Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15270 - Rechtbank Rotterdam - 13 januari 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:1527013 januari 2025

Uitspraak inhoud

Team straf 3
Parketnummer: 10/281451-24
Datum uitspraak: 13 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de
[detentieadres],
raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 december 2024 en 13 januari 2025.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D.D.B. Reuter heeft gevorderd:

4 Waardering van het bewijs

4.1. Bewijswaardering
4.1.1. Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft de verdediging betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte onvoorwaardelijk dan wel voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever heeft gehad. Op grond van het dossier kan immers niet worden vastgesteld hoe diep de toegebrachte verwondingen zijn en evenmin blijkt dat er sprake zou zijn van toegebracht potentieel dodelijk letsel. Uit de verklaring van de verdachte en de (beschrijving van) de camerabeelden volgt voorts dat er niet met kracht is gestoken. Bij het steken heeft de verdachte gebruik gemaakt van een klein mesje met een lemmet van 1,5 – 2 cm. Onder die omstandigheden is geen sprake van een situatie waarbij de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangever zou komen te overlijden door zijn gedragingen.
Nu de verdachte de aangever met een klein mesje en zonder al te veel kracht in de onderzijde van de rug heeft geprikt, het slachtoffer al na een dag uit het ziekenhuis is ontslagen en er geen potentieel dodelijk letsel dan wel zwaar lichamelijk letsel is vastgesteld dient de verdachte ook te worden vrijgesproken van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel omdat door dat handelen de kans op het raken van vitale organen minimaal was.
4.1.2. Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever op de late avond van 31 augustus 2024, de zoon van de verdachte [naam], (hierna: [naam]) tegenkwam bij een kebabrestaurant in Berkel en Rodenrijs toen hij daar eten ging halen. Tussen de aangever en [naam] was enkele maanden daarvoor ruzie ontstaan. Uit de verklaring van de aangever blijkt dat [naam] ging bellen toen hij hem had gezien. De verdachte verklaarde dat [naam] hem heeft gebeld met het verzoek om een kettingslot te komen brengen. De verdachte is vervolgens in zijn scootmobiel naar het desbetreffende restaurant gereden. De aangever heeft verklaard dat hij – nadat zijn eten klaar was en hij buiten ter hoogte van café 't Vierkantje stond te praten – werd aangevallen door [naam] die een kettingslot om zijn linkerhand had. Er ontstond een worsteling. Kort daarna voelde het slachtoffer meerdere harde klappen tegen zijn rug. Toen hij zich omdraaide zag hij de verdachte staan met een mes in zijn handen.
Op de beelden die vanuit cafe 't Vierkantje zijn gemaakt, is te zien dat de verdachte op zijn scootmobiel aan komt rijden bij het café. Vrijwel direct daarna wordt de aangever meerdere keren aangevallen door een persoon in een rood shirt. Op basis van de verschillende verklaringen stelt de rechtbank vast dat dit [naam] is. De aangever probeert de aanvallen te ontwijken en deinst achteruit waarbij hij met zijn rug richting de verdachte staat. Tijdens de worsteling die enkele seconden daarna ontstaat tussen de aangever en [naam] loopt de verdachte met hoge snelheid van zijn scootmobiel naar het slachtoffer en maakt direct 5 á 6 stekende bewegingen richting de rug/onderrug van de aangever. De verdachte heeft – uiteindelijk na vele ontkenningen– verklaard dat hij degene is die de aangever heeft gestoken met een mes. De aangever heeft als gevolg hiervan 3 steekverwondingen opgelopen, één aan de rugzijde – ter hoogte van de overgang van de borstholte naar de buikholte – en één in elke flank.
Het mes waarmee aangever heeft gestoken is niet teruggevonden, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld hoe groot het mes is geweest. Wel kan worden vastgesteld dat het mes een t-shirt, een bodywarmer en een trainingsjack heeft doorboord en vervolgens steekwonden heeft veroorzaakt die reikten tot in de onderhuidse vetlaag en spieren. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, te weten dat het mes waarmee hij de aangever heeft gestoken een minuscuul mesje was met een lemmet van 1,5 – 2 cm, ongeloofwaardig.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of de bewegingen die de verdachte met het mes heeft gemaakt en waarbij hij de aangever in de rug heeft geraakt, kunnen worden gekwalificeerd als een poging doodslag dan wel een poging zware mishandeling.
