Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15322 - Rechtbank Rotterdam - 22 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1532222 december 2025

Uitspraak inhoud

Team familie
Zaaknummer: C/10/711394 / KG ZA 25-1220
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in kort geding van
22 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.T.M. Sengers te Capelle aan den IJssel.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met bijlagen van 12 december 2025; - de vermeerdering van eis van 18 december 2025; - de conclusie van antwoord van 19 december 2025 met bijlagen.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 december 2025.
Daarbij zijn verschenen:
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, aan welke relatie inmiddels een einde is gekomen.
2.2. Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats].
2.3. De man heeft de minderjarige erkend.
2.4. De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.5. De man heeft op 24 oktober 2025 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend over het gezag, de omgangsregeling, de feestdagen - en vakantieregeling en de informatieregeling, subsidiair de raad te gelasten om onderzoek dan wel om een bijzondere curator te benoemen. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/709032 / FA RK 25-8157.

3 Het geschil

3.1. De man vordert (na vermeerdering van eis), uitvoerbaar bij voorraad:
primair: - te bepalen dat de minderjarige van 22 december 2025 tot en met 25 december 2025 bij hem zal verblijven; - te bepalen dat hij gerechtigd is in die periode met de minderjarige naar Center Parcs en op
familiebezoek te gaan, met dagelijks verblijf ter plaatse; - te bepalen dat de overdracht van de minderjarige op 22 december 2025 voor schooltijd plaatsvindt bij de woning van de man en op 25 december 2025 om 20:30 uur bij de woning van de man; - te bepalen dat de vrouw gehouden is om voor aanvang van de vakantieregeling de noodzakelijke kleding, toiletartikelen en overige gebruikelijke spullen voor de minderjarige ter beschikking te stellen, en relevante medische informatie en contactgegevens te verstrekken; - te bepalen dat, totdat een nadere regeling in een bodemprocedure tot stand is gekomen, de volgende voorlopige omgangsregeling geldt:
2 mei 2026 om 10:00 uur;
subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen die de voorzieningenrechter in het belang van de minderjarige passend vindt.
Tevens verzoekt de man een informatieregeling vast te stellen van ieder kwartaal, de benoeming van een bijzondere curator en voor het overige partijen te verwijzen naar een bodemprocedure over de definitieve omgangsregeling en/of de uitoefening van het gezamenlijk gezag.
3.2. De vrouw voert verweer en bepleit afwijzing van de vorderingen van de man.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Spoedeisend belang
4.1.1. De man stelt dat hij een spoedeisend belang heeft. De vrouw betwist dit.
4.1.2. Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter bevoegd in alle
spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, deze voorziening te geven. Dit heet een ordemaatregel. In een kortgedingprocedure is vereist dat er voldoende spoedeisend belang bestaat, in die zin dat de eisende partij belang heeft bij een voorziening en niet kan worden gevergd dat hij de bodemprocedure afwacht.
4.1.3. Een kortgedingprocedure leent zich in beginsel niet voor de vaststelling van een omgangsregeling, omdat dit een constitutief vonnis zou opleveren. In beginsel kan alleen de nakoming van een (door de ouders of de rechtbank) vastgestelde omgangsregeling worden gevorderd. Dit kan anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld als er geen enkele vorm van omgang is. In dat geval kan nakoming van het recht op omgang worden gevorderd, omdat het recht op omgang tussen een ouder en een kind, ook zonder een regeling, rechtstreeks uit de wet voortvloeit. De voorzieningenrechter kan alsdan een voorziening treffen voor een korte periode, in afwachting van een door de rechter in een bodemprocedure vast te stellen omgangsregeling of een door partijen nader overeen te komen omgangsregeling. In alle gevallen dient sprake te zijn van een spoedeisend belang.
4.1.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Daarom zal hij niet-ontvankelijk worden verklaard. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom.
Zorgregeling en vakantieregeling
4.1.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat geen sprake is van een door partijen overeengekomen omgangsregeling of van een door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling waar de man nakoming van kan vorderen. Van bijzondere omstandigheden, zoals dat er geen enkele vorm van contact tussen de man en de minderjarige is, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De man heeft namelijk sinds december 2024 maximaal twee dagen per week contact met de minderjarige op werkdagen van de vrouw, waarbij hij de minderjarige naar school brengt, hem daar weer ophaalt en de vrouw de minderjarige om 17:30 uur weer ophaalt bij de man. Het is de voorzieningenrechter duidelijk geworden dat de vordering van de man verband houdt met zijn wens voor langer contact met de minderjarige en dat de minderjarige ook bij hem overnacht. De voorzieningenrechter vindt die wens onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Daar komt bij dat de minderjarige niet eerder bij de man heeft overnacht, zodat op dit moment een omgangsregeling vaststellen met meerdere overnachtingen per direct, te verstrekkend is voor de minderjarige.
4.1.6. Van de man kan worden gevergd dat hij de bodemprocedure afwacht. Dat geldt ook voor de subsidiaire vordering.
Informatieregeling
4.1.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot vaststelling van een informatieregeling, omdat de vrouw de man al over de minderjarige informeert. Dit is door de man niet weersproken. Wel is van belang dat de vrouw de man zo volledig mogelijk informeert over de minderjarige, omdat gebleken is dat de man onvoldoende bekend was met het zorgelijke gedrag van de minderjarige. Op grond van artikel 1:377b BW is de vrouw, als de ouder die met het gezag is belast, namelijk gehouden om de man, die niet het gezag heeft, op de hoogte te stellen over belangrijke zaken over de minderjarige.
Benoeming bijzondere curator
4.1.8. Anders dan in een kortgedingprocedure, is in een bodemprocedure ruimte voor een nader onderzoek, bijvoorbeeld van een bijzondere curator die voor de minderjarige is benoemd. In kort geding kan alleen een ordemaatregel worden getroffen die geldt totdat in de bodemprocedure wordt beslist. Het benoemen van een bijzondere curator valt niet onder een ordemaatregel.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er onvoldoende belang is. De oplossing voor de spanningen die de minderjarige mogelijk ervaart, zit tussen de ouders, de minderjarige moet niet belast worden. In dat verband adviseert de raad partijen om vrijwillig een ouderbemiddelingstraject te volgen, via het wijkteam of de huisarts. Daar moet dan wel bij beide ouders draagvlak voor zijn.
Verwijzing partijen naar een bodemprocedure
4.1.9. De man is niet-ontvankelijk in deze vordering, omdat al de hierboven genoemde bodemprocedure is, met zaaknummer 709032.
4.2. Proceskosten
4.2.1. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1. wijst de vorderingen van de man af;
5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
1486/3491