Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15319 - Rechtbank Rotterdam - 22 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15319•22 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2951
[eiser] , uit Dordrecht, eiser
(gemachtigde: mr. D. Gaasbeek),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, het college
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
- Het gaat in deze zaak om een besluit van het college tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vanwege overtreding van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV Dordrecht).
1.1. Op 5 november 2024 heeft eiser, zonder vergunning, een tent geplaatst op het trottoir nabij de ingang van het Stadskantoor in Dordrecht. Volgens eiser hield hij op dat moment een eenmensprotest door middel van een vreedzaam demonstratief kampement. Later op die dag is eiser aangehouden en meegenomen door de politie, waardoor eisers tent en spullen onbeheerd zijn achtergebleven. Door toepassing van spoedeisende bestuursdwang zijn eisers tent en spullen vervolgens verwijderd en opgeslagen.
1.2. Op 17 december 2024 heeft het college het besluit tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang op schrift gesteld (het bestuursdwangbesluit). Eiser is het niet eens met het bestuursdwangbesluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 19 februari 2025 (het bestreden besluit), waarin het college bij het bestuursdwangbesluit is gebleven. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
1.5. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het college mocht bij het bestuursdwangbesluit blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het toetsingskader?
- Artikel 2:10 A van de APV Dordrecht verbiedt – kort gezegd – onder meer het zonder vergunning plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats als daardoor schade, gevaar of belemmering ontstaat voor het doelmatig en veilig gebruik van die openbare plaats.
2.1. Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Die bevoegdheid wordt uitgeoefend door het college als de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert (zie het tweede lid van hetzelfde artikel).
2.2. De last onder bestuursdwang houdt in een last tot herstel van de overtreding, gekoppeld aan de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, als niet tijdig wordt voldaan aan de last (zie artikel 5:21 van de Awb).
2.3. In spoedeisende gevallen hoeft een bestuursorgaan geen begunstigingstermijn – dat is de periode waarin een overtreder nog de mogelijkheid heeft om de situatie te herstellen – te geven (zie artikel 5:31, eerste lid, van de Awb). Een bestuursorgaan moet in beginsel echter wel een schriftelijke beslissing nemen, waarin staat waarom het spoedeisend is en welke herstelmaatregelen nodig zijn. In gevallen van 'superspoedeisendheid', waarbij zelfs een besluit niet afgewacht kan worden, kan direct bestuursdwang worden toegepast (zie het tweede lid van hetzelfde artikel). In zulke gevallen moet er zo snel mogelijk daarna alsnog een bestuursdwangbesluit worden genomen en bekendgemaakt.
Wat zijn de standpunten van eiser in beroep?
- Eiser vindt – samengevat – dat het college onterecht bij het bestuursdwangbesluit is gebleven. Eiser stelt dat sprake was van een eenmensprotest door middel van een vreedzaam demonstratief kampement. Volgens hem zijn zowel zijn aanhouding als de ontruiming van zijn tent en spullen onrechtmatig geweest en is sprake van een onrechtmatige beperking van zijn recht op vrijheid van meningsuiting (als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en zijn recht op vrijheid van vergadering en vereniging (als bedoeld in artikel 11 van het EVRM). Eiser stelt dat de ontruiming geen legitiem doel diende en niet noodzakelijk was in een democratische samenleving.
Mocht het college bij het bestuursdwangbesluit blijven?
- De rechtbank is van oordeel dat het college bij het bestuursdwangbesluit mocht blijven en legt hierna uit waarom zij dat vindt.
4.1. Voor het plaatsen van de tent is geen vergunning of ontheffing aan eiser verleend. Eiser heeft daarom gehandeld in strijd met artikel 2:10 A van de APV Dordrecht. Om deze overtreding te beëindigen mag het college in beginsel gebruik maken van de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang De vraag is echter of in dit geval sprake was van een eenmensprotest en het college, door toepassing van spoedeisende bestuursdwang, eisers fundamentele rechten rechtmatig heeft beperkt. Het college mag deze namelijk alleen beperken als die beperking (a) bij wet is voorzien, (b) een legitiem doel dient en (c) noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dit volgt uit artikel 10, tweede lid, en artikel 11, tweede lid, van het EVRM.
Was sprake van een eenmensprotest?
4.2. Eiser heeft op 5 november 2024 zijn tent en spullen op het trottoir nabij de ingang van het Stadskantoor in Dordrecht geplaatst. Uit het dossier blijkt dat hij op diezelfde dag (om 11.21 uur) bij het college melding heeft gemaakt van een demonstratie die hij later die dag (om 15.00 uur) wilde organiseren. Weliswaar heeft eiser in die melding niet aangegeven dat hij gebruik zou maken van een tent, maar uit het dossier en wat de gemachtigden van het college tijdens de zitting hebben toegelicht blijkt dat eiser, zijn problemen en de melding van 5 november 2024 bekend waren bij het college en dat eiser eerder een vergelijkbaar eenmensprotest heeft georganiseerd, waarvan het college ook op de hoogte was. De rechtbank vindt daarom dat in dit specifieke geval, naar de uiterlijke verschijningsvorm, kan worden gesproken van een eenmensprotest. Weliswaar is eiser op enig moment aangehouden en meegenomen door de politie, maar het protest van eiser is daarmee niet geëindigd. De achtergebleven tent en spullen kunnen in dit specifieke geval namelijk nog worden gezien als een (symbolische) vorm van meningsuiting of, anders gezegd, het kenbaar maken van een standpunt.
Heeft het college, door toepassing van spoedeisende bestuursdwang, eisers fundamentele rechten rechtmatig beperkt?
4.3. De rechtbank merkt eerst op dat, al zou eisers aanhouding door de politie op zichzelf kunnen worden aangemerkt als een beperking van eisers fundamentele rechten, dit losstaat van de beoordeling in deze zaak, omdat in dit specifieke geval niet is gebleken dat het college voor die beperking verantwoordelijk is.
4.4. Uit het dossier blijkt dat toezichthouders van het college omstreeks 15.10 uur de onbeheerd achtergebleven tent van eiser hebben aangetroffen. Rondom de tent bevonden zich meerdere losse spullen, zoals een tafeltje met een beker, een tasje met sokken, een bidon en een koekje. In de tent lagen meerdere blikjes, flesjes water, dekens, een bedje van lakens en kussens, en tassen. Door toepassing van spoedeisende bestuursdwang zijn de tent en spullen vervolgens verwijderd en opgeslagen.
4.5. Gelet op artikel 2:10 A van de APV Dordrecht staat niet ter discussie dat het handelen van het college op zichzelf in overeenstemming is met de wet en dat dus aan vereiste (a) is voldaan. Wel staat ter discussie of het handelen van het college een legitiem doel diende en noodzakelijk was in een democratische samenleving en dus of is voldaan aan de vereisten (b) en (c).
4.6. De rechtbank vindt dat de toepassing van spoedeisende bestuursdwang in dit geval een legitiem doel diende en dus aan vereiste (b) is voldaan. Eisers onbeheerd achtergebleven tent en spullen bevonden zich nabij de ingang van het Stadskantoor in Dordrecht. Volgens het college is dit een drukke locatie. Eiser heeft dat op zich niet betwist en de rechtbank twijfelt daar ook niet aan. Door de omvang en aard van eisers tent en spullen werd de doorgang op het trottoir belemmerd. Daarnaast veroorzaakten de tent en de spullen rondom de tent val - en struikelgevaar, zeker voor mensen met een visuele beperking of beperkte mobiliteit. Het is namelijk in zijn algemeenheid niet gebruikelijk dat een tent en losse spullen (als genoemd in overweging 4.4) zich voor de ingang van een dergelijke locatie bevinden, zodat gebruikers van het trottoir daarop niet bedacht hoefden te zijn. Aangezien eiser was aangehouden en meegenomen door de politie, duurde deze gevaarlijke situatie onbeheerd voort. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang was erop gericht om het geconstateerde gevaar en de belemmering voor andere gebruikers van de openbare ruimte, zoals voetgangers en hulpdiensten, weg te nemen. Het belang van de openbare veiligheid is daarmee gediend en wordt in artikel 10, tweede lid, en artikel 11, tweede lid, van het EVRM genoemd als een van de legitieme doelen die een beperking van fundamentele rechten kan rechtvaardigen. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.7. De rechtbank vindt dat de toepassing van spoedeisende bestuursdwang in dit geval ook noodzakelijk was in een democratische samenleving en dus dat eveneens aan vereiste (c) is voldaan. Eisers tent en spullen bevonden zich, als gezegd, op een drukke locatie en zijn onbeheerd achtergebleven, nadat eiser door de politie was meegenomen. Eiser was onbereikbaar en onduidelijk was hoelang eiser zou wegblijven. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser uiteindelijk tot lang na 5 november 2024, namelijk tot 27 december 2024 in detentie heeft gezeten. Mede gelet op wat in overweging 4.6 is overwogen, was in dit geval dus sprake van een voortdurende gevaarlijke situatie voor andere gebruikers van de openbare ruimte. Deze feiten en omstandigheden maakten het noodzakelijk om direct in te grijpen en toepassing van spoedeisende bestuursdwang was daarvoor een geschikt instrument. De bestuursdwang is uiterst beperkt gebleven. Eisers tent en spullen zijn namelijk slechts verwijderd en opgeslagen. Ze zijn niet vernietigd en konden door eiser worden teruggevraagd. Overigens heeft eiser zijn tent en spullen kosteloos teruggekregen, terwijl in het bestuursdwangbesluit was aangegeven dat dit kosten met zich zou meebrengen. Aan het vereiste van proportionaliteit is daarom voldaan. Ook aan het vereiste van subsidiariteit is voldaan. Alternatieven, bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing, zouden niet effectief zijn geweest, omdat eiser was meegenomen door de politie en onbereikbaar was. Bovendien vroeg de situatie om directe beëindiging van de overtreding. Toezichthouders hebben nog onderzocht of achteraf een vergunning of ontheffing kon worden verleend voor het plaatsen van de tent, voordat tot verwijdering werd overgegaan. Uit dat onderzoek is gebleken dat legalisatie niet mogelijk was. De toepassing van bestuursdwang is als laatste redmiddel ingezet, nadat duidelijk was geworden dat er geen andere manier bestond om de overtreding te beëindigen. De in dit verband aangevoerde beroepsgrond slaagt daarom ook niet.
Conclusie en gevolgen
- Het voorgaande betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
5.1. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van der Wal, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.