Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15321 - Rechtbank Rotterdam - 22 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1532122 december 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/889

[eiser], uit Barendrecht, eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Inleiding

  1. Het gaat in deze zaak om en door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom om binnen drie maanden de kamerverhuur zonder vergunning, aan vijf personen die niet tot één huishouden behoren, in het pand aan de [adres 1] (het pand), te beëindigen en beëindigd te houden.
1.1. Met het besluit van 22 februari 2024 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd (het primaire besluit). Eiser is het niet eens met dat besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit), waarin het college bij het primaire besluit is gebleven. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
1.4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het college mocht bij de aan eiser opgelegde last onder dwangsom blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en wettelijk kader
  1. Naar aanleiding van een vijfde inschrijving in de Basisregistratie Personen vonden op 6 en 14 december 2023, door handhavers van het college, controles plaats op bewoning in het pand. Uit het rapport van bevindingen van 19 december 2023 volgt dat is gebleken dat het pand werd bewoond door vijf personen die geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding vormden. De kamers in het pand werden los verhuurd, zonder vergunning voor kamerbewoning.
2.1. Zonder vergunning is het verboden om woonruimte in gebruik te geven aan meer dan twee personen die niet samen een huishouden vormen. Dat staat in artikel 3.2.2 van de (inmiddels vervallen) Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021 (de Verordening) in samenhang met artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de Huisvestingswet 2014 (Hw).
2.2. Met de brief van 27 december 2023 is aan eiser het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Met het primaire besluit heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd (op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 5:31d tot en met 5:38 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De last onder dwangsom houdt in dat eiser binnen drie maanden de illegale situatie in het pand moet beëindigen en beëindigd moet houden. Als hieraan niet wordt voldaan, moet een dwangsom van € 13.920,00 worden betaald. Het bedrag van de dwangsom is gelijk aan de geschatte huuropbrengst van zes maanden kamerverhuur. De begunstigingstermijn – dat is de periode die een overtreder nog de mogelijkheid heeft om de situatie te herstellen zonder dat de dwangsom wordt verbeurd – is voor het laatst met de brief van 28 januari 2025 verlengd tot zeven weken na de uitspraak in beroep.
Het bestreden besluit
  1. Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (het advies), aan het bestreden besluit – samengevat – ten grondslag gelegd dat eiser de door de handhavers geconstateerde overtreding heeft begaan en dat de last onder dwangsom daarom terecht en op juiste gronden is opgelegd. Volgens het college is in dit geval namelijk geen sprake van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. De woonruimte is zonder benodigde vergunning in gebruik gegeven aan vijf personen die niet samen één huishouden vormen. Het college vindt dat niet is gebleken dat het opleggen van de last, de hoogte van de last en de begunstigingstermijn onevenredig zijn. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was volgens het college nog steeds sprake van een overtreding.
Het standpunt van eiser in beroep
  1. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat het college ten onrechte bij de aan hem opgelegde last onder dwangsom is gebleven. Allereerst voert eiser aan dat het college miskent dat het pand bestaat uit twee zelfstandige woningen, namelijk [adres 1] en [adres 2]. Volgens eiser heeft het college onzorgvuldig gehandeld door na te laten dit te onderzoeken. Daarnaast voert eiser aan dat op zijn ingediende verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) niet volledig is gereageerd. Tot slot voert eiser aan dat het college heeft gehandeld in strijd met de Awb omdat het college het primaire besluit heeft genomen voordat de termijn voor het indienen van een zienswijze was verstreken.
Omvang van het beroep
  1. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de gronden van beroep in grote lijnen gelijk zijn aan de gronden van bezwaar (al dan niet naar voren gebracht tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase). Anders dan door eiser in beroep is betoogd, is het college in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de in bezwaar aangevoerde gronden. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele herhaling van wat hij in de gronden van bezwaar en tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft aangevoerd, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
5.1. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eisers stelling, dat op zijn ingediende verzoek op grond van de Woo niet volledig is gereageerd, buiten de omvang van het geding valt. Eiser is in bezwaar al gewezen op het feit dat voor dit verzoek een aparte procedure geldt. Tijdens de zitting is dit opnieuw met eiser besproken.
Het pand
  1. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat het pand uit twee zelfstandige woningen bestaat en legt hierna uit waarom zij dat vindt.
6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand, ten tijde van de huisbezoeken door de handhavers, werd bewoond door vijf personen.
6.2. Het college heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies, inzichtelijk gemotiveerd hoe het college tot de conclusie is gekomen dat niet is gebleken dat het pand uit twee zelfstandige woningen bestaat. Uit het rapport van bevindingen volgt dat het pand bestaat uit diverse verdiepingen met in totaal vijf kamers. Op de begane grond bevindt zich de toegang tot de woning en een hal met een trap naar de eerste verdieping. Op de eerste verdieping bevinden zich twee kamers en een trap. Op de tweede verdieping bevinden zich ook twee kamers en een trap. Op de derde verdieping bevindt zich de vijfde en laatste kamer. Gebleken is dat alle bewoners dezelfde voordeur gebruiken om toegang te krijgen tot het pand. Daarnaast hebben alle bewoners feitelijk toegang tot alle verdiepingen van de woning. Het college heeft er verder op gewezen dat uit het dossier blijkt dat het pand niet is of was gesplitst. Ook heeft het college gewezen op de huurovereenkomsten die eiser met de bewoners afsloot, waarop het adres [adres 1] staat vermeld. Dat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen mogelijk meerdere huisnummers geregistreerd staan en eiser daardoor meerdere heffingsaanslagen krijgt, doet niet af aan de feitelijke situatie. Gelet op al het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat sprake is van één woning. Door het pand zonder vergunning te verhuren aan vijf personen die niet tot één huishouden behoren, heeft eiser artikel 3.2.2 van de Verordening in samenhang met artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de Hw overtreden. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.
6.3. De rechtbank vindt niet dat is gebleken dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser heeft dit onvoldoende onderbouwd. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Zienswijze
  1. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat het college het primaire besluit heeft genomen voordat de termijn voor het indienen van een zienswijze was verstreken en dat het college daarom in strijd met de Awb heeft gehandeld. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dat vindt.
7.1. Zoals op zitting met eiser is besproken, is met de brief van 27 december 2023 het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na dagtekening van de brief – dus uiterlijk 10 januari 2024 – een zienswijze in te dienen. Het primaire besluit is op 22 februari 2024 genomen. Dit is ruim na het verstrijken van voornoemde termijn. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser de termijn voor het indienen van een zienswijze heeft verward met de voorgenomen begunstigingstermijn van drie maanden, maar dat komt in dit geval, mede gelet op de duidelijke bewoordingen in de brief van 27 december 2023, voor eisers eigen rekening en risico.

Conclusie en gevolgen

  1. Het voorgaande betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8.1. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.