Daarbij is tevens van belang of de verdachte ook het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om de aangever van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk toe te brengen.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig, indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Enkele wetenschap van die kans volstaat niet. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Het moet daarbij gaan om de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De verdachte is met hoge snelheid aan komen lopen en ging daarbij af op twee personen (zijn zoon en de aangever) die zich in een worsteling bevonden waarbij geduwd, getrokken, geslagen en geschopt werd. Hij heeft direct en meermalen, op een ongecontroleerde wijze, met een mes ingestoken op schijnbaar willekeurige plekken van de romp van de aangever. Uit de FARR-verklaring van 5 november 2024 blijkt dat de aangever hierna drie steekverwondingen had, één aan de rugzijde, ter hoogte van de overgang van de borstholte naar de buikholte, en één in elke flank. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in dat gebied vitale delen (zoals de nieren) bevinden waarvan beschadiging tot de dood kan leiden. Ook wanneer een in dit gebied aanwezige slagader wordt geraakt, is de kans op de dood aanmerkelijk. De lengte dan wel diepte van de daadwerkelijk veroorzaakte verwondingen doet daar niet aan af.
Gelet op de wijze waarop de steekwonden zijn toegebracht, namelijk met ongecontroleerde en onverhoedse bewegingen, terwijl de aangever eveneens in beweging was, de plek in het lichaam waar de aangever is geraakt en de hoeveelheid steekbewegingen, kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van de aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard.
4.1.3. Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte met zijn handelen opzettelijk heeft geprobeerd de aangever te doden.
4.2. Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Berkel en Rodenrijs,
gemeente Lansingerland, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te
      brengen
      ,
meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken
in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
poging tot doodslag
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1. Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een vijftienjarige jongen door hem in de late avond op de openbare weg meermaals met een mes in de rug te steken. De verdachte heeft – terwijl zijn zoon het slachtoffer met zijn (door een kettingslot omwikkelde) vuisten belaagde – de aangever van achteren benaderd en minstens zes keer een stekende beweging gemaakt. De aangever heeft hierdoor drie steekwonden in de rug opgelopen, die nare littekens hebben opgeleverd, maar waarbij het tot een ernstigere afloop had kunnen komen. Deze handelingen heeft de verdachte verricht omdat zijn minderjarige zoon, mogelijk naar aanleiding van een onderliggend conflict, de keuze maakte om de aangever aan te vallen en de verdachte hem daarbij blijkbaar wilde ondersteunen. De verklaring van de verdachte dat hij dacht dat juist zijn zoon in gevaar was, is gezien de beschrijving van de camerabeelden niet aannemelijk geworden.
De verdachte heeft zich met zijn handelen schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsfeit. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever, bovendien een minderjarige jongen. Feiten als deze zorgen bovendien voor maatschappelijke onrust. Dat geldt temeer nu de feiten hebben plaatsgevonden in de openbare ruimte en ook meerdere personen daarvan getuige zijn geweest.
7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1. Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
27 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2. Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
11 december 2024. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte is, in Nederland, first offender en er is geen delictpatroon. Er is sprake van enige problemen binnen het gezin maar deze zijn vooral van praktische aard, zoals een kwetsbare financiële positie en lichamelijke problemen van de verdachte. Daarnaast zijn er enige zorgen vanuit de Raad voor de Kinderbescherming over de ontwikkeling van de zoon van de verdachte. Er zijn geen aanwijzingen voor middelenmisbruik of een negatief sociaal netwerk bij de verdachte. Het delictgedrag zou zijn voortgekomen vanuit zorg over zijn zoon, die eerder in gevecht raakte met de aangever. Dit zou de verdachte hebben doen aanzetten tot het delictgedrag. In hoeverre er sprake is van een impulsdoorbraak vanuit vaderlijk handelen of een bewuste keuze om tot agressie over te gaan omdat de verdachte wist van de op handen zijnde ruzie, blijft onduidelijk. Er zijn geen andere, harde, aanwijzingen of zorgen over zijn denkpatronen, agressieregulatie problematiek of een problematische impulsbeheersing. De risico's op recidive, letsel of onttrekken aan voorwaarden worden ingeschat als laag.
Er worden geen criminogene factoren gezien waarvoor interventies of toezicht nodig is. Geadviseerd wordt een straf aan de verdachte op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4. Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken te worden opgelegd. De gevangenisstraf is van langere duur dan geëist door de officier van justitie, aangezien de rechtbank de poging tot doodslag wel bewezen acht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij ter zake van het ten laste gelegde feit heeft zich in het geding gevoegd de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer]: [benadeelde partij]. De benadeelde partij is in de procedure vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat te Rotterdam.
De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.557,22 aan materiële schade en een vergoeding van € 6.500,00 aan immateriële schade.
8.1. Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade voor vergoeding in aanmerking komt voor zover het ziet op de kleding, de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de reis - en parkeerkosten (€ 277,88). De schade uit de overige gevorderde posten is op grond van het dossier niet aannemelijk geworden of staat in een te ver verwijderd verband met het ten laste gelegde feit zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is. De immateriële schade is door de raadsman tot een bedrag van € 1500,00 gemotiveerd en kan tot dat bedrag worden toegewezen.
8.2. Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de ziekenhuisdaggeld vergoeding en de reis - en parkeerkosten. Ten aanzien van de overige posten (kleding, kwijtgeraakte spullen, tattoozalf, cursus zelfverdediging) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze moeten worden afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat de schade daadwerkelijk is geleden dan wel de gevorderde schade in een te ver verwijderd verband staat met het ten laste gelegde feit.
De verdediging heeft de hoogte van het gevorderde bedrag aan immateriële schade betwist en heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde schadebedrag moet worden vastgesteld op een bedrag van maximaal € 1000,00.
8.3. Beoordeling
Materiële schade
Ten aanzien van een deel van de gevorderde schade is vast komen te staan dat dit aan de benadeelde partij is toegebracht door het bewezen verklaarde strafbare feit. Dit betreft de gevorderde schade in verband met de kleding die de benadeelde partij droeg bij het steekincident. Uit het dossier blijkt afdoende dat de benadeelde partij de gestelde kledingstukken (merkkleding) heeft gedragen tijdens het steekincident. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze kledingstukken bij het steekincident of als gevolg daarvan beschadigd zijn geraakt (door bloedvlekken en/of schade door het mes). Het gevorderde bedrag is voldoende onderbouwd en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat de vordering voor dat deel zal worden toegewezen.
Dit is anders ten aanzien van de schade in verband met het verlies van de earplugs, de tattoozalf en de zonnebril. Nu het gestelde verlies niet gestaafd kan worden met eerdere verklaringen van de benadeelde partij of andere bewijsmiddelen in het dossier, is niet aannemelijk geworden dat deze schade verband houdt met het bewezen feit. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze posten niet-ontvankelijk worden verklaard.
De gevorderde materiële schade in verband met het volgen van een cursus zelfverdediging staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende verband met het bewezen feit en zal om die reden worden toegewezen.
Van de gevorderde 'nader te onderbouwen schadevergoeding voor materiële schade van
EUR 1.000,00,' kan in het geheel niet worden vastgesteld op welke schade dit ziet en in welk verband dit staat tot het bewezen feit zodat deze gevorderde schadepost wordt afgewezen.
De gevorderde materiële schade in verband met ziekenhuisdaggeldvergoeding en reis - en parkeerkosten is door de verdediging niet betwist zodat deze schade zal worden toegewezen.
Het toe te wijzen schadebedrag in verband met materiële schade bedraagt € 377,88.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Eén van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van fysiek letsel. Daarvan is in dit geval sprake. De benadeelde partij heeft drie steekwonden in zijn rug opgelopen. Reeds om die reden kan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 onder b BW aanspraak maken op smartengeld. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade naar billijkheid tot een bedrag van € 1.500,00 toewijzen.
Ten aanzien van het restant van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Dat gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4. Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.877,88, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1.877,88 (zegge: achttienhonderdzevenenzeventig euro en achtentachtig cent), bestaande uit € 377,88 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst af de door de benadeelde partij gevorderde post 'nader te onderbouwen materiële schade';
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 1.877,88(hoofdsom, zegge: achttienhonderdzevenenzeventig euro en achtentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1877,88 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.F. Smulders, voorzitter,
mr. N.M. Ketelaar en mr. E.A. Kool, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Berkel en Rodenrijs,
gemeente Lansingerland, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gestoken
in de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer],
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1
ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)