heeft naar aanleiding van de conclusie van antwoord enkele schadeposten van [gedaagde] , al dan niet uit coulance, erkend. Het gaat om schade die [gedaagde] heeft geleden bij het uitvoeren van de projecten [projectnaam 7] , [projectnaam 12] , [projectnaam 20] en [projectnaam 23] . Bowido heeft voor de onder 5.9 alsnog gecrediteerde facturen en deze schadeposten samen haar eis met een bedrag van € 7.633,31 verminderd[4] . Bowido heeft alle overige schadevorderingen gemotiveerd betwist. Bowido heeft ook aangevoerd dat [gedaagde] te laat heeft geklaagd en dat Bowido in haar algemene voorwaarden haar aansprakelijkheid heeft beperkt.
5.18. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] tegenover de betwisting door Bowido onvoldoende heeft gesteld om het oordeel te dragen dat Bowido in de nakoming is tekortgekomen, dat [gedaagde] schade heeft geleden en dat er causaal verband bestaat tussen de gestelde tekortkomingen en de gestelde schade. Dat geldt voor alle schadevorderingen die [gedaagde] in verrekening wil brengen. Bovendien heeft [gedaagde] over deze gestelde tekortkomingen te laat geklaagd. Voor deze vorderingen geldt hetzelfde als wat hiervoor onder 5.11 tot en met 5.15 is overwogen.
5.19. Daar komt bij dat Bowido in artikel 8 van haar algemene voorwaarden haar aansprakelijkheid heeft beperkt tot schade die het gevolg is van "opzet of grove schuld". Anders dan [gedaagde] heeft gesteld, is niet reeds sprake van "opzet of grove schuld" doordat "problemen met producten van Bowido vaak voorkwamen". Weliswaar lijkt het scheuren van raamvleugels naast de lasnaden in 2022 en 2023 regelmatig te zijn voorgekomen, maar of dat kwam door verkeerde productie (zoals [gedaagde] stelt) of door verkeerde montage (zoals Bowido stelt) maakt voor de beoordeling verschil. Het is aan [gedaagde] om haar stellingen terzake tegenover de betwisting door Bowido nader te onderbouwen en dat heeft zij onvoldoende gedaan. [gedaagde] vordert bovendien ook vergoeding van gevolgschade, zoals schade door gemiste projecten, schikkingen die [gedaagde] heeft getroffen en afgeboekte vorderingen op klanten. Dergelijke schade heeft Bowido in artikel 8 lid 2 van haar algemene voorwaarden van vergoeding uitgesloten.
5.20. [gedaagde] heeft gevorderd dat artikel 8 van de algemene voorwaarden van Bowido wordt vernietigd, zodat Bowido die voorwaarden niet aan haar kan tegenwerpen. Zij heeft haar beroep op artikel 6:233 aanhef en onder a BW gegrond op drie omstandigheden: (i) [gedaagde] drijft een eenmanszaak en Bowido is een grote onderneming georganiseerd in een rechtspersoon; (ii) over de algemene voorwaarden is niet onderhandeld en zij zijn eenzijdig; (iii) [gedaagde] was van Bowido afhankelijk, omdat Bowido haar enige leverancier was. Bowido heeft tegen het beroep van [gedaagde] op een vernietigingsgrond aangevoerd dat Bowido haar prijzen substantieel moet verhogen, indien het haar niet wordt toegestaan om haar aansprakelijkheid te beperken en ook dat [gedaagde] serieuze opdrachten aanneemt, hetgeen blijkt uit de vordering van Bowido die zij onbetaald heeft gelaten.
5.21. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden die [gedaagde] aanvoert – afzonderlijk en in samenhang – onvoldoende zijn om artikel 8 van de algemene voorwaarden van Bowido te vernietigen. Een beding als hier aan de orde is, is niet ongebruikelijk. Het heeft in het algemeen een neerwaarts effect op de prijs en aangenomen mag worden dat [gedaagde] daarvan ook heeft geprofiteerd. Over algemene voorwaarden pleegt niet te worden onderhandeld. Dat dat ook niet is gebeurd in dit geval, is geen grond voor vernietiging. Dat de voorwaarden mogelijk eenzijdig zijn ( [gedaagde] heeft dit niet concreet gemaakt) is ook geen grond voor vernietiging. [gedaagde] is mogelijk kleiner dan Bowido ( [gedaagde] heeft ook die stelling niet concreet gemaakt), maar Bowido heeft terecht gewezen op de omvang van haar vordering in dit verband; voor Bowido was [gedaagde] geen kleine klant. Dat [gedaagde] aanvankelijk niet bij andere leveranciers kocht, berust op haar eigen keuze. Toen Bowido geen nieuwe orders meer aannam, omdat haar vordering op [gedaagde] te hoog opliep, is [gedaagde] volgens haar eigen stellingen uitgeweken naar een andere leverancier. Dat wijst niet op afhankelijkheid van Bowido.
5.22. [gedaagde] heeft aan haar subsidiaire beroep op artikel 6:248 lid 2 BW geen andere omstandigheden ten grondslag gelegd dan de omstandigheden die onder 5.21 zijn beoordeeld. Dat beroep slaagt niet, omdat het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Bowido haar aansprakelijkheid op deze wijze heeft beperkt.
5.23. De slotsom is dat [gedaagde] ook geen vordering tot vergoeding van schade in verrekening kan brengen.
Tegenvordering III: geen schadevergoeding wegens het niet-nakomen van de betalingsafspraken
5.24. [gedaagde] heeft gesteld dat Bowido de betalingsafspraken in de email van 28 mei 2024 niet is nagekomen, doordat Bowido met ingang van 20 augustus 2024 geen orders van [gedaagde] meer wilde aannemen. Daardoor moest [gedaagde] uitwijken naar een andere leverancier die duurder was dan Bowido. [gedaagde] stelt dat wat zij meer heeft moeten betalen dan zij bij Bowido zou hebben betaald als schadevergoeding mag verrekenen met de vordering van Bowido. Het gaat om een bedrag van € 18.835,46.
5.25. Bowido heeft betwist dat zij in de nakoming van de afspraken van 28 mei 2024 is tekortgekomen. In een email van 20 augustus 2024 (Productie 34 van Bowido) heeft [gedaagde] uitdrukkelijk aan Bowido geschreven dat zij geen aanbetalingen kon verrichten. Dat [gedaagde] op nieuwe orders zou aanbetalen was wel overeengekomen. [gedaagde] stelde in die email voor om een eerder betaalde aflossing van € 15.000,00 met terugwerkende kracht aan te merken als aanbetaling op nieuwe orders, maar Bowido ging daarmee niet akkoord. Daarom heeft Bowido op goede gronden geweigerd om de orders te accepteren, aldus Bowido.
5.26. De betalingsafspraken van 28 mei 2024 zijn een overeenkomst. De rechtbank moet die overeenkomst uitleggen. Het komt daarbij niet alleen aan op wat er staat, maar ook op wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.27. De tekst van de overeenkomst is duidelijk; zonder aanbetaling geen nieuwe orders. De overeenkomst kwam tot stand tegen de achtergrond van de schuld van [gedaagde] aan Bowido van meer dan € 130.000,00. Die schuld moest "naar beneden" gebracht. Daarover waren partijen het eens. Bowido heeft onbetwist gesteld dat op 13 mei 2024 is afgesproken dat [gedaagde] zou proberen om voor de bouwvakvakantie (week 30) € 30.000,00 af te lossen en ook dat zij de overwaarde op haar huis zou aanwenden voor een extra aflossing. De overeenkomst van 28 mei 2024 bevat niets dat erop wijst dat die afspraken van 13 mei 2024 waren losgelaten. Op 20 augustus 2024 had [gedaagde] slechts € 15.000,00 afgelost en had zij geen extra aflossing gedaan uit de overwaarde. [gedaagde] schreef op 20 augustus 2024 bovendien dat zij geen geld had voor aanbetalingen. Zij mocht bij die stand van zaken niet verwachten dat Bowido de aflossing van € 15.000,00 als aanbetaling op nieuwe orders zou accepteren. Uit die nieuwe orders vloeiden voor [gedaagde] ook bovenop de aanbetaling weer nieuwe betalingsverplichtingen voort en op grond van de eigen mededelingen van [gedaagde] kon Bowido voorzien dat [persoon A] aan die verplichtingen niet tijdig kon voldoen. Het desondanks aanvaarden van nieuwe orders stond haaks op het doel van de overeenkomst van 28 mei 2024 en daartoe was Bowido niet gehouden. Bowido is niet tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst van 28 mei 2024 en zij is daarom ook niet schadeplichtig. Dat betekent dat [gedaagde] ook geen schadevordering heeft die zij in verrekening kan brengen.
5.28. De slotsom is dat [gedaagde] geen tegenvorderingen heeft die zij met de vordering van Bowido kan verrekenen.
[gedaagde] moet contractuele rente betalen
5.29. Bowido heeft de contractuele rente gevorderd van 1% per maand over het bedrag van elke onbetaald gebleven factuur. [gedaagde] heeft het gevorderde rentebedrag tot en met 13 februari 2024 betwist bij gebrek aan informatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Bowido toegelicht dat zij de rente van 1% per maand over elke factuur heeft berekend met ingang van de dag volgend op het verstrijken van de betaaltermijn van dertig dagen na de factuurdatum. Bowido heeft gesteld dat de rente tot en met 13 februari 2024 op deze manier berekend na vermindering van de eis € 10.455,84 bedraagt. [gedaagde] heeft dat na de toelichting van Bowido ter zitting niet betwist en de vordering is daarom toewijsbaar.
De buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd
5.30. Bowido heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om op de voet van artikel 4.2 van de algemene voorwaarden buitengerechtelijke incassokosten te betalen van 15% van de factuurbedragen. Zij heeft die kosten na vermindering van de eis begroot op € 17.392,09.
5.31. Buitengerechtelijke incassokosten komen als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Artikel 242 Rv bepaalt dat de rechter contractuele buitengerechtelijke proceskosten kan matigen, maar niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. De rechter moet de toepassing van de matigingsbevoegdheid motiveren. Aan de motivering worden geen strenge eisen gesteld.
5.32. De rechtbank zal de buitengerechtelijke incassokosten matigen tot een bedrag van € 1.934,47. Dat bedrag is berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Bowido heeft gesteld dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht om de vordering buiten rechte geïnd te krijgen, maar zij heeft op geen enkele manier concreet gemaakt dat een vergoeding van € 17.392,09 redelijk is en in redelijkheid is gemaakt.
Het toegewezen bedrag
5.33. Hetgeen hiervoor is geoordeeld leidt ertoe dat de vordering van Bowido wordt toegewezen tot een bedrag van € 128.337,60. Dat bedrag is de optelsom van de hoofdsom van € 115.947,29, de contractuele rente van € 10.455,84 tot en met 13 februari 2025 en € 1.934,47 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen in conventie en in reconventie
5.34. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie en in reconventie (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bowido worden begroot op:
5.35. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.36. De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Bowido dat vordert en [gedaagde] daartegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
In reconventie:
5.37. Uit de beoordeling van de vordering in conventie vloeit voort dat de vordering van [gedaagde] in reconventie wordt afgewezen.
6 De beslissing
De rechtbank
In conventie:
6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Bowido te betalen € 128.337,60, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand over een bedrag van € 115.947,29 vanaf 13 februari 2025 tot de dag van algehele betaling,
6.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 13.075,09 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3. veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.4. verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5. wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie:
6.6. wijst de vorderingen van [gedaagde] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.[3669/106]
[gedaagde] noemt in haar productie 3 een bedrag van € 895,74, maar dat bedrag berust kennelijk op een vergissing. Bowido vordert ook betaling van de facturen met nummers [factuurnummer 4] en [factuurnummer 5] . Het totaal van de betwiste vorderingen is daarom € 1.407,40.
Twee posten zijn "verhuisd" naar de onbetaald gebleven vorderingen. Zie voetnoot 1. Daarom is het totaalbedrag minder dan € 19.890,46.
In de hoofdsom die is vermeld onder 4.1 is deze vermindering verwerkt.
In de hoofdsom die is vermeld onder 4.1 is deze vermindering verwerkt. - - - ## Voetnoten