Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2025:15231 - Rechtbank Rotterdam - 9 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBROT:2025:15231•9 december 2025
Uitspraak inhoud
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708656 / JE RK 25-2149
Datum uitspraak: 9 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. K. Walburg, kantoorhoudende te Hoorn,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. E.J. Coxon, kantoorhoudende te Utrecht.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
2 De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3. Bij beschikking van 7 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verleend tot 7 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 december 2025.
3 Het verzoek
3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het – onder verwijzing naar het verzoekschrift – nader toe. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin. De moeder en de vader zijn inmiddels uit elkaar en [minderjarige] heeft met hen allebei apart omgang. Over de omgang tussen de moeder en [minderjarige] bestaan nog zorgen. De omgangsbegeleiding is voor de moeder daarom nog steeds betrokken. Over de omgang tussen de vader en [minderjarige] bestaan geen zorgen. De vader laat veel groei zien, sluit goed aan op wat [minderjarige] nodig heeft en is leerbaar, waardoor zijn omgang met [minderjarige] is uitgebreid en soms ook onbegeleid plaatsvindt. Voor een (gedeeltelijke) terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader bestaan op dit moment geen contra-indicaties, maar het is belangrijk dat hiertoe gedegen onderzoek wordt gedaan. De GI wil wel de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader uitbreiden. Ook is het belangrijk dat gedegen onderzoek wordt gedaan naar de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheid tot een eventuele (gedeeltelijke) terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. De GI heeft geprobeerd om een organisatie te vinden die bij allebei de ouders een perspectiefonderzoek kan en/of wil starten, maar dit is tot op heden nog niet gelukt. Dat komt enerzijds door de eisen die de mogelijke onderzoeksinstellingen stellen, anderzijds doordat de gemeente dergelijk onderzoek niet wil financieren omdat bij de moeder nog omgangsbegeleiding wordt ingezet. De GI blijft daarover in gesprek, maar er zit weinig voortgang in. De moeder wil graag dat [minderjarige] wordt teruggeplaatst bij de moeder in een moeder-kind huis. Of dit een mogelijkheid is, is afhankelijk van de kans van slagen. Om de kans van slagen te bepalen is informatie uit eerder onderzoek naar de moeder nodig. Als de moeder deze informatie niet wil delen omdat zij het niet eens is met de resultaten, dan moet zij meewerken aan een nieuw onderzoek.
4 De standpunten
4.1. Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI, met dien verstande dat de moeder wil dat goed wordt gekeken naar de mogelijkheid om [minderjarige] bij de moeder terug te plaatsen in een moeder-kind huis. De moeder begrijpt dat de GI hiervoor eerst de kans van slagen wil bepalen en dat moeder hiervoor onderzocht dient te worden. Eerder is onderzoek naar de moeder gedaan door Pluryn, maar de moeder is het niet eens met de resultaten van dit onderzoek en werkt liever mee aan een nieuw onderzoek. In de tussentijd is het fijn als de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , net zoals de omgang tussen de vader en [minderjarige] , wordt uitgebreid. Op deze manier kan de moeder laten zien dat zij ook leerbaar is en stappen zet. Er moet niet worden gewacht totdat een organisatie is gevonden die een perspectiefonderzoek bij allebei de ouders kan en/of wil starten. De GI kan de mogelijkheid van een terugplaatsing van [minderjarige] bij (één van) de ouders ook op andere manieren onderzoeken. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de daarmee gepaard gaande aanvaardbare termijn is dit ook noodzakelijk.
4.2. Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Voor het uitbreiden van de omgang tussen de vader en [minderjarige] en een (gedeeltelijke) terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader bestaan geen contra-indicaties. De zorgen die de GI over het middelengebruik en de vaardigheden van de vader in de stukken uit liggen in een ver verleden en hier bestaan geen zorgen meer over. Ondanks dat het in het pleeggezin goed gaat met [minderjarige] en de vader begrijpt dat [minderjarige] niet in één keer bij de vader kan worden teruggeplaatst, zou de vader graag willen dat hierin de nodige stappen worden gezet. Hij heeft met zijn netwerk en zijn werkgever reeds afspraken gemaakt om het voor hem mogelijk te maken om voor [minderjarige] te zorgen. Wachten op een volledig perspectiefonderzoek neemt te veel tijd en ten aanzien van de vader is een dergelijk onderzoek ook niet nodig. Het is in het belang van [minderjarige] dat de uitbreiding van haar contact met de vader niet wacht op wat mogelijk is bij de moeder.
5 De beoordeling
5.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] al lang – aansluitend aan een ziekenhuisopname vlak na haar geboorte - in een pleeggezin verblijft en dat zij zich daar goed ontwikkelt. De ouders zijn uit elkaar en [minderjarige] heeft met hen allebei apart omgang. De GI heeft geprobeerd om een perspectiefonderzoek naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders in te zetten, maar dit is tot op heden door verschillende omstandigheden nog niet gelukt. De aankomende periode is van belang dat de GI hierin daadwerkelijk stappen kan zetten. De financiering door de gemeente behoort in het belang van [minderjarige] geen belemmering te zijn. Voorts is van belang dat op dit moment de enige contra-indicatie tegen plaatsing bij de vader is dat de mogelijkheid tot terugplaatsing bij de moeder nog moet worden onderzocht. Intussen loopt de klok van de aanvaardbare termijn echter door. Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat op korte termijn een begin wordt gemaakt met een gedeeltelijke terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader. De GI heeft aangegeven dat het huidige pleeggezin van [minderjarige] tot alle vormen van samenwerking bereid is. Een volledig perspectiefonderzoek bij de moeder of een eventuele gezinsopname kan dan vanuit de gedeeltelijke plaatsing bij het pleegezin plaatsvinden. Een gedeeltelijke plaatsing bij de vader staat niet in de weg aan een onderzoek naar de mogelijkheden en opvoedcapaciteiten van de moeder.
5.2. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[1] De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg daarom verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Dat is een korte periode en de kinderrechter gaat er van uit dat in die periode een gedeeltelijke terugplaatsing bij de vader gerealiseerd zal zijn.
5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 7 maart 2026;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten