Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15250 - Rechtbank Rotterdam - 16 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15250•16 december 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/706873 / JE RK 25-1923
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.A. Smits, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1 Het verdere verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 14 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - het rapport van de Raad van 24 november 2025.
1.2. Op 16 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder (via telefoonverbinding) met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft op een groep van [naam instelling] .
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 oktober 2026. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 14 januari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
3 Het (aangehouden) verzoek
3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Hierover is reeds beslist. Tevens verzoekt de Raad de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 14 januari 2026 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 14 april 2026.
4 De standpunten
4.1. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit nader toe. [minderjarige] verblijft sinds kort bij [naam instelling] waar hij goed op zijn plek zit en de nodige begeleiding ontvangt. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] niet bevorderlijk om opnieuw te wisselen van verblijfplaats.
4.2. De GI stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. Het gaat goed met [minderjarige] bij [naam instelling] , maar hij blijft ook grenzen opzoeken. Het is belangrijk dat [minderjarige] zo goed mogelijk wordt begeleid en gestuurd. Ook bij de dagbesteding gaat het goed, maar laat [minderjarige] op momenten nog tekenen zien van oud gedrag. Het is belangrijk dat de oude patronen van [minderjarige] worden gecorrigeerd maar dat hij dit niet ervaart als een afwijzing. De GI is bezig met School2Care zodat [minderjarige] binnenkort regulier onderwijs kan volgen en zijn schooltijd met een diploma kan afsluiten. [minderjarige] kan de komende tijd verblijven bij [naam instelling] . De GI ziet de liefde in het gezin maar benadrukt dat er nog een lange weg te gaan is voordat [minderjarige] weer thuis kan wonen. Op het moment dat een thuisplaatsing aan de orde is, wordt hiernaar door de GI gehandeld met de inzet van intensieve hulpverlening in de thuissituatie.
4.3. Namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De moeder vindt het positief dat [minderjarige] bij [naam instelling] de begeleiding krijgt die hij nodig heeft en dat de locatie zich dichtbij thuis bevindt. De moeder houdt veel van [minderjarige] en wil het liefst dat [minderjarige] weer thuis woont. Echter denkt de moeder dat [minderjarige] daar op dit moment niet het meest mee is geholpen. Het is belangrijk dat er de komende drie maanden ingezet wordt op hulpverlening zodat het beter gaat met [minderjarige] .
5 De beoordeling
5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[1]
5.2. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sinds december 2025 op een groep van [naam instelling] verblijft, waar hij een positieve ontwikkeling doormaakt. Het is fijn dat er sprake is van een stabiele plek waar [minderjarige] kan landen en de juiste begeleiding krijgt. De positieve ontwikkeling is echter nog pril. [minderjarige] vervalt nog regelmatig in oud gedrag en zoekt grenzen op. Bezien moet worden of de ingezette positieve lijn bestendigd kan worden. De kinderrechter begrijpt heel goed dat [minderjarige] het liefst naar huis wil maar is met alle ter zitting aanwezige partijen van oordeel dat de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing het meest in zijn belang is. [naam instelling] biedt een stabiele basis dichtbij huis, waardoor [minderjarige] de begeleiding krijgt die hij nodig heeft maar ook onderdeel kan uitmaken van zijn gezin. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nog noodzakelijk om de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, passende hulpverlening in te zetten en de positieve ontwikkeling te continueren.
5.3. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de verzochte duur, te weten tot 14 april 2026.
5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 april 2026;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten