Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15278 - Rechtbank Rotterdam - 30 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15278•30 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/8820
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam.
(gemachtigde: mr. S. van der Vlegel)
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 november 2023.
1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd.
1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld.
Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Eiser is zonder bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de notificatie van de uitnodiging voor de zitting op 4 november 2025 om 10:23 uur is verstuurd naar het e-mailadres van eiser. Eiser is dus tijdig uitgenodigd voor de zitting en de rechtbank heeft de zaak daarom behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
- De heffingsambtenaar heeft van eiser een niet-gedagtekend verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag ontvangen. De heffingsambtenaar heeft dit aangemerkt als bezwaarschrift en een uitspraak op bezwaar gedaan. In deze uitspraak is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Eiser bepleit verder een (ambtshalve) vermindering tot nihil van de aanslag afvalstoffenheffing vanwege het onvoldoende inzamelen van huishoudelijk afval bij het studentencomplex 'De Kerk' aan de Goudse Rijweg te Rotterdam.
- Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt volgens artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift met de post wordt verstuurd, is het bezwaarschrift ook tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de heffingsambtenaar is ontvangen.
Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
5.1. Vast staat dat de aanslag in de afvalstoffenheffing is gedagtekend op 26 februari 2021. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was daarom 12 april 2021. Op 6 september 2023 heeft de heffingsambtenaar het niet-gedagtekende verzoek ontvangen dat als bezwaarschrift is aangemerkt. Het bezwaarschrift is derhalve ver na de periode van zes weken na dagtekening ingediend. Gelet hierop is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Had de heffingsambtenaar eiser in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de verschoonbaarheid?
- De door de heffingsambtenaar in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee dat hij niet het bezwaar niet-ontvankelijk mag verklaren voordat hij eiser in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dit is niet gebeurd. Eiser heeft echter in beroep niet aannemelijk gemaakt waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, leidt dit er daarom niet toe dat het beroep gegrond zou moeten worden verklaard.
[1] Had de heffingsambtenaar ambtshalve een vermindering moeten verlenen?
- In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd dat er geen termen aanwezig zijn om ambtshalve een vermindering te verlenen. De Verordening Afvalstoffenheffing 2021 kent geen vrijstelling of een lager tarief als het afval niet wordt opgehaald of als sprake is van overlast. Daarmee heeft de heffingsambtenaar voldaan aan artikel 2 juncto artikel 5 van de toepasselijke Beleidsregels.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.M. Helleman, griffier. Uitgesproken op 30 december 2025.
de griffier is verhinderd
*de uitspraak te ondertekenen*
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595. - - - ## Voetnoten