Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15252 - Rechtbank Rotterdam - 16 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15252•16 december 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711477 / JE RK 25-2550
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over het horen op de spoedbeslissing en de machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
de vader en de moeder, hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D. Abotay, kantoorhoudende te Schiedam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. Op 16 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de ouders met hun advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Aangezien [minderjarige] de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Syrische taal, heeft de kinderrechter het gesprek doen plaatsvinden met bijstand van [naam 4] , tolk in de Syrische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat deze tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4. Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Syrische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 4] , tolk in de Syrische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2 De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft in een crisisopvang.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 9 januari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.
3 Het (aangehouden) verzoek
3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hierover is reeds beslist. Thans dienen de partijen hierop nog te worden gehoord. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hiervan zijn reeds vier weken verleend. Over de periode tot 9 maart 2026 moet nog worden beslist.
4 De standpunten
4.1. De Raad handhaaft zijn verzoek ter zitting en licht dit nader toe. [minderjarige] verteld dat zij thuis wordt geslagen en gekleineerd. Ze mag thuis niks en krijgt overal de schuld van. De ouders willen [minderjarige] corrigeren op een manier die niet passend is in de opvoeding van een zeventienjarig meisje en de Raad vind het belangrijk dat de hulpverlening hierover met de ouders in gesprek gaat. Zowel [minderjarige] als de ouders willen elkaar niet verliezen. [minderjarige] heeft nog een hele toekomst voor zich en daar horen de ouders ook bij.
4.2. De GI stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. [minderjarige] verblijft momenteel in een crisisopvang. De GI heeft de ouders gesproken en de ouders geven aan dat ze vastlopen in de opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] vapet, zit vaak op haar telefoon en liegt over waar ze is. De GI heeft de ouders uitgelegd dat het corrigeren van [minderjarige] met fysiek geweld niet is toegestaan. De ouders geven aan dat ze vanuit hun beste intentie handelen en het beste willen voor [minderjarige] . Het fysiek straffen heeft slechts één keer plaatsgevonden volgens de ouders. [minderjarige] geeft echter aan dat het fysiek straffen structureel plaatsvindt. Het is positief dat de ouders openstaan voor hulpverlening. Het is belangrijk dat er eerst ingezet wordt op contactherstel tussen [minderjarige] en de ouders, voordat [minderjarige] weer naar huis kan. [minderjarige] zelf wil graag naar huis omwille van de moeder, maar [minderjarige] wil geen contact met de vader. Aangezien de moeder en de vader samen wonen is dit heel lastig. De GI heeft [minderjarige] uitgelegd dat een thuisplaatsing zonder contact met de vader niet mogelijk is. Morgen staat er een contactherstelmoment gepland. Dat is een eerste stap naar een eventuele thuisplaatsing. De GI hoopt dat het contactherstel positief verloopt, dat er veiligheidsafspraken kunnen worden gemaakt en dat er snel crisishulpverlening kan worden opgestart. De GI zet zich ervoor in dat [minderjarige] terug naar huis gaat, maar dit moet wel op een veilige manier gaan.
4.3. Door en namens de ouders wordt ter zitting het volgende, zakelijk en samengevat weergegeven, toegelicht. De ouders erkennen dat er binnen het gezin ernstige spanningen zijn geweest omdat zij moeilijkheden ervaren in de opvoeding van [minderjarige] . De ouders betreuren het fysiek geweld dat heeft plaatsgevonden en vinden dit zelf ook niet goed. Uit onmacht is dit toch een keer gebeurd. De ouders zijn bereid te leren, begeleiding te aanvaarden en hun handelen aan te passen. Omdat [minderjarige] momenteel niet thuis verblijft, is er geen acute fysieke dreiging meer. De ouders stellen dat er een minder ingrijpend alternatief dan een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing beschikbaar is in de zin van het maken van veiligheidsafspraken. De ouders stellen zich coöperatief op en zijn bereid om mee te werken aan alle vormen van hulpverlening. De ouders verzoeken primair om het verzoek tot ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Indien de rechtbank een ondertoezichtstelling toch nog noodzakelijk acht, verzoeken de ouders deze te richten op begeleiding en herstel, zonder uithuisplaatsing. Subsidiair wordt daarom verzocht om te volstaan met een lichte ondertoezichtstelling, zonder uithuisplaatsing, met de inzet van passende hulpverlening.
5 De beoordeling
5.1. Op basis van de stukken en de zitting heeft de kinderrechter het ernstige vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De opvoeding van [minderjarige] vraagt veel van de ouders en het is te prijzen dat de ouders daar hun verantwoordelijkheid voor nemen. Desondanks is het belangrijk dat er naar de veiligheid van [minderjarige] wordt gekeken. Het is noodzakelijk dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat er hulpverlening thuis wordt ingezet zodat de ouders worden ondersteund in de opvoeding van [minderjarige] . Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan.[1] De uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling is daarom naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds nodig.
5.2. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter daarnaast van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[2]
5.3. [minderjarige] verblijft sinds enkele dagen op een crisisgroep waar het op dit moment goed met haar gaat. Hoewel de crisisgroep voor de lange termijn geen plek biedt voor [minderjarige] , biedt de crisisgroep [minderjarige] momenteel rust en veiligheid. De ouders kunnen [minderjarige] op dit moment geen veilige thuissituatie bieden. Weliswaar zeggen de ouders dat het fysieke geweld maar een keer heeft plaatsgevonden en dat dit niet meer zal gebeuren, maar volgens [minderjarige] is dit vaker voorgekomen. Daarnaast is er nog geen hulpverlening ingezet in de thuissituatie, zodat er nog geen verandering is gekomen in de omstandigheden die hebben geleid tot het fysieke geweld. Naar het oordeel van de kinderrechter is er gelet op deze situatie op dit moment geen minder ingrijpende maatregel dan de uithuisplaatsing mogelijk. [minderjarige] heeft een rustige plek nodig, waar zij zich veilig voelt en de verzorging en structuur geboden krijgt die zij nodig heeft. De ouders willen het liefst dat [minderjarige] weer thuis komt wonen en ook [minderjarige] zou graag weer contact willen met de moeder. Het is belangrijk dat er eerst wordt gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de beide ouders, dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat er positieve stappen worden gezet in de thuissituatie. Het is belangrijk dat [minderjarige] veilig is en zich ook veilig voelt. De kinderrechter heeft begrip voor het feit dat het opvoeden van een meisje van zeventien veel van de ouders vraagt en geeft de ouders daarom de kans om daarbij hulp te krijgen. De kinderrechter geeft de GI en de ouders mee dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling niet perse hoeft te betekenen dat hieraan daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven. Het is immers niet de bedoeling dat [minderjarige] langer dan noodzakelijk ergens anders verblijft. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat er op het moment dat gedurende de komende maanden mogelijkheden zijn voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, hiernaar door de GI zal worden gehandeld.
5.4. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de resterende periode, te weten tot 9 maart 2026.
5.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. handhaaft de spoedbeslissing van 9 december 2025;
6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 maart 2026;
6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 en 1:257 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten