Terug naar bibliotheek
Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2025:15226 - Rechtbank Rotterdam - 3 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBROT:2025:152263 december 2025

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zaaknummer: C/10/696552 / HA ZA 25-258
Vonnis in verzet van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
tegen
[gedaagde],
te Rotterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. S. Kara.

1 De kern van de zaak

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen getrouwd geweest. Zij zijn in 2017 gescheiden en hebben toen een convenant getekend waarin een verdeling van hun vermogen is opgenomen. Daarbij is onder meer een woning in Breda toegedeeld aan de vrouw. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan levering van die woning. De man wil niet meewerken. Volgens de man zijn partijen overeengekomen dat de verdeling in het convenant (in elk geval tussen hen beiden) geen gelding heeft. De woning is dus volgens de man niet aan de vrouw toegedeeld. Als de rechtbank de man daar niet in volgt, dan moet de toedeling van de woning volgens de man ongedaan gemaakt worden. De man wil dat de woning verkocht wordt en dat de helft van de netto-verkoopopbrengst aan hem wordt betaald. De rechtbank kan nog geen eindbeslissing nemen en geeft de man een bewijsopdracht.

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de inleidende dagvaarding van de vrouw; - het verstekvonnis van 5 februari 2025 met zaaknummer C/10/691965 / HA ZA 25-2; - de verzetdagvaarding van 11 maart 2025, tevens eis in reconventie en incidentele vordering tot schorsing tenuitvoerlegging verstekvonnis; - de conclusie van antwoord in het incident; - het vonnis in incident van 21 mei 2025; - de akte eiswijziging van de man; - de aanvullende productie 7 van de man; - de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025 en de ter gelegenheid daarvan door de advocaat van de vrouw overgelegde spreekaantekeningen.
2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1. Partijen zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Op 7 augustus 2017 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank.
3.2. Partijen hebben een echtscheidingsconvenant getekend, gedateerd 5 juli 2017, waarbij vrijwel het gehele vermogen van partijen, waaronder een woning aan de [adres] (hierna: de woning) met de daarop rustende hypotheekschuld, aan de vrouw is toegedeeld. Aan de man is zijn kleding en een belastingschuld toegedeeld.
3.3. Na de scheiding hebben partijen nog bijna zeven jaar samengewoond. In april 2023 zijn zij uit elkaar gegaan.

4 Het geschil

4.1. De vrouw wil dat gevolg wordt gegeven aan de toedeling van de woning aan haar. Zij heeft de man gedagvaard voor deze rechtbank maar de man is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. De beslissing in het verstekvonnis, opgenomen in punt 3 van dat vonnis, luidt:
"De rechtbank,
a. veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de levering van zijn eigendomsdeel van de woning aan de [adres] aan de vrouw, waarbij onder levering moet worden begrepen het verrichten van alle juridische en feitelijke handelingen noodzakelijk voor het tekenen van de akte van verdeling/levering onder bepaling dat de man een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan verbeurt, zulks voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen met een maximum van € 25.000,00;
b. bepaalt dat, indien de man zijn medewerking als bedoeld sub a. niet verleent, dit vonnis
op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de door de notaris op te stellen akte van toedeling/levering met betrekking tot de woning.
c. veroordeelt de man om mede te werken aan de wijziging/doorhaling c.q. vervallenverklaring van de tenaamstelling van de op de woning afgesloten hypotheek bij
ABN AMRO Hypotheken Groep bv en de daarmee verband houdende verzekering bij
Reaal Levensverzekeringen nv onder polisnummer [polisnummer] eveneens op straffe van een
dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan verbeurt, zulks voor iedere dag dat
hij nadien in gebreke blijft aan deze uitspraak te voldoen met een maximum van
€ 25.000,00;
d. veroordeelt de man tot het doen van rekening en verantwoording met betrekking tot de
door hem wegens verhuur van de woning [adres] in
ontvangst genomen of overgemaakt gekregen huurpenningen vanaf 1 september 2017 dit aan de hand van verificatoire bescheiden een en/of ander op straffe van een dwangsom van € 100.00 per dag voor iedere dag dat de man na een maand dat de uitspraak hem betekend is niet aan deze veroordeling voldoet dit met een maximum van € 10.000,00:
e. veroordeelt de man het saldo van de rekening en verantwoording als bedoeld onder d.
aan de vrouw te betalen;
f. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt;
g. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde."
4.2. De beslissing in het verstekvonnis houdt een toewijzing in van de vorderingen van de vrouw, zij het dat de rechtbank heeft afgewezen de vordering tot machtiging van de vrouw om, indien de man zijn medewerking aan de levering van zijn eigendomsdeel in de woning niet verleent, alle juridische en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om tot overdracht en levering van dat eigendomsdeel aan de vrouw te komen. Ook de gevorderde dwangsom bij de veroordeling tot betaling van het saldo van de rekening en verantwoording is afgewezen. De overige gevorderde dwangsommen zijn door de rechtbank gematigd.
4.3. De man is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en vordert na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
"Primair:
I. de man te ontheffen van de veroordeling in het verstekvonnis van 5 februari 2025, gewezen onder zaaknummer C/10/691965 HA ZA 25-2, met vernietiging van het verstekvonnis en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw af te wijzen;
II. de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals door partijen overeengekomen en vastgesteld bij echtscheidingsconvenant van 5 juli 2017 (gedeeltelijk) te vernietigen, dan wel (gedeeltelijk) te ontbinden;
III. voor recht te verklaren dat de betreffende afspraak ten aanzien van de verdeling van de woning te Breda in het echtsscheidingsconvenant geen rechtsgevolg heeft en partijen niet langer aan deze afspraak gebonden zijn;
IV. een verdeling van de woning aan de [adres] vast te stellen inhoudende dat de netto-verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, althans een verdeling vast te stellen c.q. te gelasten als Uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
Subsidiair:
V. voor recht te verklaren dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de man en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 20.445,72 en € 18.000,-, totaal € 38.445,72, althans een bedrag dat uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag van algemene voldoening;
Meer subsidiair:
VI. voor recht te verklaren dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de man en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een naar billijkheid te bepalen bedrag, begroot op de door de investering veroorzaakte waardestijging van de woning, welke waardestijging door middel van een deskundigenrapport zal worden aangetoond;
Primair, subsidiair, meer subsidiair:
VII. de vrouw te veroordelen in de procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zin voldaan;
VIII. iedere verdere beslissing te nemen die Uw rechtbank in goede justitie geraden acht."
4.4. De vrouw verzoekt de rechtbank het verzet ongegrond te verklaren en de vordering in reconventie af te wijzen, kosten rechtens.
4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie
5.1. Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld. De procedure is dus door het verzet heropend en het exploot van verzet geldt als conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie.
in conventie
Moet de man meewerken aan de levering van de woning aan de vrouw zoals in het verstekvonnis is bepaald?
5.2. De woning is bij de verdeling in het convenant aan de vrouw toegedeeld. Volgens de man was het niet de bedoeling van partijen om hun gemeenschappelijk vermogen daadwerkelijk te verdelen. Het convenant was alleen bedoeld om te voorkomen dat schuldeisers van de man beslag zouden leggen op de bezittingen van partijen. De man stelt dus dat het convenant niet de werkelijke overeenkomst van partijen weergeeft, en dat partijen in werkelijkheid overeengekomen zijn om (in elk geval in hun onderlinge verhouding) hun vermogen onverdeeld te laten. Subsidiair stelt de man dat partijen na de ondertekening (stilzwijgend) zijn overeengekomen geen uitvoering te geven aan de verdeling zoals opgenomen in het convenant.
5.3. De man stelt dat de werkelijke overeenkomst, althans de nadere afspraak tussen partijen, blijkt uit het volgende: partijen zijn na de echtscheiding blijven samenwonen als waren zij gehuwd, de man heeft na de echtscheiding meerdere investeringen gedaan in de woning, en de man heeft na de echtscheiding meerdere malen de maandelijkse termijn van de hypotheek betaald.
5.4. De vrouw betwist dat partijen iets anders zijn overeengekomen met betrekking tot de verdeling dan wat in het convenant staat. De vrouw erkent dat partijen zijn blijven samenwonen en dat de man drie keer een termijn van de hypotheek heeft betaald, maar betwist dat de man investeringen in de woning heeft gedaan.
5.5. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Uit de door de man gestelde en niet door de vrouw betwiste feiten blijkt niet dat partijen bij de ondertekening van het convenant zijn overeengekomen dat de verdeling zoals opgenomen in het convenant (tussen hen) geen gelding zou hebben. Immers, waar het om gaat is wat partijen ten tijde van het aangaan van het convenant in juli 2017 over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315). Uit de genoemde feiten valt dit niet af te leiden. Ook blijkt uit die feiten niet dat partijen naderhand (stilzwijgend) zijn overeengekomen geen uitvoering te geven aan de verdeling zoals opgenomen in het convenant. Immers, dat partijen zijn blijven samenwonen betekent niet noodzakelijkerwijs dat zij de verdeling in het convenant ongedaan hebben willen maken. En dat de man in een periode van zes jaar drie termijnen van de hypotheek op de woning heeft betaald, wijst evenmin op een intentie om samen de lusten en lasten van de woning te delen.
5.6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man het bewijs opdragen van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen in juli 2017, bij het aangaan van het convenant, zijn overeengekomen om, in afwijking van het convenant, hun vermogen (in hun onderlinge verhouding) onverdeeld te laten, althans dat partijen na de ondertekening van het convenant (stilzwijgend) zijn overeengekomen geen uitvoering te geven aan de verdeling zoals opgenomen in het convenant.
5.7. Als de man slaagt in dat bewijs, dan heeft de man in beginsel aanspraak op de helft van (de waarde van de) woning. De veroordeling om mee te werken aan levering van de woning aan de vrouw, zonder dat de vrouw daarvoor een vergoeding behoeft te betalen, kan dan niet in stand blijven. De rechtbank zal dan dus het verstekvonnis, voor zover het betreft de veroordeling tot medewerking aan de levering van de woning en het daarmee samenhangende deel van de beslissing (de beslissing onder 3 a tot en met c van het verstekvonnis), vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de daaraan ten grondslag liggende vorderingen van de vrouw afwijzen. Als de man niet in dat bewijs slaagt, dan zal de rechtbank het verstekvonnis, voor zover het dat deel van de beslissing betreft, bekrachtigen.
5.8. De vordering tot machtiging van de vrouw om, indien de man zijn medewerking aan de levering van zijn eigendomsdeel in de woning niet verleent, alle juridische en feitelijke handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om tot overdracht en levering van dat eigendomsdeel aan de vrouw te komen, is in het verstekvonnis afgewezen. Als de beslissing onder 3 a tot en met c van het verstekvonnis wordt bekrachtigd, zal ook die afwijzing worden bekrachtigd omdat de vrouw ingevolge de beslissing onder 3 b de levering zonder de gevorderde machtiging kan bewerkstelligen.
De man moet rekening en verantwoording afleggen van de door hem na 1 september 2017 geïnde huur van de woning
5.9. De man is in het verstekvonnis veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording met betrekking tot de door hem vanaf 1 september 2017 geïnde huur van de woning en tot betaling van het saldo van die rekening en verantwoording aan de vrouw. De man vordert vernietiging van dat deel van het vonnis. De man betwist niet dat hij de huur van de woning sinds 1 september 2017 heeft geïnd maar volgens de man is de door hem geïnde huur besteed aan het gemeenschappelijke huishouden van partijen en moet de vordering van de vrouw daarom worden afgewezen. De vrouw betwist dat de door de man geïnde huur (geheel) is besteed aan het huishouden van partijen.
5.10. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Als de man niet slaagt in het bewijs zoals vermeld in 5.6, dan staat vast dat de woning middels het convenant zonder voorbehoud is toegedeeld aan de vrouw. De vrouw is dan sinds de datum van het convenant (5 juli 2017) in economische zin eigenaar van de woning. Als de man wel slaagt in het genoemde bewijs, dan komt daarmee vast te staan dat partijen samen zowel juridisch als economisch gerechtigd zijn tot de woning. In het eerste geval komt de geïnde huur de vrouw geheel toe, in het tweede geval komt de geïnde huur de vrouw voor de helft toe (dit volgt uit artikel 3:172 BW). In elk geval heeft de man dus bedragen geïnd die geheel of gedeeltelijk aan de vrouw toekomen. De man is daarom in beginsel gehouden om over hetgeen hij heeft geïnd rekening en verantwoording af te leggen (dit volgt uit artikel 6:199 lid 2 BW).
5.11. Dit ligt niet anders als hetgeen de man aan huur heeft geïnd, is besteed aan het gemeenschappelijke huishouden van partijen. Waar het om gaat is immers vast te stellen wat de man aan huur heeft geïnd en wat dientengevolge de vordering is van de vrouw op de man. Dat de man mogelijk een tegenvordering op de vrouw heeft wegens (teveel) betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding, doet hier niet aan af.
5.12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in haar eindvonnis het verstekvonnis, voor wat betreft de veroordeling tot het doen van rekening en verantwoording (de beslissing onder 3.d), bekrachtigen.
Moet de man het saldo van de rekening en verantwoording afdragen aan de vrouw?
5.13. Indien de man rekening en verantwoording heeft afgelegd en niet slaagt in het in 5.6 bedoelde bewijs, dan moet hij het saldo van de rekening en verantwoording aan de vrouw betalen. De geïnde huur komt dan immers geheel aan de vrouw toe. Indien de man wel slaagt in het genoemde bewijs, dan moet hij de helft van het saldo van de rekening en verantwoording aan de vrouw betalen. De geïnde huur komt dan immers voor de helft aan de vrouw toe. Voor verrekening met een mogelijke tegenvordering van de man wegens (teveel) betaalde kosten van de gemeenschappelijke huishouding, is in deze procedure geen plaats. Het bestaan van die tegenvordering hangt immers af van hetgeen beide partijen hebben bijgedragen en hetgeen zij in hun onderlinge verhouding moesten bijdragen aan de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Hierover is in deze procedure geen debat gevoerd tussen partijen, zodat de tegenvordering van de man, als daarvan sprake is, niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW).
5.14. De rechtbank zal dus, indien de man niet slaagt in het in 5.6 bedoelde bewijs, het verstekvonnis, voor wat betreft de veroordeling tot betaling van het saldo van de rekening en verantwoording (de beslissing onder 3.e), bekrachtigen. Indien de man wel slaagt in dat bewijs, zal de rechtbank het verstekvonnis, voor zover het dat deel van de beslissing betreft, vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man veroordelen om de helft van het saldo van de rekening en verantwoording aan de vrouw te betalen.
5.15. De door de vrouw gevorderde dwangsom bij het niet voldoen aan deze veroordeling is in het verstekvonnis afgewezen. Die beslissing zal in het eindvonnis worden bekrachtigd omdat aan een veroordeling tot betaling van een geldsom geen dwangsom verbonden kan worden. Dit volgt uit artikel 611a lid 1 Rv.
De rechtbank beslist nog niet op de overige vorderingen in conventie
5.16. De rechtbank houdt de beslissing op alle overige vorderingen in conventie aan.
in reconventie
De primaire vordering in reconventie van de man
5.17. De man vordert in reconventie primair vernietiging, dan wel gedeeltelijke ontbinding van de verdeling in het convenant, een verklaring voor recht dat die verdeling geen rechtsgevolg heeft, en een nieuwe verdeling waarbij de woning wordt verkocht en de netto-verkoopopbrengst bij helfte wordt gedeeld.
De vordering tot vernietiging van de verdeling wegens dwaling wordt afgewezen
5.18. De man baseert zijn vordering tot vernietiging van de verdeling in het convenant op artikel 3:196 BW. De man stelt dat hij voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld bij die verdeling en dat hij heeft gedwaald omtrent de waarde van de woning.
5.19. De vrouw betwist dat de man heeft gedwaald. De vrouw wijst er daarbij op dat partijen blijkens artikel 7 van het convenant de in het convenant vermelde waarde van de te verdelen vermogensbestanddelen naar beste weten hebben vastgesteld.
5.20. Gebleken is dat hetgeen bij de verdeling in het convenant aan de man is toegedeeld een negatieve waarde had en dat hetgeen aan de vrouw is toegedeeld een positieve waarde had. Dat de man voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld, staat dus vast. Dat betekent dat de verdeling vernietigbaar is indien de man heeft gedwaald omtrent de waarde van één of meer der te verdelen vermogensbestanddelen.
5.21. De man stelt nadrukkelijk slechts gedwaald te hebben omtrent de waarde van de woning. Vast staat dus dat de man niet heeft gedwaald omtrent de waarde van de overige vermogensbestanddelen. Met betrekking tot de woning heeft de man ter zitting verklaard dat deze is gekocht voor € 265.000, - in 2009, dat deze in 2017 is getaxeerd op € 295.000,-, en dat de daarop rustende hypotheek oorspronkelijk € 265.000, - was en later is verhoogd naar € 315.000,-. De man was bij het aangaan van het convenant dus op de hoogte van de waarde van de woning en van de stand van de op de woning rustende hypotheekschuld. Dat betekent dat de man niet heeft gedwaald omtrent de (onder)waarde van de woning. Van dwaling als bedoeld in artikel 3:196 BW is dus geen sprake. De vordering tot vernietiging van de verdeling wegens dwaling zal daarom worden afgewezen.
De vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding van de verdeling wegens onvoorziene omstandigheden wordt afgewezen
5.22. De man vordert (gedeeltelijke) ontbinding van de verdeling in het convenant op grond van onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW). Volgens de man was het uitgangspunt van partijen bij het maken van de verdeling dat zij bij elkaar zouden blijven. Dat partijen uit elkaar zijn gegaan, is daarom volgens de man een onvoorziene omstandigheid.
5.23. De vrouw betwist dat van een onvoorziene omstandigheid sprake is. Bovendien moet de vordering tot ontbinding volgens de vrouw worden afgewezen omdat partijen zich in het convenant hebben verbonden "deze overeenkomst noch geheel, noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan."
5.24. Voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW is beslissend of partijen het optreden van de betreffende omstandigheden (stilzwijgend) in hun overeenkomst hebben verdisconteerd.
5.25. Uit hetgeen de man ter zitting heeft verklaard, blijkt dat de man voorafgaand aan het tekenen van het convenant heeft nagedacht over de mogelijkheid dat de relatie van partijen zou eindigen. De man heeft verklaard dat hij erop vertrouwde dat partijen bij elkaar zouden blijven. In dat vertrouwen heeft de man het convenant getekend. Dat betekent dat het uit elkaar gaan van partijen - in elk geval voor de man - geen onvoorziene omstandigheid is als bedoeld in artikel 6:258 BW. De man heeft de mogelijkheid dat zich dat zou voordoen in de overeenkomst verdisconteerd. Hem komt daarom geen beroep toe op artikel 6:258 BW. De vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding van de verdeling zal om die reden worden afgewezen.
De gevorderde verklaring voor recht
5.26. De man vordert een verklaring voor recht dat de verdeling in het convenant geen rechtsgevolg heeft en partijen niet langer aan deze afspraak zijn gebonden. Partijen hebben ter zitting echter verklaard dat hun geschil zich beperkt tot de woning. De man wenst een (nieuwe) verdeling van de woning, inhoudende dat de netto-verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld. Daartoe heeft de man een aparte vordering ingesteld die hierna in 5.27 tot en met 5.29 wordt besproken. Dat de man daarnaast belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, is gesteld noch gebleken. De rechtbank zal die vordering daarom afwijzen.
De gevorderde verdeling van de woning
5.27. De man vordert dat de rechtbank een verdeling van de woning vaststelt, inhoudende dat de netto-verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.
5.28. Nu de vordering tot vernietiging of ontbinding van de verdeling in het convenant wordt afgewezen, kan slechts van een (nieuwe) verdeling van de woning sprake zijn als de man slaagt in het in 5.6 bedoelde bewijs. De rechtbank zal in dat geval de wijze van verdeling van de woning vaststellen. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: - ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de woning verkocht moet worden. De rechtbank zal daarbij aansluiten; - de netto-verkoopopbrengst van de woning zal worden verdeeld op de wijze zoals door de man gevorderd, te weten bij helfte; partijen hebben immers, als de verdeling in het convenant tussen hen geen gelding heeft, ieder een gelijk aandeel in de woning, en de vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wijze van verdeling.
5.29. Als de man niet slaagt in het in 5.6 bedoelde bewijs, dan zal de vordering tot verdeling van de woning worden afgewezen.
De subsidiaire vordering in reconventie van de man
5.30. De man vordert in reconventie subsidiair, voor het geval de rechtbank geen nieuwe (wijze van) verdeling van de woning vaststelt waarbij aan hem de helft van de netto-verkoopopbrengst toekomt, een verklaring voor recht dat de vrouw ten koste van hem ongerechtvaardigd is verrijkt, en veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 38.445,72, althans een naar billijkheid te bepalen bedrag. De man stelt dat hij € 20.445,72 heeft betaald voor een verbouwing in februari 2023 waarbij de badkamer, douche, wc en keuken in de woning zijn vernieuwd. En de man stelt dat hij in januari 2024 € 18.000, - heeft betaald voor het aanleggen van een nieuwe rioolpijp van de woning naar het hoofdriool omdat de bestaande rioolpijp was "geïmplodeerd". Volgens de man hebben deze werkzaamheden tot een waardestijging van € 38.445,72 geleid, zodat de vrouw (als economisch eigenaar van de woning) met dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt.
5.31. De vrouw heeft ter zitting betwist dat de door de man gestelde werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Volgens de vrouw had de man niet het geld om de gestelde werkzaamheden te betalen. De vrouw heeft verklaard dat zij na april 2023, kort nadat de verbouwing volgens de man was uitgevoerd, in de woning is geweest (die verhuurd werd) en dat zij toen heeft gezien dat er niks in de woning veranderd was. Ook de huurders hebben toen volgens de vrouw tegen haar gezegd dat er geen verbouwingswerkzaamheden in de woning hadden plaatsgevonden. De vrouw betwist daarom de authenticiteit van de stukken (offerte, factuur en kwitanties) die de man heeft overgelegd als bewijs van de verbouwing en de betaling van € 20.455,72.
5.32. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Dat de gestelde verbouwing heeft plaatsgevonden, staat niet vast. De vrouw heeft immers gemotiveerd betwist dat de verbouwing heeft plaatsgevonden en zij heeft de authenticiteit betwist van de stukken die de man heeft overgelegd als bewijs van de verbouwing en de betaling van € 20.445,72. De man zal dus moeten bewijzen dat de gestelde verbouwing heeft plaatsgevonden. De man zal ook de gestelde waardestijging als gevolg van de verbouwing moeten bewijzen. Het is immers van algemene bekendheid dat esthetische wijzigingen in een woning, zoals een nieuwe keuken, zich niet automatisch vertalen in een waardestijging van de woning, laat staan een waardestijging die gelijk is aan de kosten van die wijzigingen. Als de man in dit bewijs slaagt en de toedeling van de woning aan de vrouw in stand blijft, dan staat vast dat de vrouw is verrijkt ten koste van de man. Dat voor die verrijking geen rechtsgrond bestaat, is niet door de vrouw betwist. De vrouw is dan dus ongerechtvaardigd verrijkt en zal het bedrag van die verrijking aan de man moeten betalen.
5.33. Als bewijs van de herstelwerkzaamheden aan het riool heeft de man een factuur van € 18.000, - overgelegd waarop staat vermeld, met handtekening, dat deze contant is voldaan. Volgens de vrouw had de man het geld niet om deze werkzaamheden te betalen. De vrouw heeft de authenticiteit van de factuur van € 18.000, - echter niet betwist. Daarom gaat de rechtbank uit van de authenticiteit van die factuur en de daarop gestelde vermelding dat die contant is betaald. Daarmee staat vast dat het rioolherstelwerk heeft plaatsgevonden. Dat deze werkzaamheden tot een waardestijging van de woning van € 18.000, - hebben geleid, staat echter niet vast. Evenals voor esthetische verbouwingen geldt immers voor reparaties en herstelwerkzaamheden dat deze zich niet automatisch vertalen in een waardestijging van de woning, laat staan een waardestijging die gelijk is aan de kosten van die werkzaamheden. De man zal dus de moeten bewijzen dat de werkzaamheden aan het riool tot een waardestijging van de woning hebben geleid. Als de man daarin slaagt en de toedeling van de woning aan de vrouw in stand blijft, dan staat vast dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt. De vrouw zal het bedrag van die verrijking dan aan de man moeten betalen.
5.34. Vanuit een oogpunt van proceseconomie zal de in 5.32 en 5.33 genoemde bewijslevering moeten plaatsvinden tegelijk met de bewijslevering genoemd in 5.6.
5.35. Als de toedeling van de woning aan de vrouw in stand blijft, dan vordert de man ten slotte € 1.252,14 van de vrouw. De man stelt dat hij na de echtscheiding drie termijnen van de hypotheekschuld met betrekking tot de woning, ten bedrage van in totaal € 1.252,14, heeft betaald en dat de vrouw, als de toedeling van de woning aan haar in stand blijft, daardoor ongerechtvaardigd is verrijkt. De vrouw heeft die betalingen ter zitting erkend. Het betreft betalingen op een schuld die volgens de verdeling in het convenant geheel aan de vrouw is toegerekend. Als die verdeling in stand blijft, dan heeft de man met die betalingen dus een schuld voldaan waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is maar die in de onderlinge verhouding van partijen uitsluitend de vrouw aangaat. Dat betekent dat de man op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op de vrouw heeft ten bedrage van het door hem betaalde bedrag. De vrouw moet dus, als de primaire vorderingen in reconventie van de man worden afgewezen, € 1.252,14 aan de man betalen.
De rechtbank beslist nog niet op de overige vorderingen in reconventie
5.36. De rechtbank houdt de beslissing op alle overige vorderingen in reconventie aan.

6 De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1. draagt de man op bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen in juli 2017, bij het aangaan van het convenant, zijn overeengekomen om, in afwijking van het convenant, hun vermogen (in hun onderlinge verhouding) onverdeeld te laten, althans dat partijen na de ondertekening van het convenant (stilzwijgend) zijn overeengekomen geen uitvoering te geven aan de verdeling zoals opgenomen in het convenant;
in reconventie
6.2. draagt de man op bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit blijkt (i) dat de door hem gestelde verbouwing van de woning heeft plaatsgevonden, (ii) dat - en met welk bedrag - de woning in waarde is gestegen als gevolg van die verbouwing, en (iii) dat - en met welk bedrag - de woning in waarde is gestegen als gevolg van het herstel van de riolering;
in conventie en in reconventie
6.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 31 december 2025 voor uitlating door de man of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het doen horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
6.4. bepaalt dat, als de man geen bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen;
6.5. bepaalt dat, als de man getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met juli 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.6. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. W.A.M. Schellekens in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100 - 125;
6.7. bepaalt, voor het geval de man bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dat beide partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;
6.8. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
2334/3310